Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:901

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
13/04155
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:50, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:3675, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Vervangende toestemming moeder (binnenlandse) verhuizing met minderjarige kinderen. Art. 1:253a BW. In aanmerking te nemen omstandigheden; objectief verifieerbaar? Feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0100
JWB 2014/185
NJB 2014/877
RvdW 2014/651
NJ 2014/238
EB 2014/69
RFR 2014/79

Uitspraak

11 april 2014

Eerste Kamer

nr. 13/04155

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de moeder],
wonende te [woonplaats]

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de vader],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 132187 FA RK 12-1539 van de rechtbank Zutphen van 26 november 2012;

b. de beschikking in de zaak 200.119.193 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2013.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De moeder en de vader zijn in november 2003 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren, in september 2003 respectievelijk juli 2005. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

(ii) Het geregistreerd partnerschap van de moeder en de vader is op 27 juni 2008 geëindigd door inschrijving van de beëindigingsverklaring in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij notariële overeenkomst van 25 juni 2008 hebben de moeder en de vader de gevolgen van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap geregeld. Daarbij zijn zij overeengekomen dat zij de omgangsregeling in onderling overleg zullen vaststellen. Voorts is in deze overeenkomst onder meer vastgelegd dat de kinderen (behoudens andersluidende afspraken) om de twee weken een weekeinde bij de vader verblijven.

3.2

Voor zover in cassatie van belang kan het geschil als volgt worden samengevat.

De moeder heeft de rechtbank op de voet van art. 1:253a BW verzocht te bepalen dat het haar is toegestaan om met de kinderen te verhuizen van Apeldoorn naar Grathem en de kinderen in te schrijven op een basisschool in Grathem. Volgens de moeder is haar verzoek in het belang van de kinderen. Zij heeft sinds enige tijd een nieuwe partner (hierna: [betrokkene]), die met zijn drie minderjarige kinderen in Grathem woont. De moeder en haar kinderen verblijven daar regelmatig en dit verloopt zo goed dat bij de moeder de wens is gegroeid om met haar kinderen bij [betrokkene] en zijn kinderen in te trekken. Omdat [betrokkene] in Grathem een onderneming heeft, is het voor hem niet mogelijk om met zijn kinderen naar Apeldoorn te verhuizen, zodat de moeder niets anders rest dan met haar kinderen naar Grathem te verhuizen indien zij een gezin wil vormen met [betrokkene] en de vijf kinderen.

De vader heeft geweigerd toestemming te verlenen voor de voorgenomen verhuizing van de kinderen en heeft het verzoek van de moeder bestreden.

3.3.1

De rechtbank heeft, gehoord de Raad voor de Kinderbescherming, het verzoek van de moeder afgewezen.

3.3.2

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de moeder is afgewezen. Daartoe heeft het hof in rov. 5.8 als volgt overwogen:

“Gelet op de duur van de relatie is het hof onvoldoende ervan overtuigd dat er sprake is van een voldoende bestendige relatie tussen de moeder en [betrokkene]. Sinds medio april 2012 hebben de moeder en [betrokkene] een relatie. Kort daarvoor in februari 2012 werden [betrokkene] en zijn kinderen geconfronteerd met het overlijden van hun vrouw/moeder. Dit maakt de situatie kwetsbaar voor alle betrokkenen. Het hof is van oordeel dat eerst afgewacht moet worden in hoeverre de relatie tussen de moeder en [betrokkene] voldoende duurzaam is. Afgezien van haar belang bij de relatie met haar partner, heeft de moeder haar stelling dat het in het belang van de kinderen is om naar Grathem te verhuizen, onvoldoende onderbouwd. De kinderen zijn opgegroeid in Apeldoorn, zij gaan daar naar school en zij hebben ook hun sociale contacten in Apeldoorn. Voorts neemt het hof in aanmerking de grote afstand tussen Apeldoorn en Grathem (ruim 160 km), de nog jonge leeftijd van de kinderen, de leeftijdsfase waarin zij zich bevinden en de impact die een dergelijke verhuizing zal hebben op het contact met de vader. Met de raad is het hof van oordeel dat het contact met de vader door de verhuizing zal worden beperkt. Het belang van de kinderen om in Apeldoorn te blijven, weegt op dit moment zwaarder dan het belang dat de moeder heeft bij haar verhuizing naar Grathem.”

3.4.1

Onderdeel 1.1 klaagt in de eerste plaats dat het hof de maatstaf die is neergelegd in (onder meer) HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008/414 (hierna: de beschikking van 2008), heeft miskend door aan zijn beslissing omstandigheden ten grondslag te leggen die niet objectief verifieerbaar zijn.

3.4.2

Deze klacht faalt.

In de beschikking van 2008 heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid dat bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening het belang van het kind altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Voorts heeft de Hoge Raad in die beschikking vooropgesteld dat de rechter bij zijn beslissing over geschillen als bedoeld in art. 1:253a BW alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen, wat in voorkomend geval ook ertoe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging.

Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, volgt uit de beschikking van 2008 niet dat de door de rechter in acht te nemen omstandigheden zijn beperkt tot objectief verifieerbare omstandigheden. Voor een zodanige beperking bestaat ook geen grond. Het staat de rechter derhalve vrij ook omstandigheden die zich niet of moeilijk laten verifiëren, bij zijn beslissing te betrekken.

3.4.3

Onderdeel 1.1 klaagt in de tweede plaats dat het hof niet de door de moeder voorgenomen verhuizing heeft beoordeeld en haar belang daarbij heeft afgewogen tegen de overige belangen die zijn betrokken bij de daarover te nemen beslissing, maar in plaats daarvan zijn oordeel heeft gegeven over de samenvoeging van de gezinnen. Daarmee heeft het hof de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden, hetgeen een ongeoorloofde inmenging in het privé- en gezinsleven van de moeder in de zin van art. 8 EVRM oplevert, aldus de klacht.

3.4.4

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geen oordeel gegeven over de wenselijkheid van de samenvoeging van het gezin van de moeder met dat van [betrokkene] noch over de bestendigheid van de relatie van de moeder en [betrokkene]. Het hof heeft acht geslagen op de duur van de relatie van de moeder en [betrokkene] en op de kwetsbaarheid van de situatie in Grathem als gevolg van het recente overlijden van de echtgenote van [betrokkene]. Voorts heeft het hof in zijn oordeelsvorming betrokken het feit dat de kinderen in Apeldoorn zijn opgegroeid, daar naar school gaan en daar ook hun sociale contacten hebben, de grote afstand tussen Apeldoorn en Grathem, de nog jonge leeftijd van de kinderen en de leeftijdsfase waarin zij zich bevinden, alsmede de impact van de voorgenomen verhuizing op het contact tussen de kinderen en de vader. Aldus heeft het hof onderzocht of, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, het belang dat de moeder heeft bij haar verhuizing naar Grathem zwaarder weegt dan het belang van de kinderen om in Apeldoorn te blijven.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak, en in openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 april 2014.