Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:859

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
13/00111
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2695, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Verduistering. Art. 321 Sr. Falende bewijsklacht m.b.t. “wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”. HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BX3620. 2. Valsheid in geschrift. Art. 225 Sr. Falende bewijsklacht m.b.t. het “bestemd [zijn] om tot het bewijs van enig feit te dienen”.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/180 met annotatie van mr. drs. C.J.A. de Bruijn
SR-Updates.nl 2014-0172
RvdW 2014/643
NJ 2014/473

Uitspraak

8 april 2014

Strafkamer

nr. 13/00111

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2012, nummer 22/002266-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het Hof dan wel tot verwijzing naar een ander hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaringen.

2.2.1.

Overeenkomstig hetgeen is tenlastegelegd, heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 18 december 2003 tot en met 11 februari 2004 in Den Haag en/of Rijswijk en/of Poeldijk en/of elders in Nederland opzettelijk bedragen aan geld, toebehorende aan [betrokkene 1], welk(e) bedragen hij onder zich had anders dan door misdrijf, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. hij in de periode van 1 februari 2004 tot en met 12 oktober 2004 te Den Haag en/of te Rijswijk en/of te Poeldijk en/of elders in Nederland, meermalen, een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

a) een leningsovereenkomst d.d. 26 februari 2004 tussen [A] BV en [betrokkene 2] (p.55) en

b) een concept schrijven/verklaring d.d. 12 oktober 2004 van [betrokkene 3] (p.214)

valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft laten opmaken immers heeft hij, verdachte, en/of (een) ander (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

a) in die leningsovereenkomst opgenomen of laten opnemen dat er een leningsovereenkomst bestond tussen [A] B.V. en [betrokkene 2] en dat de looptijd 10 jaar bedroeg en

b) in dat/die concept schrijven/verklaring opgenomen en of laten opnemen dat hij, verdachte, geen enkele zeggenschap had over de rekening(en) van de firma [B] en/of [C] BV en/of dat 2x EUR 45.000 die van [betrokkene 1] op de rekening van [C] zijn binnen gekomen, zijn geïnvesteerd in het bedrijf dit (telkens) met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken."

2.2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.

2.2.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring onder 1 voorts het volgende overwogen:

"Het hof gaat van het volgende uit:

De verdachte heeft aan [betrokkene 1] aangeboden dat hij voor haar geld, dat zij uit de verkoop van onroerend goed zou verwerven, zou beleggen/investeren, waartoe zij dit geld aan hem ter beschikking diende te stellen.

[betrokkene 1] heeft hiermee ingestemd. De verdachte heeft haar als betaaladres een bankrekening ten name van [A] B.V. i.o. opgegeven, waarnaar zij de gelden diende over te maken met vermelding van 'Belegging/investering/portfolio'. [betrokkene 1] heeft vervolgens, op 19 december 2003, een bedrag van in totaal € 90.000,- naar deze rekening overgemaakt. Op de bij deze rekening behorende bankpas was [betrokkene 4] de gemachtigde. Na genoemde overboeking van EUR 90.000,- heeft de verdachte de bankpas onder zich gekregen en is hij samen met [betrokkene 4] een aantal malen naar het postkantoor gegaan, alwaar [betrokkene 4] toen telkens € 12.000,- in contanten van die rekening heeft opgenomen en dit geld telkens samen met de bankpas aan de verdachte heeft overhandigd. [betrokkene 1] heeft van het door haar ter beschikking gestelde geld nooit iets terugontvangen.

Het hof acht de lezing van de verdachte - die hij ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 maart 2012 heeft gegeven - dat [betrokkene 1] het door haar overgemaakte geld aan [A] B.V. i.o. ter leen had verstrekt en dat de contant opgenomen bedragen ook zijn geïnvesteerd in [A] B.V. i.o. doordat deze bedragen zijn besteed aan uitgaven van [A] B.V. i.o., ongeloofwaardig. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat deze verklaringen niet alleen in strijd zijn met de verklaringen van [betrokkene 1], maar evenmin te rijmen zijn met de verklaring van [betrokkene 4], onder meer inhoudende dat hij van de verdachte had vernomen dat het door [betrokkene 1] overgemaakte geld van de verdachte was en de verklaring van [betrokkene 3], onder meer inhoudende dat hij geen idee heeft wat er met het geld van [betrokkene 1] is gebeurd en dat zij volgens hem nooit een lening aan [A] B.V. i.o. heeft verstrekt. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte zijn verklaring omtrent de besteding van de contanten op geen enkele wijze heeft onderbouwd met bescheiden of verifieerbare gegevens.

