Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:943

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
13/01106
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2369, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:3600, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure, art. 1019w Rv. Doorbreking rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv? Doorbrekingsjurisprudentie van overeenkomstige toepassing? Vormt het rechtsmiddel, bedoeld in art. 1019cc lid 3 Rv aanleiding om doorbreking niet toe te staan? HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556. Levert stelling dat beëindiging deelgeschil niet kan bijdragen aan totstandkoming vaststellingsovereenkomst doorbrekingsgrond op? HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1076, NJ 1993/758. Proceskosten in cassatie; art. 1019aa Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019bb
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019cc
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/125 met annotatie van mr. N.T. Dempsey
JIN 2014/134 met annotatie van J. van Weerden
JA 2014/96 met annotatie van mr. dr. M. de Tombe-Grootenhuis
JBPR 2015/1 met annotatie van mr. A.J.J.G. Schijns
AR-Updates.nl 2014-0360
TvPP 2014, afl. 4, p. 123
NJB 2014/927
AR 2014/216
RvdW 2014/599
JAR 2014/125 met annotatie van mr. N.T. Dempsey
JWB 2014/190
RAR 2014/97
RAV 2014/68
RBP 2014/59
VR 2014/141
NJ 2015/215

Uitspraak

18 april 2014

Eerste Kamer

nr. 13/01106

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [verzoekster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2.[verzoekster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

VERZOEKSTERS tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] c.s. en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 1280270 EA VERZ 11-1317 van de kantonrechter te Amsterdam van 16 februari 2012;

b. de beschikking in de zaak 200.107.357/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 4 december 2012.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben [verzoekster] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor partijen schriftelijk toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerder] mede door mr. K.J.O. Jansen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [verzoekster] c.s. heeft bij brief van 27 december 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] heeft op 18 augustus 2010 letsel opgelopen bij een arbeidsongeval. Hij was voor [verzoekster] werkzaam als sloper op een bouwlocatie aan de Haarlemmerstraat in Amsterdam. Op de eerste verdieping is hij op de randbeveiliging van een trapgat gaan zitten om koffie te drinken. Vervolgens is hij door de randbeveiliging gezakt en in het trapgat gevallen.

(ii) Ten tijde van het arbeidsongeval was [verweerder] in dienst van een uitzendbureau.

(iii) [verweerder] heeft [verzoekster] aansprakelijk gesteld voor zijn schade als gevolg van het arbeidsongeval. HDI-Gerling, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verzoekster], heeft [verweerder] laten weten dat geen aansprakelijkheid wordt erkend.

3.2

[verweerder] heeft de kantonrechter op de voet van art. 1019w Rv verzocht (i) voor recht te verklaren dat [verzoekster] haar zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 BW jegens hem niet heeft nageleefd en aansprakelijk is voor zijn letselschade als gevolg van het arbeidsongeval, (ii) de kosten van de procedure op de voet van art. 1019aa Rv te begroten op € 15.221,33, en (iii) [verzoekster] c.s. hoofdelijk in die kosten te veroordelen. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen.

3.3

Het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] c.s. in het hoger beroep niet-ontvankelijk zijn en daartoe, samengevat, als volgt overwogen.

Volgens art. 1019bb Rv staat tegen de beschikking van de kantonrechter geen voorziening open (rov. 3.2). [verzoekster] c.s. voeren aan dat de kantonrechter de deelgeschilprocedure ten onrechte heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied daarvan is getreden en fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden, althans essentiële vormen heeft verzuimd (rov. 3.1). Er is in dit geval geen goede grond om aan te nemen dat de uitsluiting van een rechtsmiddel kan worden doorbroken op een van de daartoe in de rechtspraak erkende gronden (rov. 3.3).

