Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:920

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
13/03846
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:280, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht voorbereiding van diefstal met geweld en/of afpersing. “Bestemd tot het begaan” van het misdrijf a.b.i. art. 46 Sr. ’s Hofs kennelijke oordeel dat uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt welk “misdadig doel [...] de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had” is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De omstandigheden dat in de auto voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing en dat verdachte die voorwerpen opzettelijk voorhanden heeft gehad, volstaan daartoe niet (vgl. ECLI:NL:HR:2014:179).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/937
RvdW 2014/673

Uitspraak

15 april 2014

Strafkamer

nr. 13/03846

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 5 maart 2013, nummer 21/003514-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat hetgeen onder 2 is bewezenverklaard niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"2:

hij op 23 maart 2010 te Amsterdam ter voorbereiding van een te plegen misdrijf, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, opzettelijk voorwerpen, te weten:

- drie ploertendoders en

- drie busjes traangas en

- een koevoet en

- twee kogelwerende vesten en

- twee bivakmutsen,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

3:

hij op 23 maart 2010 te Amsterdam voorhanden heeft gehad drie busjes traangas, zijnde voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen met een verstikkende, weerloosmakende en traanverwekkende stof;

4:

hij op 23 maart 2010 te Amsterdam wapens van categorie I, te weten drie ploertendoders, voorhanden heeft gehad."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"1. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij registratienummer: 2010073237-1 (pag. 7-10) - gesloten op 23 maart 2010, nummer 2010073237-4, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beide surveillant van politie, dienstdoende bij Deo Flexibiliteit, houdende - zakelijk weergegeven - het relaas van de verbalisanten:

(pag. 7) Op 23 maart 2010 bevonden wij, verbalisanten, ons in uniform gekleed op onze dienstfietsen op de Prins Hendrikkade ter hoogte van perceel 33. Wij zagen een grijze Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [AA-00-BB] stilstaan op een laad- en loshaven. Wij zagen in deze auto een man op de bestuurdersstoel zitten. Wij, verbalisanten, zagen dat deze man duidelijk niet met het uitvoeren van laad- en losactiviteiten bezig was.

(pag. 8) Ik, eerste verbalisant, heb hierop de man staande gehouden ter zake van overtreding van artikel 24, eerste lid, sub f van het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990, zijnde als bestuurder een voertuig parkeren op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen.

Het was ons, verbalisanten, middels een voorafgaande briefing bekend dat er door een aantal personen met een grijskleurige Volkswagen, type Golf verscheidene inbraken in auto's werden gepleegd.

Ik, eerste verbalisant, vroeg aan de man of wij, verbalisanten, in de kofferbak mochten kijken. De man zei: "Oke" en stapte zijn auto uit en deed de kofferbak open.

Wij, verbalisanten, keken in de kofferbak en zagen één groen kleurige jerrycan, één witte plastic tas met daarin een daaruit stekende roodkleurige koevoet, één rubberen hamer en een groenkleurige sporttas met een ABN-AMRO teken erop liggen en een plastic tas met een Albert Heijn logo. Deze plastic tas was open. Wij, verbalisanten, zagen in deze plastic tas een zwart kleurig regenjack liggen met daarnaast een zwartkleurige bivakmuts.

Ik, tweede verbalisant, vroeg aan de man of dat wij in de plastic tas mochten kijken.

Hierop antwoordde de man: "Yes".

Ik, eerste verbalisant, keek in de tas en zag dat er twee bivakmutsen in zaten. Ik, eerste verbalisant, haalde het zwartkleurige regenjack uit de tas en zag onder in de tas, peperspray en een zwartkleurige ploertendoder liggen. Hierop hebben wij, verbalisanten, de man aangehouden ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie.

(pag. 9) Na het aantreffen van het busje pepperspray en de ploertendoder in het voertuig waarin de verdachte zat en het aanhouden van de verdachte hebben wij, verbalisanten, het betrokken voertuig inbeslaggenomen.

Wij hebben het voertuig overgebracht naar het bureau van politie Nieuwezijds Voorburgwal. Hierop hebben wij een onderzoek ingesteld aan het voertuig.

Tijdens het onderzoek troffen wij, verbalisanten, - voor zover van belang voor de bewijsvoering - het volgende aan:

3 zwarte ploertendoders van het merk: BLACKFIELD;

2 zwarte busjes pepperspray van het merk: Black Pepper;

1 rood busje pepperspray van het merk: Scorpion Security;

1 rubberen hamer

1 rode koevoet;

2 zwarte kogelwerende vesten;

2 zwarte bivakmutsen.

(pag 10) Alle goederen zijn aangetroffen in de kofferbak van het voertuig.

2. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij registratienummer: 2010073237-1 (pag. 123-126) - gesloten op 30 maart 2010, nummer 2010073237-23, door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beide surveillant van politie, dienstdoende bij Deo Flexibiliteit, houdende - zakelijk weergegeven - het relaas van de verbalisanten:

(pag. 124) Op vrijdag 26 maart 2010 stelde ik, eerste verbalisant, een onderzoek in naar de herkomst en de aankoop van een breekijzer en een rubberen hamer aangetroffen in de kofferbak van de Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. De bovengenoemde goederen zijn aangetroffen in dan wel naast een plastic zakje dat afkomstig was van doe-het-zelfwinkel [A].

