Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1074

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2015
Datum publicatie
17-04-2015
Zaaknummer
14/01028
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:27, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:4669, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag- en executierecht; opheffing conservatoir beslag. Kort geding. Beoordeling aannemelijkheid van de gestelde vordering; nieuwe grondslag die niet in het beslagrekest is genoemd. Opheffing beslag, afwijzing vordering door bodemrechter; beoordeling kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel (HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/864
JWB 2015/151
RvdW 2015/556
RBP 2015/45
S&S 2016/13
NJ 2017/155 met annotatie van Redactie, A.I.M. van Mierlo
AA20150794 met annotatie van A.W. Jongbloed
JBPR 2015/50 met annotatie van Mr. M.R. van Zanten
JOR 2015/220 met annotatie van mr. A. Steneker
TvPP 2015, afl. 3, p. 84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 april 2015

Eerste Kamer

14/01028

TT/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

1. NIDERA (SUISSE) S.A.,
gevestigd te Renens, Zwitserland,

2. ALIZÉS DENDRÉES S.A.,
gevestigd te Abidjan, Ivoorkust,

3. HUILERIE DE GUINEE SARL,
gevestigd te Conakry, Guinee,

4. AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,
gevestigd te Amstelveen,

5. ALLIANZ NEDERLAND SCHADE-VERZEKERING N.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Nidera c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 450184 / KG ZA 10-234 NB/CP van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 25 februari 2010;

b. het arrest in de zaak 200.068.095/02 van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen Nidera c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 februari 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] is bestuurder van Sirius Shipping Inc. (hierna: Sirius), gevestigd te St. Vincent & the Grenadines. Nidera is een handelsonderneming gevestigd te Zwitserland.

(ii) Nidera heeft een lading witte rijst gekocht.
Zij heeft een gedeelte van deze lading doorverkocht aan Alizés en Huilerie. Deze ladingen dienden te worden afgeleverd in respectievelijk Abidjan, Ivoorkust en Conakry, Port Guinee.

(iii) De volledige lading rijst is ter vervoer naar Abidjan en Conakry ingeladen in de ‘Pine Trader’, een schip van Sirius. Op de ter zake afgegeven cognossementen staat Sirius als carrier vermeld.

(iv) De ‘Pine Trader’ is gestrand voor de kust van Kaapstad. Het bedrijf [A] heeft de ‘Pine Trader’ de haven van Kaapstad binnengesleept. De lading rijst is als gevolg van dit incident verloren gegaan. De ‘Pine Trader’ had een casco- en een aansprakelijkheidsverzekering, maar de uitkeringen uit hoofde daarvan zijn niet ten goede gekomen aan Nidera c.s. [A] heeft beslag gelegd op de ‘Pine Trader’, het schip is verkocht en de opbrengst daarvan is aangewend voor de betaling van de lonen van de bemanningsleden en de openstaande hypothecaire schulden van Sirius.

(v) Nadien heeft Sirius, vertegenwoordigd door [eiser], twee andere aan haar toebehorende schepen, de ‘Oasis II’ en de ‘Lundenes’ voor $ 1,-- per schip verkocht aan Taurus Shipholdings Co. Inc. Taurus werd bij de koop vertegenwoordigd door een persoon die tevens (mede)bestuurder van Sirius was.

(vi) De voorzieningenrechter heeft aan Nidera c.s. verlof verleend om conservatoir (derden)beslag te leggen op twee huizen van [eiser] en op aan hem toebehorende bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en de Rabobank. In het beslagrekest is aangevoerd dat [eiser] persoonlijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze verwijten betroffen de slechte onderhoudstoestand van de ‘Pine Trader’ en onvoldoende hulpverlening nadat het schip was gestrand.

(vii) Nidera c.s. hebben een bodemprocedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Zij stelden daarin dat [eiser] persoonlijk ernstig verwijtbaar, en dus onrechtmatig tegenover hen heeft gehandeld, en herhaalden daartoe de in het beslagrekest reeds tot hem gerichte verwijten.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat naar het toepasselijke recht van St. Vincent and the Grenadines geen persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder [eiser] kan worden aangenomen.

