Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:963

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
12/01730
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:314, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Ontvankelijkheid h.b.. Herstelbeslissing. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2012:BW1478 m.b.t. de mogelijkheid voor de feitenrechter om een herstelbeslissing te geven. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat het gebonden was aan de “rectificatiebeschikking” van 17 september 2010 onjuist. In aanmerking genomen dat in de beschikking van 19 november 2007 is bevolen dat het beroep van verdachte buiten behandeling wordt gelaten, heeft het Hof verdachte ten onrechte ontvangen in zijn beroep.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 410a
Wetboek van Strafvordering 412
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/183
SR-Updates.nl 2014-0193
RvdW 2014/694
NJ 2015/400

Uitspraak

22 april 2014

Strafkamer

nr. S 12/01730

MD/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 februari 2012, nummer 22/005117-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte in zijn hoger beroep heeft ontvangen.

2.2.1.

De verdachte is door de Politierechter in de Rechtbank Dordrecht bij vonnis van 14 september 2007 ter zake van het "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis.

2.2.2.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een beschikking als bedoeld in art. 410a Sv van 19 november 2007, inhoudende:

"BEOORDELING

De voorzitter is van oordeel dat de bevelen in casu konden worden gegeven in het kader van de handhaving van de openbare orde. De door de raadsman onder punt 3 t/m 6 van het schriftuur vermelde argumenten vinden naar het oordeel van de voorzitter geen steun in het recht.

De voorzitter is ook overigens niet gebleken dat het belang van een goede rechtsbedeling vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld.

Op grond van bovenstaande dient het hoger beroep buiten behandeling te worden gelaten.

(...)

BESLISSING

De voorzitter:

Beveelt dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten."

(ii) een "rectificatiebeschikking" van 17 september 2010, inhoudende:

"De voorzitter herstelt de beschikking d.d. 19 november 2007 (...)

De voorzitter wijzigt de beoordeling, in zoverre dat in plaats van:

"De voorzitter is van oordeel dat de bevelen in casu konden worden gegeven in het kader van de handhaving van de openbare orde. De door de raadsman onder punt 3 t/m 6 van het schriftuur vermelde argumenten vinden naar het oordeel van de voorzitter geen steun in het recht.

De voorzitter is ook overigens niet gebleken dat het belang van een goede rechtsbedeling vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld.

Op grond van bovenstaande dient het hoger beroep buiten behandeling te worden gelaten."

het volgende wordt opgenomen:

"De voorzitter is van oordeel dat in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld."

BESLISSING

De voorzitter:

Beveelt dat de zaak op voet van artikel 412 van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt."

2.2.3.

Het Hof, dat de verdachte heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde, heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu het hoger beroep - gezien de verlofbeschikking d.d. 19 november 2007 - is ingesteld tegen een onherroepelijk vonnis.

De raadsman van de verdachte is van mening dat de verdachte - op gronden als weergegeven in zijn overgelegde pleitnotities - wél ontvankelijk is in het hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt.

Op 8 december 2010 is de verlofbeschikking d.d. 19 november 2007 gerectificeerd middels een zogenoemde rectificatiebeschikking. Door de rectificatiebeschikking is de verlofbeschikking van 19 november 2007 van de baan. In de rectificatiebeschikking is bevolen dat de zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.

Deze rectificatiebeschikking is onherroepelijk, zodat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep."

2.3.

Het is de feitenrechter in strafzaken toegestaan een zogenoemde herstelbeslissing te geven indien de oorspronkelijk gewezen beslissing, kort gezegd, een onmiddellijk kenbare fout bevat. Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak. (Vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490.)

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het oordeel van het Hof dat het gebonden was aan de "rectificatiebeschikking" van 17 september 2010, onjuist. In aanmerking genomen dat in de beschikking van 19 november 2007 is bevolen dat het beroep van de verdachte buiten behandeling wordt gelaten, heeft het Hof de verdachte ten onrechte ontvangen in zijn hoger beroep.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.