[A] verkoopt maar een merk koevoet; deze zijn alle roodkleurig.

Medewerker [betrokkene 1] heeft een man een breekijzer en een rubberen hamer zien kopen. Dit was eind vorige week, mogelijk zaterdag, anders maandag van deze week.

(pag. 125) Op vrijdag 26 maart 2010 te 16.00 uur bezoeken de eerste en tweede verbalisant de doe-het-zelfwinkel [A].

Verbalisant wordt hierbij aangeduid als V. Medewerker [A] wordt hierbij aangeduid als M.

Het hieronder getoonde gesprek had plaats met medewerker [betrokkene 1].

V: Kan jij een omschrijving geven van de persoon die jij een hamer en breekijzer hebt zien kopen?

M: Ik zag een man met een getint uiterlijk met kort gemillimeterd haar.

Hij was rond de 1.80 meter lang.

Hij droeg een geel shirt met korte mouw en een jogging broek grijs kleurig.

Ik schat de man tussen de 20 en de 30 jaar oud.

Ik denk dat de man buitenlands sprak, maar ik weet niet meer welke taal.

Hij is twee keer geweest. Een keer voor het breekijzer, een keer voor de hamer.

Verbalisant laat foto zien van [verdachte].

V: Herkent u deze man?

M: Volgens mij is dat hem; die kop komt mij bekend voor.

Tweede verbalisant spreekt met [betrokkene 2] de caissière.

V: Heeft u deze week of vorige week een breekijzer of een rubber hamer verkocht?

M: Ja, beide, ik denk donderdag of vrijdag middag van vorige week

Tweede verbalisant laat foto van [verdachte] zien.

V: Herkent u deze man?

M: Ja, ik herken hem, hij heeft bij mij afgerekend.

Medewerker [betrokkene 3] vraagt middels het interne computer systeem van doe-het-zelfwinkel [A] de artikelnummers op van de betreffende goederen. Hieruit blijkt dat zowel de rubber hamer als het breekijzer gekocht zijn op 17 maart 2010.

Medewerker [betrokkene 1] komt terug en zegt: "Ik weet toch wel zeker dat de man op de foto de man is die ik gezien heb."

3. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij registratienummer: 2010073237-1 (pag. 38) - gesloten op 24 maart 2010, nummer 2010073237-9, door [verbalisant 3], hoofdagent Wijkteam Nieuwerzijdse Voorburgwal, houdende -zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte:

Ik wil alleen maar zeggen dat ik de spullen die in mijn auto liggen wil houden."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat twee goederen die in de auto zijn aangetroffen, te weten de koevoet en de rubberen hamer, ongeveer 6 dagen voor zijn aanhouding door verdachte zijn gekocht. Deze goederen zijn aangetroffen in de kofferbak van de personenauto vlakbij de overige in de tenlastelegging genoemde goederen. Een aantal van die goederen is bij elkaar in een plastic tas aangetroffen. Gezien deze omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte de goederen zelf in de personenauto heeft gelegd of in ieder geval wist dat deze goederen in de auto lagen. Hieruit volgt dat verdachte deze goederen opzettelijk voorhanden heeft gehad. Deze stelling wordt nog ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij graag zijn spullen, die in de auto lagen, wil behouden. Verdachte maakt daarbij geen onderscheid tussen de aangetroffen goederen.

Krachtens geldende jurisprudentie (Hoge Raad 20 februari 2007, LJN AZ0213) dient te worden beoordeeld of genoemde voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.

Het hof stelt op grond van het hierboven aangehaalde proces-verbaal van bevindingen vast dat verdachte is aangetroffen in een stilstaande grijskleurige Volkswagen Golf. In de auto zijn de in de tenlastelegging genoemde goederen aangetroffen. Het hof is van oordeel dat de ploertendoders, de pepperspray en de kogelwerende vesten zijn gericht op aanval en/of verwacht verzet. Deze goederen zijn, in combinatie en in onderlinge samenhang met elkaar en met de koevoet en de bivakmutsen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven.

Het hof weegt in de waardering van het bewijs mee dat verdachte voor voornoemde redengevende omstandigheden geen redelijke verklaring heeft gegeven. Het hof acht bewezen dat verdachte de voorwerpen voorhanden heeft gehad met het voornemen om daarmee een diefstal met (bedreiging van) geweld, dan wel afpersing te plegen."

2.3.

Aangezien de bewezenverklaring onder 2, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad die waren "bestemd tot het begaan" van het misdrijf "diefstal met geweld en/of afpersing", niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk is het kennelijke oordeel van het Hof dat uit die bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt welk "misdadige doel (...) de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had". De door het Hof in dat verband in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing en dat de verdachte die voorwerpen opzettelijk voorhanden heeft gehad, volstaan daartoe niet. (Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NJ 2014/107.)

2.4.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2014.