Nidera c.s. hebben hoger beroep tegen dit bodemvonnis ingesteld. Op de uitspraakdatum van het hierna in 3.2.3 te vermelden, in kort geding gewezen, arrest van het hof was hierop nog niet beslist.

(viii) Nidera c.s. hebben na de afwijzing van hun vordering in het hiervoor in (vii) vermelde vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure en na het hierna in 3.2.2 te vermelden vonnis van de voorzieningenrechter, maar nog vóór het hierna in 3.2.3 te vermelden arrest van het hof in dit kort geding, de ten laste van [eiser] gelegde beslagen onvoorwaardelijk opgeheven.

3.2.1

In dit kort geding heeft [eiser] opheffing gevorderd van de hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde beslagen.
Hij voerde daartoe aan dat het door Nidera c.s. ingeroepen recht ondeugdelijk was. Bij conclusie van antwoord voegden Nidera c.s., één dag voor de mondelinge behandeling, nog een derde grondslag toe aan de door hen gestelde vordering, namelijk dat de hiervoor in 3.1 onder (v) vermelde handelwijze van [eiser] paulianeus was.

3.2.2

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd. Hij was van oordeel dat zowel de vraag of de beslagen dienden te worden opgeheven, als de vraag of de vordering van Nidera c.s. (on)deugdelijk is, moet worden beantwoord naar Nederlands recht.
De gevorderde opheffing werd afgewezen op de nader aangevoerde paulianagrond. Volgens de voorzieningenrechter viel voorshands niet uit te sluiten dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] in dat opzicht persoonlijk verwijtbaar en dus onrechtmatig heeft gehandeld.

3.2.3

[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de proceskosten.

Het hof stelde voorop dat [eiser] voldoende belang had bij zijn beroep, ook nu dit alleen nog de proceskostenveroordeling in eerste aanleg betrof (rov. 2.6). Het hof verwierp de grief van [eiser] dat de voorzieningenrechter zijn beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op de nader aangevoerde paulianagrond.
Deze alsnog aangevoerde (grondslag van de) vordering heeft immers niet geleid tot een onredelijke bemoeilijking van de verdediging of onredelijke vertraging van het geding, ook al is deze grondslag pas daags voor de zitting aangevoerd. Dit impliceert niet dat een behoorlijke verdediging tegen die (grondslag van de) vordering niet mogelijk is, en daarvan is ook niet gebleken. Een doelmatige rechtspleging wordt erdoor gediend dat Nidera c.s. niet voor nieuw opgekomen vorderingen opnieuw beslag moeten leggen. Daarom is een eisvermeerdering als hier aan de orde, binnen de grenzen van een goede procesorde toelaatbaar. (rov. 2.7) Voorts is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van Nidera c.s., en evenmin dat de beslagen onnodig zijn gelegd. De enkele omstandigheid dat de vorderingen in de bodemprocedure in eerste aanleg zijn afgewezen brengt dit niet mee, te minder nu hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof achtte zich binnen het bestek van dit kort geding niet in staat een beslissing te geven over de vraag welk recht van toepassing is op de vorderingen van Nidera c.s. Evenwel kon niet op voorhand worden gezegd dat de vordering, die is gebaseerd op schending van een op [eiser] persoonlijk rustende verplichting, geen steun vindt in het toepasselijke recht, ook niet als in het midden wordt gelaten welk recht dat is. In dit verband is mede van belang dat [eiser] het gestelde paulianeus handelen heeft erkend, zodat niet op voorhand kan worden gezegd dat een daarop gebaseerde vordering geen steun vindt in de feiten. (rov. 2.8-2.10) [eiser] heeft in dit licht te weinig gesteld om summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Nidera c.s. te doen blijken of van de onnodigheid van het beslag, de wederzijdse belangen van partijen in aanmerking nemende. [eiser] is dus niet ten onrechte door de voorzieningenrechter in de proceskosten veroordeeld. (rov. 2.11)

