Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:772

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
12/05920
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4658, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:230, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5.1 Sr. Originaire rechtsmacht. De in de tenlastelegging onder 1 omschreven feiten worden door de Nederlandse strafwet als misdrijf beschouwd en bij de stukken van het geding bevinden zich de met de artt. 289, 288 en 287 Sr corresponderende strafbepalingen van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop en op de vaststelling van het Hof dat verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft, getuigt het oordeel van het Hof dat t.a.v. verdachte sprake is van originaire rechtsmacht niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 5
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 552y
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/129
SR-Updates.nl 2014-0158
NJ 2014/206
RvdW 2014/593

Uitspraak

1 april 2014

Strafkamer

nr. S 12/05920

CB/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 november 2012, nummer 22/004503-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.G.J. Knoops en mr. S.C. Post, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt naar de kern genomen dat het Hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ten onrechte originaire rechtsmacht heeft aangenomen.

2.2.

Bij inleidende dagvaarding, zoals gewijzigd in hoger beroep, is aan de verdachte – zakelijk weergegeven – onder 1 het doden van [slachtoffer], gepleegd op of omstreeks 5 maart 1993 te Paramaribo (Suriname) op de volgende wijze tenlastegelegd:

- primair: moord;

- subsidiair: gekwalificeerde doodslag;

- meer subsidiair: doodslag.

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moord onderscheidenlijk gekwalificeerde doodslag en ten laste van hem de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde doodslag bewezenverklaard.

2.3.

Het Hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van de verdachte gevoerd verweer onder het opschrift "Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" als volgt samengevat en verworpen:

"Naar het hof begrijpt heeft de verdediging blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 overgelegde pleitnotities het volgende verweer- zakelijk weergegeven - gevoerd:

Er is op basis van de beschikbaar zijnde stukken in deze zaak van de Nederlandse en Surinaamse autoriteiten sprake geweest van een overname van de strafvervolging door Nederland (afgeleide rechtsmacht), als bedoeld in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht.

In een dergelijk geval is artikel 552y van het Wetboek van Strafvordering van toepassing dat bepaalt dat een verzoek van een buitenlandse autoriteit tot het instellen van een strafvervolging aanstonds wordt afgewezen indien het recht tot strafvordering voor het feit waarvan overname wordt gevraagd naar Nederlands recht of naar het recht van de verzoekende staat is verjaard.

Op grond van artikel 96 van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in 12 jaar voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 3 jaar is gesteld, waaronder doodslag. Nu tussen het moment van veroordeling van de verdachte in Paramaribo, te weten 24 maart 1994, en het moment waarop de Surinaamse autoriteiten het verzoek hebben gedaan aan Nederland om de strafvervolging over te nemen, te weten 12 december 2007, meer dan 12 jaar zijn verstreken, zou het recht tot strafvordering ten aanzien van de doodslag ten tijde van de overname naar Surinaams recht zijn verjaard. Strafvervolging op grond van artikel 552y lid 1 onder c van het Wetboek van Strafvordering zou dan niet meer mogelijk zijn geweest en Nederland zou op die grond dus ook geen van het Surinaamse recht afgeleide rechtsmacht hebben, zoals bedoeld in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht. Dit zou ertoe moeten leiden - aldus de raadsman - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van de thans meer subsidiair ten laste gelegde doodslag. Indien het hof van oordeel is dat in plaats van afgeleide rechtsmacht sprake is van originaire rechtsmacht, is de raadsman van mening dat dit een inbreuk oplevert op de beginselen van de behoorlijke strafrechtspleging, als gevolg waarvan het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nu de verdachte een Nederlander is die ervan wordt verdacht dat hij zich in het buitenland heeft schuldig gemaakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het feit is begaan straf is gesteld, heeft Nederland op grond van artikel 5, lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (originaire) rechtsmacht. Dat de Nederlandse autoriteiten aanvankelijk het plan hadden om de strafvervolging van Suriname over te nemen en daartoe de procedure als bedoeld in artikel 552x e.v. van het Wetboek van Strafvordering hebben gevolgd, vormt hiervoor geen beletsel. Nederland had en heeft zelfstandig rechtsmacht en kon derhalve zelfstandig tot strafvervolging van de verdachte overgaan.

De overeenkomst tussen Suriname en Nederland betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken noch het daarop betrekking hebbende protocol voorziet in een bepaling die het mogelijk maakt dat een op het tijdstip van ontvangst van het verzoek tot overname van strafvervolging ingetreden vervolgingsverjaring aan de kant van de verzoekende staat als exceptie kan worden ingeroepen wanneer de ontvangende staat zelf originaire rechtsmacht heeft. Gelet op het voorgaande is niet relevant of sprake is van verjaring van de ten laste gelegde doodslag naar Surinaams recht. Naar Nederlands recht is dit onderdeel van de tenlastelegging in ieder geval niet verjaard. Voorts valt niet in te zien dat het aannemen van originaire rechtsmacht in de onderhavige zaak strijd zou opleveren met de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, zoals de raadsman heeft aangevoerd. De omstandigheid dat een deel van het dossier bij een brand in 2001 in Suriname verloren is gegaan is betreurenswaardig, doch kan niet aan het openbaar ministerie worden verweten. Overigens is niet aannemelijk geworden dat hierbij belangrijk belastend en/of ontlastend materiaal is verbrand. Voorts hebben de verdachte en de verdediging in eerste aanleg alle gelegenheid gekregen om hun argumenten en verweren naar voren te brengen. Het hof is dan ook van oordeel dat het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dient te worden verworpen."

2.4.

Art. 5, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr luidt:

"De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt:

(...)

2° aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld."

2.5.1.

In de tenlastelegging onder 1 zijn feiten omschreven die door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd. Bij de stukken van het geding bevinden zich de met de art. 289, 288 en 287 Sr corresponderende strafbepalingen van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht.

2.5.2.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de vaststelling van het Hof dat de verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft, getuigt het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van op art. 5, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr gebaseerde originaire rechtsmacht, niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2014.