Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:964

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
11/05394
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2698
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Inbeslagneming, art. 134 Sv. Het oordeel van het Hof dat het veiligstellen van het vaartuig door de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam niet kan worden beschouwd als een inbeslagneming t.b.v. de strafvordering is onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling van het Hof dat het vaartuig “op verzoek van het Team water van de politie naar aanleiding van een aangifte van diefstal (…) door voornoemde gemeentelijke dienst naar de bewaarhaven [is] overgebracht”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0198
RvdW 2014/701
NJ 2014/255

Uitspraak

22 april 2014

Strafkamer

nr. 11/05394 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 november 2011, nummer RK 001148-11, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. D.H. Woelinga, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een inbeslagneming als bedoeld in art. 134 Sv, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.

Het Hof heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen:

"Allereerst zal het hof de vraag moeten beantwoorden of i.c. sprake is van inbeslagneming ten behoeve van strafvordering. Daartoe is het volgende van belang.

Het vaartuig, waarvan zowel klager en [betrokkene 1] enerzijds als [betrokkene 2] anderzijds stellen eigenaar te zijn, terwijl geen van hen die eigendom heeft aangetoond, is blijkens een brief van de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam van 25 april 2008 door deze dienst veilig gesteld op verzoek van het Team water van de politie naar aanleiding van een aangifte van diefstal. Het vaartuig is daartoe op 10 september 2007 door voornoemde gemeentelijke dienst naar de bewaarhaven overgebracht en door diezelfde gemeentelijke dienst op 21 februari 2008 afgegeven aan [betrokkene 2]. In een brief van diezelfde dienst van 22 mei 2008 is voorts vermeld dat in deze zaak door die dienst "geen proces-verbaal of iets dergelijks" is ontvangen en dat het vaartuig aan [betrokkene 2] is teruggegeven omdat "aangenomen werd dat hij de rechthebbende was". Uit het dossier blijkt niet dat op enig moment inbeslagneming, zoals bedoeld in artikel 134 Sv, van het betreffende vaartuig heeft plaatsgevonden. Zo is er geen sprake van een inbeslagneming door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar of (hulp)officier van justitie en blijkt niet dat er een proces-verbaal van inbeslagneming is opgemaakt en evenmin dat er enig strafrechtelijk onderzoek is verricht.

Derhalve kan dit veiligstellen door de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam noch inhoudelijk, noch naar de uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als een inbeslagneming ten behoeve van de strafvordering. Het klaagschrift richt zich derhalve niet tegen een inbeslagneming in de zin van artikel 134 Sv, zodat klager in zijn beklag als bedoeld in artikel 552a Sv niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

2.3.

Art. 134, eerste lid, Sv luidt als volgt:

"Onder inbeslagneming van eenig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering."

2.4.

Het oordeel van het Hof dat het veiligstellen van het vaartuig door de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam niet kan worden beschouwd als een inbeslagneming ten behoeve van de strafvordering is onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling van het Hof dat het vaartuig "op verzoek van het Team water van de politie naar aanleiding van een aangifte van diefstal (...) door voornoemde gemeentelijke dienst naar de bewaarhaven [is] overgebracht". Het middel is terecht voorgesteld.

2.5.

Met het oog op de verdere afdoening van de zaak merkt de Hoge Raad het volgende op. Het beroep is gericht tegen een beschikking die is gegeven op het klaagschrift van de klager dat - onder verwijzing naar art. 552a Sv - strekte tot teruggave aan hem van het vaartuig. Een op dat klaagschrift geplaatst stempel houdt in dat het op 4 maart 2009 is ingekomen op de griffie van de Rechtbank Amsterdam. Het Hof heeft vastgesteld dat het vaartuig op 28 februari 2008 aan [betrokkene 2] is teruggegeven. Indien komt vast te staan dat de klager de beslagene is, moet ervan worden uitgegaan dat geen toepassing is gegeven aan art. 116, derde lid, Sv. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het onderhavige beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv de inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996: AD2480, NJ 1996/526).

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.