Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:856

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
13/02212
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:258
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte n-o in h.b. Ex art. 449.1 Sv wordt h.b ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof verdachte terecht n-o heeft verklaard in zijn h.b. op de grond dat dit beroep eerst na het verstrijken van de appeltermijn ter griffie van de juiste instantie is ingesteld. De enkele omstandigheid dat – naar is gesteld – de raadsman binnen die termijn een schriftelijke volmacht heeft verzonden naar de griffie van een ander gerecht, leidt dus niet tot een ander oordeel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 449
Wetboek van Strafvordering 450
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/181
SR-Updates.nl 2014-0163
NJB 2014/936
NJ 2014/231
RvdW 2014/648

Uitspraak

8 april 2014

Strafkamer

nr. 13/02212

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 april 2013, nummer 22/004382-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep.

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, nu hij niet binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep heeft ingesteld.

Desgevraagd naar zijn standpunt verklaart de raadsman dat hij reeds op 10 september 2012 appel had ingesteld doch bij de verkeerde instantie, namelijk bij de strafgriffie van het gerechtshof. Op basis van de doorzendplicht is vervolgens onmiddellijk bij de strafgriffie van de rechtbank appel ingesteld.

De raadsman legt onder meer zijn brief en faxbericht d.d. 10 september 2012 aan het gerechtshof over aan de voorzitter.

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter geeft de advocaat-generaal aan dat voornoemde overgelegde brief in haar procesdossier ontbreekt en dat het de raadsman had gesierd de stukken voor de terechtzitting van heden op te sturen. De advocaat-generaal stelt zich bij gelegenheid van repliek op het standpunt dat de appelakte leidend is en dat van een professionele procespartij mag worden verwacht dat hij weet bij welke instantie appel behoort te worden ingesteld.

Bij gelegenheid van dupliek verklaart de raadsman dat hij inderdaad een schaamtevolle vergissing heeft begaan door bij de verkeerde instantie appel in te stellen, doch dat in zijn visie de datum van het instellen van appel leidend moet worden geacht."

2.2.2.

De van voormeld proces-verbaal deel uitmakende aantekening mondeling arrest houdt als motivering van de in het middel genoemde beslissing het volgende in:

"De verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg in persoon verschenen.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 27 augustus 2012 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. Namens de verdachte is echter eerst op 13 september 2012 bij de juiste instantie hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

2.3.

Ingevolge art. 449, eerste lid, Sv wordt hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis.

2.4.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat dit beroep eerst na het verstrijken van de appeltermijn ter griffie van de juiste instantie is ingesteld. De enkele omstandigheid dat – naar is gesteld – de raadsman binnen die termijn een schriftelijke volmacht heeft verzonden naar de griffie van een ander gerecht, leidt dus niet tot een ander oordeel.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.