Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:861

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
13/01577
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:261, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voeging b.p. Art. 421 en 51g Sv. De opvatting dat de in art. 421.3 Sv genoemde verwijzing naar de opgave van de eerste – ongewijzigde – vordering slechts kan geschieden d.m.v. het in art. 51g.1 Sv genoemde formulier vindt geen steun in het recht. V.zv. het middel opkomt tegen het kennelijk oordeel van het Hof dat de e-mail van aangeefsters naar redelijke uitleg kan worden aangemerkt als een in art. 421.3 Sv bedoelde verwijzing naar de eerste vordering, faalt het. Deze, aan het Hof voorbehouden, uitleg van dit schriftelijk stuk is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de betekenis van de e-mail ttz. aan de orde is gesteld en de verdediging te dien aanzien geen redenen heeft aangevoerd waarom het e-mail bericht i.c. niet zou dienen te worden aangemerkt als een schriftelijk stuk ter voeging van de vordering in h.b.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0171
NJB 2014/884
NJ 2014/229
RvdW 2014/646

Uitspraak

8 april 2014

Strafkamer

nr. 13/01577

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 1 maart 2013, nummer 24/001159-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere, een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering terwijl van een voeging als bedoeld in art. 421 Sv geen sprake is.

3.2.

Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

"1.

hij op 30 juli 2009 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen autopapieren, behorende bij de personenauto gekentekend [AA-00-BB], toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte

- [slachtoffer 1] hardhandig bij de arm heeft vastgepakt;

- [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geslagen en

- [slachtoffer 1] met kracht op de grond heeft gegooid en

- vervolgens in zijn personenauto is gestapt

en - terwijl [slachtoffer 1] met haar bovenlichaam door het geopende raam aan de bestuurderskant in die personenauto hing - met die door hem bestuurde personenauto achteruit is gereden, waarbij [slachtoffer 1] werd meegesleurd;

2.

hij op 30 juli 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door hem bestuurde personenauto - terwijl [slachtoffer 2] met haar bovenlichaam door het geopende raam aan de bestuurderskant in die personenauto hing - achteruit is gereden, waarbij [slachtoffer 2] werd meegesleurd en vervolgens ten val is gekomen waarna hij, verdachte, met die door hem bestuurde personenauto over haar heen is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3.1.

De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, na herstel door het hof van een daarin geslopen telfout, € 975,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Strikt genomen heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof acht het evenwel redelijk en billijk om het eerdergenoemde, door de zusjes Gopal opgestelde, ongedateerde mailbericht als zodanig aan te merken. In bedoeld bericht geven zij

- onder meer - aan niet aanwezig te kunnen zijn ter terechtzitting van het hof van 15 februari 2013, doch gaarne spoedig te vernemen omtrent de beslissing van het hof over het door [slachtoffer 1] ingediende verzoek tot schadevergoeding."

3.3.2.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een e-mail bericht, verzonden op 5 oktober 2012, ondertekend door "[slachtoffers]", gericht aan "Slachtofferloket LRO/FP/LP", "t.a.v. advocaat-generaal E. Schrumpf", dat onder meer inhoudt:

"We willen graag ook weten waar wij recht op hebben door onze schadevergoedingen/smartengeld snel te ontvangen zodat we dit kunnen sluiten."

3.3.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2013 heeft de Advocaat-Generaal aldaar het volgende aangevoerd:

"Anders dan de rechtbank vind ik de vordering van de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Het door [slachtoffers] verzonden mailbericht is mijns inziens aan te merken als een handhaving van de vordering in hoger beroep. Ik vorder toewijzing daarvan, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel."

3.4.1.

Art. 421, derde lid, Sv luidt:

"Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Titel IIIa van het Eerste Boek is, met uitzondering van artikel 51f, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51g vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven."

3.4.2.

Art. 51g, eerste lid, Sv luidt:

"Bij de mededeling op grond van artikel 51a, derde lid, dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld formulier."

3.5.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in art. 421, derde lid, Sv genoemde verwijzing naar de opgave van de eerste - ongewijzigde - vordering slechts kan geschieden door middel van het in art. 51g, eerste lid, Sv genoemde formulier, faalt het. Die opvatting vindt geen steun in het recht.

3.6.

Voor zover het middel opkomt tegen het kennelijk oordeel van het Hof dat de e-mail van de aangeefsters naar redelijke uitleg kan worden aangemerkt als een in art. 421, derde lid, Sv bedoelde verwijzing naar de eerste vordering, faalt het eveneens. Deze, aan het Hof voorbehouden, uitleg van dit schriftelijk stuk is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de betekenis van de e-mail ter terechtzitting aan de orde is gesteld en de verdediging te dien aanzien geen redenen heeft aangevoerd waarom het e-mail bericht in dit geval niet zou dienen te worden aangemerkt als een schriftelijk stuk ter voeging van de vordering in hoger beroep.

3.7.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.