3.3

De onderdelen 1.1-1.3 zijn gericht tegen hetgeen het hof in rov. 2.7 heeft overwogen. De onderdelen houden in de kern in dat het hof, bij de beoordeling van de onderhavige vordering tot opheffing van de gelegde beslagen, ten onrechte mede de paulianagrondslag heeft betrokken, die niet in het beslagrekest is genoemd en in elk geval te laat is aangevoerd. Het oordeel van het hof dat [eiser] aldus niet in zijn verdediging is bemoeilijkt, is onbegrijpelijk.

3.4

Bij de beoordeling van de onderdelen wordt vooropgesteld dat de voorzieningen-rechter deze "paulianagrondslag" klaarblijkelijk en alleszins begrijpelijk heeft opgevat als een door Nidera c.s. mede aan hun vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd, ten grondslag gelegde onrechtmatige daad van [eiser] (zie hiervoor in 3.2.2, laatste zin).
Deze onrechtmatige daad bestond volgens Nidera c.s. in een opzettelijke verkorting van hun verhaalsrecht op Sirius, welk verhaalsrecht is gebaseerd op door Sirius jegens hen gepleegde wanprestatie, daarin bestaande dat de door Sirius vervoerde lading rijst door haar schuld verloren is gegaan. Tegen deze uitleg is in hoger beroep niet opgekomen, en het hof heeft met zijn overwegingen over de "paulianagrondslag" kennelijk ditzelfde bedoeld.

3.5

Voor zover bij de beoordeling of een beslag moet worden opgeheven, de aannemelijkheid van de gestelde vordering ter zake waarvan het beslag is gelegd, wordt meegewogen, is de rechter niet gebonden aan de grondslagen voor die vordering welke in het beslagrekest zijn vermeld. Het staat hem in beginsel vrij zijn beslissing om het beslag niet op te heffen, (mede) te baseren op feiten en omstandigheden die niet in het beslagrekest waren vermeld, maar in het opheffingsgeding nader door de beslaglegger ten grondslag zijn gelegd aan de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd.

3.6

Voor zover de onderdelen zijn gebaseerd op een andere rechtsopvatting dan hiervoor in 3.5 is vermeld, falen zij om die reden. Voor zover de onderdelen motiveringsklachten bevatten tegen feitelijke oordelen van het hof, waaronder het oordeel dat de paulianagrondslag niet te laat is aangevoerd, falen zij omdat deze oordelen niet onbegrijpelijk zijn.

3.7

Onderdeel 2.1 voert, kort samengevat, aan (a) dat, indien het beslag inmiddels is opgeheven door de beslaglegger, daarmee per definitie summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd, en (b) dat het hof, gelet op de hiervoor in 3.1 onder (vii) vermelde beslissing van de bodemrechter (de rechtbank), is uitgegaan van een onjuiste maatstaf bij de beoordeling of summierlijk van deze ondeugdelijkheid is gebleken.

3.8

De klachten falen. Het ligt op de weg van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. Indien het beslag in de loop van het geding door de beslaglegger wordt opgeheven en, bijvoorbeeld in verband met de proceskosten, nog slechts moet worden beoordeeld of de vordering tot opheffing daarvan had moeten worden toegewezen, rechtvaardigt het enkele feit van die opheffing door de beslaglegger niet het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor het beslag is gelegd. Aan de opheffing van een beslag kunnen immers vele motieven ten grondslag liggen. Ook de omstandigheid dat die vordering is afgewezen, rechtvaardigt dit oordeel niet zonder meer indien tegen het vonnis of arrest een rechtsmiddel is ingesteld. In een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen. Van de rechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel. (vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483)

3.9

De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nidera c.s. begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 17 april 2015.