Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:736

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
12/05436
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1102, Gevolgd
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHARL:2015:2127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn (ORT). Art. 6 EVRM. Art. 13 EVRM. Stelplicht ter zake van immateriële schade bij schadevordering wegens ORT. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360. Dient vordering wegens ORT in civiele procedure te worden ingesteld in een afzonderlijke procedure tegen de Staat? EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 (Mifsud/Frankrijk); EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (Depauw/België). Griffierecht. Art. 4, lid 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken. Hoogte van vergoeding immateriële schadevergoeding. Richttermijnen voor redelijke duur?

Onteigening; schadeloosstelling wegens vervallen erfdienstbaarheid (art. 44 en 59 lid 3 Ow). Maatstaf van art. 5:79 BW: verzet redelijk belang van rechthebbende zich tegen opheffing? Moeten daarbij andere belangen dan die van de gerechtigde worden betrokken?

Wetsverwijzingen
Overleveringswet
Overleveringswet 44
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 78
Burgerlijk Wetboek Boek 5 79
Burgerlijk Wetboek Boek 5 81
Wet griffierechten burgerlijke zaken
Wet griffierechten burgerlijke zaken 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/102
JOM 2014/511
Ars Aequi AA20140636 met annotatie van S.D. Lindenbergh
JBPR 2014/48 met annotatie van mr. dr. M.O.J. de Folter
TvPP 2014, afl. 3, p. 93
JWB 2014/152
RvdW 2014/523
RAV 2014/59
NJB 2014/731
AB 2014/190
O&A 2014/37
VR 2014/101
O&A 2014/53
NJ 2014/525

Uitspraak

28 maart 2014

Eerste Kamer

nr. 12/05436

LZ/NH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

3. de erven van wijlen [betrokkene 1],
in leven wonende te [woonplaats],

4. [eiseres 4],
wonende te [woonplaats],

5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats],

6. [eiser 6],
wonende te [woonplaats],

7. [eiseres 7],
wonende te [woonplaats],

8. [eiser 8],
wonende te [woonplaats],

9. [eiseres 9],
wonende te [woonplaats],

10. [eiser 10],
wonende te [woonplaats],

11. [eiseres 11],

wonende te [woonplaats]

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.F. de Groot,

t e g e n

DE GEMEENTE DE BILT,
zetelende te Bilthoven,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Gemeente.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 266038/ HA ZA 09-935 van de rechtbank Utrecht van 22 juli 2009 en 19 september 2012;

Het vonnis van de rechtbank van 19 september 2012 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 19 september 2012 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] c.s toegelicht door hun advocaat, alsmede door mr. D.J. de Jongh, advocaat bij de Hoge Raad en voor de Gemeente door hun advocaten.

De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van [eiser] c.s. respectievelijk de Gemeente hebben bij brieven van 31 oktober 2013 respectievelijk 1 november 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De raad van de Gemeente heeft op 31 mei 2007 besloten tot onteigening van het perceel kadastraal bekend gemeente Maartensdijk, sectie [A] nr. [001], groot 01.77.20 ha en het perceel kadastraal bekend gemeente De Bilt, sectie [B], nr. [002], groot 05.92.90 ha. Het besluit van de raad is goedgekeurd bij (Koninklijk) Besluit van 24 december 2007, no. 07.004215, Stcrt. 18 januari 2008, nr. 13.

(ii) De onteigening geschiedde ter uitvoering van het bestemmingsplan “Bedrijvenpark Larenstein, herziening ex artikel 30 WRO”, dat voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein en openbaar groen. Bij de onteigening was beoogd dat de op het onteigende rustende erfdienstbaarheid die hierna in (iii) wordt vermeld, zou eindigen.

(iii) [eiser] c.s. waren rechthebbenden tot een erfdienstbaarheid die eruit bestond dat op de lijdende erven “geen gebouwen, opstallen, getimmerten en dergelijke ruimte- en beschutting gevende zaken mogen worden opgericht of gehouden, met uitzondering van de opstallen welke dienen als magazijncomplex voor militaire doeleinden in ’s lands belang en als huisvesting van toezichthoudend personeel.” Deze erfdienstbaarheid is gevestigd in 1953. De heersende erven bestonden toen uit gedeelten van een landgoed die resteerden na verkoop van de thans onteigende percelen aan de Staat (Ministerie van Defensie). De heersende erven zijn later verkocht aan de Gemeente. In de jaren ’60 en ’70 is ter plaatse een woonwijk gebouwd, waarbij de heersende erven na verschillende splitsingen zijn opgedeeld in circa 800 kleine percelen, waaronder de percelen van [eiser] c.s.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 juli 2009 vervroegd de onteigening van de hiervoor in 3.1 onder (i) vermelde percelen uitgesproken ten name en ten behoeve van de Gemeente. Het vonnis van vervroegde onteigening is op 12 oktober 2009 ingeschreven in de openbare registers. Door de onteigening is de erfdienstbaarheid op de voet van art. 59 lid 3 Ow vervallen.

