Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:858

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
12/02123
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:259, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer. Verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zal niet noodzakelijk kunnen worden geacht, indien verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen, steunt enkel op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte “zich niet heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over de op de grond op zijn zij liggende aangever heen”. Nu het Hof niet de vraag heeft beantwoord of van verdachte ook mocht worden gevergd dat hij “zich uit die positie zou hebben verwijderd”, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0170
RvdW 2014/645
NJ 2014/228

Uitspraak

8 april 2014

Strafkamer

nr. 12/02123

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 2012, nummer 22/002631-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.C. Peterse, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweer ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 20 februari 2011 te Naaldwijk, gemeente Westland, opzettelijk een persoon [slachtoffer], meermalen tegen hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

2.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL1563 2011037691-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in − zakelijk weergegeven − (blz. 34 t/m 36):

als de op 20 februari 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 20 februari 2011 omstreeks 01.15 uur bevond ik mij in 't Teejater te Naaldwijk binnen de gemeente Westland. Ik voelde daar toen dat ik door een aantal personen werd geslagen.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 februari 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL1563 2011037691-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in − zakelijk weergegeven − (blz. 61 t/m 64):

als de op 21 februari 2011 afgelegde verklaring van [verdachte]:

Op zaterdag 19 februari 2011 ging ik naar 't Teejater. Rond 00:00 uur waren we daar binnen. Een jongen pakte mij daar toen bij mijn t-shirt beet, waarop ik hem een harde duw gaf en de jongen viel. De jongen trok mij mee omdat hij mijn t-shirt nog vast had. De jongen lag toen op zijn zij en ik hing over hem heen, de jongen sloeg op mijn kin. Ik heb de jongen twee keer met mijn vuist naar beneden in zijn gezicht geslagen.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 februari 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL1563 2011037691-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in − zakelijk weergegeven − (blz. 56 t/m 58):

als de op 20 februari 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Op 20 februari 2011 zag ik dat [verdachte] in 't Teejater te Naaldwijk op zijn knieën zat en dat hij met zijn rechtervuist met behoorlijke kracht naar beneden sloeg op een jongen die onder of naast [verdachte] op de grond lag.

4. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 23 februari 2011, opgemaakt en ondertekend door de arts Kalsbeek/Visser. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in − zakelijk weergegeven − (blz. 74):

als relaas van deze arts:

Op 20 februari 2011 uitwendig waargenomen letsel:

forse verwondingen linkerkant gezicht en zwelling linker jukbeen."

2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt − met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten − in:

"Noodweer

6. Dan blijft de subsidiair ten laste gelegde eenvoudige mishandeling, zonder de medeplegersvariant over. De Politierechter heeft cliënt hiervoor veroordeeld. Zoals gezegd is cliënt het hier niet mee eens. Hij is van oordeel dat sprake was van een noodweersituatie en dat hij naar de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit heeft gehandeld, zodat hij niet strafbaar zou moeten zijn. Het was de aangever die cliënt telkens bleef lastig vallen, nadat cliënt hem per ongeluk had geraakt tijdens het dansen. Eerst probeert cliënt hem met woorden van zich af te krijgen ("niet zeuren", "loop gewoon door") en draait van hem weg. De aangever loopt echter niet door, maar pakt cliënt bij zijn T-shirt. Cliënt legt hem dan op de grond en zegt hem met rust te laten en voegt daar nog aan toe "je hebt geluk dat ik je niet sla". Cliënt draait zich dan opnieuw van de jongen af. Deze laat hem echter wederom niet met rust en pakt hem weer bij zijn shirt, waarop cliënt hem van zich afduwt. Omdat de jongen hem blijft vasthouden komen ze beiden op de grond terecht. De aangever begint dan cliënt te slaan. Daarop slaat cliënt hem twee keer terug.

7. (...)

8. De verdediging is van oordeel dat er wel vastgesteld moet worden dat er sprake was van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding tegen lijf, eerbaarheid of goed. De aangever viel immers cliënt aan, zij vielen door zijn toedoen uiteindelijk beiden op de grond en de aangever begon cliënt te slaan. De toegepaste verdediging, tweemaal een vuistslag die − gelet op het feit dat er geen letsel uit voortgekomen is − ook niet overdreven hard zijn geweest, voldoet aan de proportionaliteitseis. De vraag die overblijft, is of er sprake was van een noodzakelijke verdediging (subsidiariteiteis). Gesteld zou kunnen worden dat, nu cliënt boven op de aangever terechtgekomen was, hij niet had hoeven te slaan uit verdedigingsoogpunt, maar er voor had kunnen en ook moeten kiezen om op te staan en weg te lopen (zoals hij dat ook de eerste keer deed). Volgens de HR kan de vraag of het zich niet onttrekken aan een aanranding een beroep op noodweer in de weg staat, niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Het komt aan op de omstandigheden van het geval. De rechter dient zich eerst af te vragen of van degene die zich op noodweer beroept gevergd kon worden dat hij zich aan de aanranding zou onttrekken en pas daarna, wanneer die vraag bevestigend wordt beantwoord, of vluchten voor de verdachte ook mogelijk was.

