Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:955

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
12/02608
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2468
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7428, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2016:3480
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artt. 509a, c, d en 495a Sv. Ex art. 509d Sv kan de rechter, indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, een bevel tot medebrenging van verdachte a.b.i. art. 495.2 Sv achterwege laten indien de persoonlijke verschijning van verdachte “noch noodzakelijk noch gewenst is”. Het Hof heeft geoordeeld dat o.g.v. de door het Hof genoemde bijzondere omstandigheden een bevel tot medebrenging van verdachte achterwege moet worden gelaten. Aldus heeft het Hof niet het juiste criterium toegepast.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 495a
Wetboek van Strafvordering 509a
Wetboek van Strafvordering 509d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/184
SR-Updates.nl 2014-0199
NJB 2014/989
RvdW 2014/695
NJ 2015/74

Uitspraak

22 april 2014

Strafkamer

nr. 12/02608

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 mei 2012, nummer 20/000601-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de motivering van de beslissing van het Hof dat niet de medebrenging van de verdachte wordt gelast en dat het onderzoek ter terechtzitting niet wordt aangehouden tot een nadere terechtzitting.

2.2.

De verdachte is ter zake van "met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" (feit 2) en "met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren.

2.3.

De procesgang in hoger beroep is − samengevat weergegeven − als volgt geweest:

(i) op de pro forma-zitting van 13 januari 2011 is de behandeling van de zaak aangehouden tot 17 februari 2011;

(ii) op de regiezitting van 17 februari 2011, waarbij de raadsman, die door de verdachte uitdrukkelijk was gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, aanwezig was, zijn de stukken in handen gesteld van de raadsheer-commissaris en is de behandeling van de zaak aangehouden tot 24 mei 2011;

(iii) ter terechtzitting van 24 mei 2011, waarbij de raadsman aanwezig was en de verdachte niet was verschenen, is de behandeling van de zaak aangehouden tot 26 juli 2011 en een bevel tot medebrenging van de verdachte gegeven;

(iv) ter terechtzitting van 26 juli 2011, waarbij de raadsman en de verdachte aanwezig waren, is een preliminair verweer gevoerd en het onderzoek ter terechtzitting onderbroken tot 4 augustus 2011;

(v) ter terechtzitting van 4 augustus 2011, waarbij de verdachte noch de raadsman aanwezig waren, is het onderzoek ter terechtzitting hervat, het preliminair verweer verworpen en de behandeling van de zaak aangehouden tot 27 oktober 2011;

(vi) ter terechtzitting van 27 oktober 2011, waarbij de verdachte niet was verschenen en de raadsman van de verdachte verklaarde dat hij een e-mail van de verdachte had ontvangen waarin deze hem berichtte dat hij niet langer van de diensten van de raadsman gebruik wilde maken, heeft het Hof de behandeling van de zaak aangehouden tot 15 december 2011 met bevel tot oproeping en medebrenging van de verdachte en kennisgeving van de terechtzitting aan de (nieuwe) raadsman van de verdachte;

(vii) op de terechtzitting van 15 december 2011, waarbij de verdachte niet was verschenen en ook geen raadsman aanwezig was, heeft het Hof een beslissing gegeven als bedoeld in art. 509a, eerste lid, Sv, inhoudende de verklaring dat het Hof vermoedt dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld dan wel ziekelijk gestoord zijn en dat hij ten gevolge daarvan thans niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Voorts heeft het Hof toen een last gegeven tot toevoeging van een raadsman en het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd;

(viii) op de terechtzitting van 26 januari 2012, waarbij de raadsman aanwezig was, is de oproeping van de verdachte nietig verklaard en de behandeling van de zaak aangehouden tot een nader te bepalen terechtzitting met bevel tot oproeping van de verdachte;

(ix) ter terechtzitting van 1 mei 2012 waarbij de raadsman aanwezig was en de verdachte niet was verschenen, heeft het Hof de zaak behandeld;

(x) ter terechtzitting van 15 mei 2012 heeft het Hof uitspraak gedaan.

2.4.

De wettelijke bepalingen die te dezer zake van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.

2.5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2012 houdt het volgende in:

"De raadsman deelt mee:

Ondanks pogingen om met cliënt in contact te komen, ben ik er niet in geslaagd om hem vóór deze terechtzitting te spreken. Ik heb de zaak daarom niet met hem kunnen bespreken. Ik draag wel kennis van de inhoud van het dossier.

Het hof heeft de mogelijkheid om de zaak buiten aanwezigheid van cliënt af te doen, indien ik mij daartegen niet verzet. Ik verzet mij daar echter wel tegen. Het bezwaar tegen afdoening van de zaak buiten aanwezigheid van cliënt is reeds door mijn kantoorgenoot mr. Vonken bij brief van 25 januari 2012 aan het hof kenbaar gemaakt. Ik vind het absoluut noodzakelijk dat cliënt ter terechtzitting aanwezig is, al was het maar om kort met hem te kunnen overleggen vóór de behandeling van de zaak ter terechtzitting.

(...)

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de beslissing van het hof als volgt mee:

Op 15 december 2011 heeft het hof een verklaring als bedoeld in artikel 509a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gegeven. Op die datum is voorts ingevolge artikel 509c van het Wetboek van Strafvordering een last tot toevoeging van een raadsman, mr. Vonken, gegeven.

Op grond van artikel 509d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het hof, bij niet-verschijning van de verdachte in persoon, indien het van oordeel is dat de persoonlijke verschijning van de verdachte noch noodzakelijk noch gewenst is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, de bepaling van artikel 495a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering buiten toepassing laten. De raadsman heeft zich echter verzet tegen de behandeling van de zaak vandaag buiten aanwezigheid van de verdachte.

Ingevolge artikel 495a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof, indien de verdachte in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het hof kan echter op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten. Het hof acht dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig. Die bestaan uit (i) de duur van de strafprocedure, waarin de aangifte dateert uit 2008, (ii) de omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep telkens ervoor heeft gekozen niet ter terechtzitting te verschijnen en (iii) het belang van de aangeefster om niet langer in onzekerheid te verkeren over de afloop van deze strafzaak.

Het hof zal daarom overgaan tot de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte. Nu de verdachte ter terechtzitting van het hof op 26 juli 2011 is verschenen, wordt er geen verstek tegen hem verleend en blijft de behandeling op tegenspraak. De raadsman blijft bevoegd tot en belast met de verdediging. De raadsman, die heeft meegedeeld kennis te dragen van de inhoud van het dossier, kan op elk moment tijdens de behandeling van de zaak ingrijpen en naar voren brengen hetgeen hij in het belang van de verdachte acht."

2.6.

Het middel heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de in 2.3 onder (vii) vermelde beslissing van het Hof tot gevolg heeft dat onder andere art. 495a Sv van toepassing is. Het eerste lid van dat artikel houdt in dat de verdachte verplicht is in persoon ter terechtzitting te verschijnen. Ingevolge art. 509d Sv kan de rechter, indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, een bevel tot medebrenging van de verdachte als bedoeld in art. 495a, tweede lid, Sv achterwege laten indien de persoonlijke verschijning van de verdachte "noch noodzakelijk noch gewenst is". Blijkens de hiervoor in 2.5 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat op grond van de daarin genoemde bijzondere omstandigheden een bevel tot medebrenging van de verdachte achterwege moet worden gelaten. Aldus heeft het Hof niet het juiste criterium toegepast. De beslissing van het Hof is daarom ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.