In haar vonnis heeft de rechtbank onder meer [eiser] c.s. toegelaten als tussenkomende partijen, heeft zij het voorschot op de aan de tussenkomende partijen verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op nihil en heeft zij drie deskundigen benoemd teneinde de schadeloosstelling te begroten. De deskundigen hebben de schadeloosstelling begroot op € 6.250,-- per heersend perceel.

3.3.1

De rechtbank heeft bij het in cassatie bestreden vonnis de aan de tussenkomende partijen verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op nihil. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen.

Bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens het vervallen van een erfdienstbaarheid moet ingevolge art. 44 Ow rekening worden gehouden met hetgeen te verwachten is omtrent de wijziging of opheffing krachtens art. 5:79 BW. Daartoe dient te worden onderzocht of de tussenkomende partijen nog een redelijk belang hadden bij de erfdienstbaarheid. Bij de beantwoording van die vraag zal het enerzijds gaan om het belang van de tussenkomende partijen als eigenaren van de heersende erven en anderzijds het belang van de Gemeente als eigenaar van de dienende erven. (rov. 2.12 en 2.13)

De erfdienstbaarheid is oorspronkelijk gevestigd ten behoeve van de toenmalige verkoper, die kennelijk aantasting van het karakter van zijn omliggende eigendommen (landgoederen) vreesde. Op de heersende erven is in de jaren ’60 een woonwijk ingericht, waartoe zij na verschillende splitsingen en hernummeringen verworden zijn tot circa 800 kleine percelen. Bij die uitgifte is nagelaten de erfdienstbaarheid door te halen. In zoverre is realisering van de oorspronkelijke bedoeling vrijwel onmogelijk gemaakt. Door de opsplitsing in circa 800 kleine bebouwde kavels, hebben de diverse eigenaren immers nagenoeg alle zicht op of te maken met de bebouwing van buren, overburen en/of daarbij behorende tuinen of garages. Voor de tussenkomende partijen ligt dit vanwege de ligging van hun percelen aan de rand van de woonwijk iets genuanceerder. Hun tuinen grenzen aan de strook grond die in de vigerende bestemming een groene bufferzone vormt tussen de heersende en de dienende erven. Zij hebben tijdens de wintermaanden enig zicht op het bedrijventerrein, waarmee zij in enige beperkte mate belang hebben bij de erfdienstbaarheid. (rov. 2.14)

Bij vaststelling van de belangen van de tussenkomende partijen weegt de rechtbank mee dat het bestaan van de erfdienstbaarheid eerst in 2004 is opgedoken. De waarde van de erfdienstbaarheid heeft zich tot de aanloop van deze procedure niet vertaald in het prijsniveau van de woningen. (rov. 2.15)

Daar staat tegenover het algemene belang van de Gemeente om ter plaatse een bedrijventerrein te kunnen realiseren, welk belang evident is (rov. 2.16).

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de civiele rechter bij afweging van de belangen op grond van art. 5:79 BW de erfdienstbaarheid zal opheffen omdat de tussenkomende partijen geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid en het ook niet aannemelijk is dat het redelijk belang zal terugkeren. (rov. 2.17)

Het ligt niet in de rede dat de civiele rechter aan de opheffing een schadeloosstelling zou koppelen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat de percelen van de tussenkomende partijen als gevolg van het vervallen van de erfdienstbaarheid enige waardevermindering hebben ondergaan. Een waarde van de erfdienstbaarheid is nimmer verdisconteerd in het prijsniveau van de woningen. Het ligt dan evenmin voor de hand om aan het vervallen van de erfdienstbaarheid wel waardevermindering toe te kennen. Weliswaar bood de erfdienstbaarheid een instrument om te ageren tegen voorgenomen ontwikkelingen op het dienende erf, echter een dergelijke actie zou uiteindelijk resulteren in de opheffing van de erfdienstbaarheid. Een redelijk handelend koper en verkoper zullen naar het oordeel van de rechtbank met dit onbeduidende recht bij de bepaling van de prijs geen rekening houden. (rov. 2.18)

3.3.2

Ter gelegenheid van de pleidooien hebben de tussenkomende partijen de rechtbank verzocht de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de (immateriële) schade die zij hebben geleden als gevolg van de omstandigheid dat de procedure niet is afgerond binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat de tussenkomende partijen niet hebben voldaan aan hun stelplicht ter zake van hun immateriële schade. Daarbij heeft de rechtbank in het midden gelaten of sprake is van schending van art. 6 EVRM (rov. 2.19).