9. In dit geval is de Politierechter voorbijgegaan aan de feitelijke situatie dat cliënt meermalen geprovoceerd werd en al eerder, op slechts verbale wijze, had aangegeven dat hij met rust gelaten wilde worden maar toen opnieuw aan zijn T-shirt werd getrokken door de aangever, dat de aangever hem vervolgens juist mee naar beneden had getrokken door hem aan zijn shirt vast te houden en dat de aangever vervolgens begon met hem te slaan (terwijl cliënt juist eerder tegen hem had gezegd dat hij hem niet zou slaan). De verdediging is van oordeel dat in deze situatie niet van cliënt gevergd kon worden dat hij zich op andere wijze zou onttrekken. Voor zover gesteld zou worden dat cliënt de klappen van de aangever zou kunnen verwachten, omdat hij bovenop de aangever lag en de aangever zich moest verdedigen, geldt in de eerste plaats dat dit te wijten is geweest aan de handelingen van aangever zelf. Cliënt viel gewoon met hem mee omdat hij zijn shirt nog vast had. Voorts geldt nog dat, indien al zou worden aangenomen dat cliënt zichzelf willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten is − quod non − , dit op zichzelf niet uitsluit dat het handelen van de verdachte tijdens die confrontatie (toch) als "geboden door de noodzakelijke verdediging" kan worden aangemerkt. Cliënt verkeerde echter buiten zijn eigen toedoen in een noodweersituatie en moest zichzelf wel verdedigen door terug te slaan, om de kans te krijgen om op te staan en weg te lopen. Dit heeft hij vervolgens ook gedaan. Het verdedigingsmiddel, twee niet al te harde vuistslagen in het gezicht, is gelet op de aanranding door de aangever (meermalen vastpakken t-shirt en kaakslagen) proportioneel, zodat cliënt niet strafbaar is en een ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen."

2.5.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw − overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota − het verweer gevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte derhalve niet strafbaar is en er ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bewezen verklaard is dat verdachte aangever heeft geslagen.

Volgens de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring (zie p. 63 van het proces-verbaal) heeft de verdachte de aangever niet eerder geslagen dan op het moment dat de aangever op zijn zij lag en de verdachte over hem heen hing en de aangever de verdachte meerdere malen naar boven slaand, één keer raakte en wel op verdachtes kin. Verdachte heeft verklaard aangever vervolgens twee maal met zijn vuist naar beneden in zijn gezicht te hebben geslagen.

Het hof heeft allereerst te beoordelen of aan de door de verdachte uitgedeelde (vuist-)slagen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte voorafging.

Ofschoon de verdachte het voorafgaande gedrag van aangever als hinderlijk heeft ervaren en aangever niet een heenkomen heeft gezocht nadat hij door de verdachte op de grond was gelegd en hem aldaar de les was gelezen en de aangever integendeel de verdachte vervolgens bij zijn t-shirt greep en, terwijl hij door de verdachte werd weggeduwd, verdachte aan het t-shirt dat aangever nog steeds vasthad in zijn val meetrok, is het hof van oordeel dat met de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte geen sprake was van verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte niet heeft gesteld − en dat ook overigens niet aannemelijk is geworden − dat verdachte, nadat hij met aangever ten tweeden male op de grond was terechtgekomen, nog steeds aan zijn t-shirt werd vastgehouden, zodat niet aannemelijk is dat verdachte zich niet heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over de op de grond op zijn zij liggende aangever heen die hem meermalen sloeg maar slechts een maal raakte.

Gelet daarop wordt het verweer verworpen."

2.6.

Verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zal niet noodzakelijk kunnen worden geacht, indien de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen steunt, zoals volgt uit de in 2.5 weergegeven overwegingen van het Hof, enkel op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte "zich niet heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over de op de grond op zijn zij liggende aangever heen". Nu het Hof niet de vraag heeft beantwoord of van de verdachte ook mocht worden gevergd dat hij "zich uit die positie zou hebben verwijderd", is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

2.7.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.