Volgens art. 1019cc lid 1 Rv is de bodemrechter gebonden aan een beschikking waarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Art. 1019cc lid 2 Rv bepaalt dat in de bodemprocedure aan een veroordelende beschikking de betekenis toekomt van een vonnis in kort geding.
Art. 1019cc lid 3 Rv houdt in dat van de beschikking, voor zover die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen beslissingen inhoudt betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen, hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis. (rov. 3.4) Aldus doet zich geen geval voor waarin de bevoegdheid tot appel is uitgesloten, maar is slechts het moment geregeld waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend. Weliswaar behoeft de deelgeschilprocedure niet tot een procedure ten principale te leiden, maar dat doet niet eraan af dat een partij die zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechter in de deelgeschilprocedure, via de weg van art. 1019cc Rv hoger beroep kan instellen.
De 'doorbrekingsjurisprudentie' is dan niet van toepassing (vgl. HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556). Aan het voorgaande doet niet af dat de kantonrechter volgens [verzoekster] c.s. primair buiten het toepassingsgebied van art. 1019w Rv is getreden. (rov. 3.5)

4 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

4.1

Volgens [verweerder] hebben [verzoekster] c.s. geen belang bij het cassatieberoep. [verzoekster] c.s. maken volgens hem niet duidelijk welke concrete beslissingen van de deelgeschilrechter die voor de uitkomst van de zaak bepalend kunnen zijn, niet meer voor heroverweging in de aanhangig gemaakte bodemprocedure in aanmerking zouden komen. [verweerder] wijst erop dat in het eindvonnis van 15 augustus 2013 in de bodemprocedure is geoordeeld dat [verzoekster] haar uit art. 7:658 BW voortvloeiende zorgplicht jegens hem heeft geschonden.

4.2

In cassatie moet als onbestreden ervan worden uitgegaan dat tussen partijen een eindvonnis is gewezen in een bodemprocedure over de aansprakelijkheidsvraag waarop het onderhavige deelgeschil betrekking heeft. Wegens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan de uitkomst van dit deelgeschil niet tot aantasting van dat eindvonnis leiden. Dit betekent echter niet dat [verzoekster] c.s. geen belang meer hebben bij het cassatieberoep, aangezien zij in de onderhavige deelgeschilprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep in de kosten zijn veroordeeld. Het ontvankelijkheidsverweer van [verweerder] wordt daarom verworpen.

5. Beoordeling van het middel

5.1

Het middel stelt de vraag aan de orde of het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv kan worden doorbroken.

5.2

Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.

5.3.1

Art. 1019w lid 1 Rv bepaalt dat, indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, ieder van hen, afzonderlijk of gezamenlijk, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter kan verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de gehele vordering, dat wil zeggen de vordering als bedoeld in art. 1019x lid 3, aanhef en onder a, Rv. Art. 1019z Rv bepaalt dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

5.3.2

Art. 1019bb Rv bepaalt dat tegen de beschikking op een verzoek zoals hiervoor in 5.3.1 bedoeld, geen voorziening openstaat, onverminderd art. 1019cc lid 3 Rv.

Volgens art. 1019cc lid 3 in verbinding met lid 1 Rv kan hoger beroep tegen een beschikking in een deelgeschil – voor zover daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding – slechts worden ingesteld binnen het bestek van een bodemprocedure. Dat hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis, dan wel, met verlof van de rechter in de bodemprocedure, tussentijds op de voet van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv.

5.3.3

Met de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (Stb. 2010/221), waarvan de hiervoor in 5.3.1 en 5.3.2 genoemde bepalingen onderdeel zijn, is beoogd te bevorderen dat geschillen over letsel- en overlijdensschade eenvoudig en voortvarend door middel van een minnelijke regeling kunnen worden afgewikkeld (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 2).

Deze doelstelling gaf aanleiding om wettelijke beperkingen te stellen aan het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beschikking in een deelgeschil (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 13 en 19-23). De memorie van toelichting op art. 1019bb Rv vermeldt:

"Het openstaan van een rechtsmiddel verdraagt zich bezwaarlijk met de ratio van de deelgeschilproce-dure. Deze procedure biedt een extra mogelijkheid om de rechter te raadplegen, die verder geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om een bodem-procedure aan te spannen. Met de verwijzing naar artikel 1019cc wordt gedoeld op de omstandigheid dat de deelgeschilbeschikking een zekere bindende kracht heeft, in verband waarmee tegen de inhoud daarvan in de bodemprocedure kan worden opgekomen. Aan de rechtspraak kan worden overgelaten in hoeverre de uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken op grond van de daarvoor in de jurisprudentie ontwikkelde gronden (…)." (Kamer-stukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 19)

