Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:850

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
12/03936
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:253
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:BW0633, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Strafoplegging. Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van verdachte v.zv. deze ttz. is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van verdachte toereikend is om de opgelegde – voor de helft voorwaardelijke – geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens verdachte omtrent o.m. het bedrag van zijn uitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0165
RvdW 2014/609

Uitspraak

8 april 2014

Strafkamer

nr. 12/03936 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 3 april 2012, nummer 20/000986-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, zodat deze in zoverre op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging, gelet op een gevoerd strafmaatverweer, onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte verklaart als volgt.

Het gaat thans slecht met mijn bedrijf. Ik ben door bepaalde omstandigheden in 2007 in de ziektewet gekomen. Daardoor is het moeilijk om te werken op het bedrijf.

Ik heb een negatief inkomen van EUR 31.000,--.

Ik word momenteel, met wat ik nog doe op het bedrijf, voor 90 % geholpen door vrienden. Ik heb nog zo'n 20 koeien op stal staan.

De raadsvrouwe deelt het volgende mee.

Ik zal een aangifte inkomstenbelasting 2010 van mijn cliënt aan het hof overleggen.

De omzet van de onderneming van cliënt bedroeg in 2010 zo'n EUR 1.500.000,--.

Het bruto omzetresultaat bedroeg EUR 91.000,--.

De balans geeft een negatief vermogen weer van EUR 224.298,--.

De verdachte merkt het volgende op.

Ik weet niet waar het naar toe moet met mijn bedrijf. Ik heb nog geen schulden hoeven maken. Ik leef van het salaris dat mijn vriendin verdient. We wonen samen."

3.2.2.

Blijkens voormeld proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

"Meer subsidiair verzoek ik u schuldig te verklaren zonder straf op te leggen en nog meer subs. een geheel voorwaardelijke boete van beperkte omvang in relatie tot het verwijt dat valt te maken en de financiële situatie van [verdachte]. Uit de IB aangifte 2010 en de brieven van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar volgt dat de draagkracht uitermate beperkt is."

3.2.3.

Onder de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een kopie van een aangifte inkomstenbelasting 2010 ten name van de verdachte waarin vermeld zijn een belastbare winst uit onderneming van € 30.451,- (negatief) en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 31.127,-, en twee kopieën van brieven van verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden te Den Haag van 29 oktober 2008 respectievelijk 10 februari 2012 gericht aan de verdachte en inhoudende dat de verdachte voor 80-100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

3.3.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van € 8.000,-, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan € 4.000,-, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft gedurende een bepaalde periode telkens runderen gehouden, die niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en geregistreerd.

Om de gezondheid en het welzijn van dieren in zijn algemeenheid te kunnen waarborgen is een adequaat functionerend systeem van identificatie en registratie noodzakelijk.

Het hof verwijt de verdachte dat hij een regeling heeft geschonden die tot stand is gekomen mede in het kader van de bestrijding van besmettelijke ziekten onder dieren.

Verdachte is blijkens zijn strafblad in het verleden reeds eerder veroordeeld terzake een soortgelijk economisch delict.

Een en ander tegen elkaar afwegende acht het hof, in het bijzonder ter bescherming van de handhaving van de bij de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren betrokken belangen, met de advocaat-generaal, het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete als hierna vermeld passend en geboden.

Met oplegging voorts van een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte voor zover deze ter terechtzitting is gebleken.

Gelet op het vorenstaande acht het hof, anders dan door de raadsvrouwe bepleit, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf."

3.4.

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van de verdachte toereikend is om de opgelegde - voor de helft voorwaardelijke - geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens de verdachte omtrent onder meer het bedrag van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De strafoplegging is in dit opzicht dus toereikend gemotiveerd.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 7.800,-, subsidiair 74 dagen hechtenis bedraagt, waarvan € 4.000,-, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.