Gelet op bovenstaande gang van zaken is het hof van oordeel dat de verdachte de door [betrokkene 1] beschikbaar gestelde gelden, in elk geval voor zover deze door [betrokkene 4] contant aan de verdachte zijn overhandigd, voor andere doeleinden heeft gebruikt dan waarvoor dit geld bestemd was, en dat de verdachte zich deze bedragen aldus wederrechtelijk heeft toegeëigend."

2.3.1.

Het middel behelst ten aanzien van de bewezenverklaring onder 1 de klacht dat die bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de geldbedragen "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" onvoldoende met redenen is omkleed.

2.3.2.

De in de bewezenverklaring onder 1 voorkomende uitdrukking "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" moet geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in art. 321 Sr - in de vervoeging "wederrechtelijk zich toe-eigent" - voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van een zodanig beschikken kan afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. (Vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX3620.)

2.3.3.

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat:

- de verdachte aan [betrokkene 1] heeft voorgesteld het geld dat zij na haar echtscheiding uit de verkoop van onroerend goed zal ontvangen voor haar te beleggen/te investeren in zijn bedrijf [A] BV i.o.;

- de verdachte [betrokkene 1] het geld heeft laten overmaken op een bankrekening op naam van die BV i.o. onder de vermelding "belegging/investering/portfolio";

- [betrokkene 1] in totaal € 90.000,– heeft overgemaakt op die bankrekening;

- de verdachte aan [betrokkene 4], die begunstigde was van de bankrekening, heeft medegedeeld dat het geld dat [betrokkene 1] op de bankrekening heeft overgemaakt van de verdachte is;

- de verdachte met die [betrokkene 4] een aantal malen naar de bank is gegaan alwaar [betrokkene 4] telkens € 12.000,- van die rekening heeft opgenomen en dat geld aan de verdachte heeft overhandigd;

- de verdachte dat geld niet in [A] B.V. i.o. heeft geïnvesteerd;

- [betrokkene 1] van het door haar ter beschikking gestelde geld nooit iets heeft terugontvangen.

Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat de verdachte de opgenomen geldbedragen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De klacht is ongegrond.

2.4.1.

Het middel behelst ten aanzien van de bewezenverklaring onder 2 onder meer de klacht dat voor zover is bewezenverklaard dat de verklaring en de leningsovereenkomst "bestemd [zijn] om tot het bewijs van enig feit te dienen", dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om "onderhandse geschriften, waarvan - in het ontwikkelingsstadium waarin zij werden aangetroffen - niet vaststaat welke bewijswaarde daaraan toekwam en daaraan volgens betrokkenen moest worden toegekend".

2.4.2.

Het Hof heeft blijkens de bewezenverklaring en de bewijsvoering geoordeeld dat de 'leningsovereenkomst' bestemd was om te dienen tot het bewijs dat tussen [betrokkene 1] en [A] BV i.o. het in die overeenkomst vermelde is afgesproken en voorts, dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] bestemd was om te dienen tot bewijs dat de verdachte niet kan beschikken en beslissen over de bankrekening waarop de geldbedragen zijn ontvangen en tot het bewijs dat die geldbedragen overeenkomstig de afgesproken doeleinden zijn aangewend. Het Hof heeft uit de bewijsvoering klaarblijkelijk afgeleid dat de omstandigheid dat de schriftelijke verklaring het opschrift "concept" bevat en dat de 'leningsovereenkomst' (nog) niet was ondertekend door [betrokkene 1], niet eraan afdoet dat aan de inhoud van deze stukken, mede in aanmerking genomen dat zij wel door [betrokkene 3], de directeur van [A] BV i.o., zijn ondertekend, in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis kan worden toegekend, dat zij daardoor kunnen worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sr. Dat oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat delictsbestanddeel en het behoeft ook geen nadere motivering. Deze klacht is eveneens tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.