Nadien is in antwoord op vragen van leden van de Eerste Kamer door de minister van Justitie opgemerkt:

"De uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken op grond van de daarvoor in de jurisprudentie ontwikkelde gronden. Een doorbreking is aldus mogelijk indien de rechter de procedure ten onrechte heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd. Meer of ruimere gronden om hoger beroep toe te staan acht ik niet wenselijk, omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de voordelen van uitsluiting van hoger beroep, namelijk dat dit een extra stimulans is om de onderhandelingen af te ronden en hoger beroep niet door een partij kan worden aangegrepen om de vaart uit de onderhandelingen te halen." (Kamerstukken I, 2009-2010, 31 518, nr. C, p. 5)

5.4

Uit de hiervoor in 5.3.3 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever meent dat het openstellen van een rechtsmiddel in de deelgeschilprocedure zich bezwaarlijk verdraagt met de ratio van die procedure, maar aan de rechtspraak heeft willen overlaten of de in art. 1019bb Rv voorgeschreven uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken.
Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat een zodanige doorbreking mogelijk is op de hiervoor in 5.2 vermelde gronden. Er is geen aanleiding om ten aanzien van het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv anders te oordelen. Daarbij verdient het volgende opmerking.
De beschikking op een deelgeschil als bedoeld in art. 1019w Rv kan bindende eindbeslissingen behelzen op geschilpunten die de materiële rechtsverhouding tussen partijen betreffen. In dat geval staat in zoverre een rechtsmiddel open (art. 1019cc lid 3 Rv), en daarin zou aanleiding kunnen worden gevonden om doorbreking niet toe te staan (vgl. HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556). De beschikking kan echter ook beslissingen van andere aard omvatten, en niet steeds behoeft op voorhand duidelijk te zijn wat de precieze reikwijdte van zodanige beslissingen is. Ook in de parlementaire geschiedenis wordt onderkend dat grensgevallen denkbaar zijn tussen beslissingen die ingrijpen in de materiële rechtsverhouding van partijen en beslissingen over meer processuele aspecten. (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 20-21).
Of een bepaald wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken, vraagt uit een oogpunt van rechtszekerheid om een ondubbelzinnig antwoord. Gezien de fundamentele strekking van de hiervoor in 5.2 bedoelde rechtspraak, zal dat antwoord de rechtsbescherming moeten waarborgen die in die rechtspraak wordt verleend.

5.5

Daarom moet worden aangenomen dat de hiervoor in 5.2 weergegeven doorbrekingsgronden kunnen worden ingeroepen met betrekking tot een beschikking op de voet van art. 1019w Rv, ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van art. 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan.
Het middel slaagt.

5.6

Opmerking verdient nog het volgende.

Anders dan [verzoekster] c.s. betogen, levert de stelling dat beëindiging van een deelgeschil niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering als bedoeld in art. 1019x lid 3, aanhef en onder a, Rv, geen doorbrekingsgrond op (vgl. HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1076, NJ 1993/758).

Indien met een beroep op een doorbrekingsgrond een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beschikking in een deelgeschil, zijn ook in dat geding de bepalingen van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdens-schade van toepassing.

5.7

[verzoekster] c.s. hebben "kosten rechtens" in het petitum in cassatie opgenomen. Art. 289 Rv is volgens art. 1019aa lid 3 Rv niet van toepassing. Er is derhalve geen plaats voor een proceskostenveroordeling ten gunste van [verzoekster] c.s.

Op grond van art. 1019aa lid 2 Rv gelden de kosten van de behandeling in cassatie aan de zijde van de benadeelde als buitengerechtelijke kosten, ongeacht of de kosten door de rechter op de voet van art. 1019aa lid 1 Rv worden begroot. [verweerder] heeft in het verweerschrift geconcludeerd tot "verwerping van het beroep, kosten rechtens" en geen kosten opgegeven.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding [verweerder] daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Dit laat zijn aanspraak op vergoeding van die kosten onverlet.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 4 december 2012;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 april 2014.