Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:872

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
13/01652
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet Waardering onroerende zaken. Art. 17 WOZ. Oordelen van het Hof met betrekking tot de inhoud van de woning en de invloed op de waarde van een ‘dakkapel’ zijn onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0848
NTFR 2015/148
BNB 2014/111
V-N 2014/20.16
Belastingblad 2014/187
V-N Vandaag 2014/686
mr. dr. G. Groenewegen annotatie in NTFR 2014/1256

Uitspraak

11 april 2014

nr. 13/01652

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 juni 2013, nr. 12/00199, betreffende een aan belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1 Het geding in feitelijke instanties

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [b-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Reimerswaal (hierna: de heffingsambtenaar) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

De Rechtbank Middelburg (nr. AWB 11/424) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een hoekwoning (hierna: de woning), bouwjaar 1886, met een schuur en een tuin.

3.1.2.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 182.000. In het taxatieverslag dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt is vermeld dat de woning een inhoud heeft van 385 m³. Voorts is daarin vermeld dat de woning een dakkapel heeft waaraan een waarde van € 5000 is toegekend.

3.1.3.

Belanghebbende heeft de vastgestelde waarde van de onroerende zaak betwist en zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat de woning geen dakkapel heeft.

3.2.

Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak juist heeft vastgesteld.

3.3.

Met betrekking tot de “dakkapel” heeft het Hof overwogen dat deze weliswaar anders is betiteld dan bij een vergelijkingspand, maar op dezelfde wijze in de waardering is betrokken als bij laatstbedoeld pand, te weten door deze te betrekken in het aantal kubieke meters van de woning. Het Hof heeft vervolgens de grief van belanghebbende over (het onjuist waarderen van) de “dakkapel” verworpen, aangezien deze aanduiding geen invloed heeft gehad op de waardering.

3.4.

Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak op € 182.000, naast de waarde op basis van de inhoud van de woning van 385 m³, waarin de inhoud van de “dakkapel” volgens het Hof reeds is begrepen, ter zake van een dakkapel een bedrag van € 5000 in aanmerking is genomen. De vastgestelde waarde dient derhalve met dit bedrag te worden verminderd.

3.5.

De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6.

Gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 3.4 hiervoor kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar van de gemeente Reimerswaal in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de heffingsambtenaar,

vermindert de vastgestelde waarde tot € 177.000,

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Reimerswaal aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 115 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 41, derhalve in totaal € 274,

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Reimerswaal in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1217,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1217,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 243 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.