Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:977

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
13/03113
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:325, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. HR herhaalt de in ECLI:NL:HR:2010:BL2823 neergelegde maatstaf m.b.t. de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag ex art. 94a Sv. Uit de overweging van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Indien de Rechtbank met haar overweging dat zij “gelet op alle feiten en omstandigheden van oordeel [is] dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang” het oog erop heeft dat de voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (a.b.i. ECLI:NL:HR:2014:38) heeft zij dat oordeel niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0208
RvdW 2014/720

Uitspraak

22 april 2014

Strafkamer

nr. 13/03113 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 2 mei 2013, nummer RK 13/203, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klaagster, mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de motivering door de Rechtbank van de gegrondverklaring van het door de klaagster ingediende klaagschrift.

2.2.

De bestreden beschikking houdt onder het opschrift "Beoordeling" het volgende in:

"Vast is komen te staan, dat bedoeld beslag op 16 januari 2013 op rechtmatige wijze onder klaagster in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

De raadsvrouw voert het woord ter verdediging overeenkomstig de inhoud van een als bijlage I aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. In aanvulling op het in bijlage I geschrevene pleit de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - als volgt:

Klaagster is eigenaresse van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te Purmerend. Zij was niet op de hoogte van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in deze door haar aan een bekende van haar familie verhuurde woning. Zij woont zelf sedert 2001 in een huurwoning in Amsterdam en zij heeft de woning in Purmerend al jaren niet meer bezocht. Voorts is zij bezig de woning in Purmerend te verkopen. Het conservatoir beslag verhindert een verkoop aanzienlijk en klaagster wordt hierdoor ernstig benadeeld.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat klaagster ervan wordt verdacht in strijd te hebben gehandeld met een in artikel 3 onder b van de Opiumwet gegeven verbod.

Zij is eigenaresse van de woning waarin op 13 februari 2012 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Dit vraagt om een uitleg. Nu klaagster niet de naam wil noemen van de bekende van haar familie aan wie zij destijds de woning heeft verhuurd, is haar verhaal niet te controleren. Deze feiten en omstandigheden zijn voldoende om het beslag te laten voortduren. Het maximum bedrag waarvoor in deze zaak het recht tot verhaal zal worden toegepast bedraagt € 63.645,93.

De rechtbank is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang."

2.3.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het gaat om een op de voet van art. 94a Sv onder de klaagster gelegd beslag op het in de bestreden beschikking genoemde vermogensrecht.

2.4.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen zo een beslag dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

2.5.

Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Daarom is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd.

2.6.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66).

2.7.

Indien de Rechtbank met haar overweging dat zij "gelet op alle omstandigheden van oordeel [is] dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang", het oog erop heeft dat de voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft zij dat oordeel niet ontoereikend gemotiveerd.

2.8.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.