De schadeloosstelling in verband met de onteigening

3.4

Onderdeel 1 van het middel richt diverse klachten tegen de beslissing van de rechtbank dat de schadeloosstelling dient te worden vastgesteld op nihil. Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Voor de beantwoording van de vragen of bij een onteigening een schadeloosstelling moet worden toegekend wegens het vervallen van een erfdienstbaarheid en zo ja, hoe hoog die schadeloosstelling moet zijn, wordt ingevolge art. 44 Ow rekening gehouden met hetgeen te verwachten is omtrent (onder meer) de opheffing van de erfdienstbaarheid op grond van het bepaalde in art. 5:79 BW. Daarbij blijft art. 40c Ow buiten toepassing, hetgeen meebrengt dat rekening mag worden gehouden met nadelen verbonden aan het werk waarvoor onteigend wordt.
In het onderhavige geval betekent dit dat de onteigeningsrechter, gelet op de plannen van de Gemeente, ervan zal moeten uitgaan dat daadwerkelijk een vordering tot opheffing zou worden ingesteld en dient te beoordelen of die vordering zou worden toegewezen. Bij bevestigende beantwoording dient hij bovendien te beoordelen of aan de opheffing voorwaarden – zoals betaling van een schadevergoeding – zouden worden verbonden. Voor deze beoordeling zijn de art. 5:79 en 5:81 BW bepalend.

3.5

Voor zover voor de onderhavige zaak van belang bepaalt art. 5:79 BW dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft en niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de beoordelingsmaatstaf uitgaat van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen (behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid). Dit volgt ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de art. 5:78 en 5:79 BW. Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.5, bevatte het oude BW geen regeling voor wijziging of opheffing van een erfdienstbaarheid door de rechter; de art. 750 en 754 BW (oud) bevatten alleen regels voor verval bij onmogelijkheid van uitoefening en tenietgaan bij zogenoemd non-usus. Het vervallen van die bepalingen en de invoering van art. 5:78 BW dat wijziging of opheffing door de rechter mogelijk maakt, hebben geleid tot een speciale overgangsbepaling (art. 165 Overgangswet NBW) die – kort gezegd – verhindert dat de invoering van art. 5:78 BW verkregen rechten aantast (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.6 en 4.9). Voor art. 5:79 BW geldt echter art. 68a Overgangswet NBW (onmiddellijke werking). Daarin ligt een belangrijke aanwijzing dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de invoering van art. 5:79 BW– anders dan de invoering van art. 5:78 BW – ten opzichte van art. 750 en 754 (oud) BW niet zou kunnen leiden tot een materiële aantasting van de positie van gerechtigden tot erfdienstbaarheden, dat wil zeggen dat de bepaling alleen toepassing zou vinden in gevallen waarin voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de gerechtigde niet van betekenis moet worden geacht. Het tegendeel volgt niet uit de omstandigheid dat de wetgever het mogelijk heeft gemaakt om voorwaarden te verbinden aan de opheffing van een erfdienstbaarheid aan de hand van art. 5:79 BW. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 5:81 BW, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.7 en 4.8, volgt immers dat daarbij is uitgegaan van voorwaarden die verenigbaar zijn met de situatie dat geen belang (meer) bestaat bij de erfdienstbaarheid als zodanig.

3.6

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat art. 5:79 BW een afweging vereist van de belangen van de eigenaren van de heersende erven tegen die van de eigenaar van de dienende erven. De daarop gerichte klachten van onderdeel 1 zijn gegrond.

3.7

De klachten van onderdeel 1 zijn eveneens gegrond voor zover zij zich richten tegen rov. 2.14, waar de rechtbank overweegt dat [eiser] c.s. in enige beperkte mate belang hebben bij de erfdienstbaarheid voor zover zij tijdens de wintermaanden enig beperkt zicht hebben op het bedrijventerrein. Zonder motivering, die de rechtbank niet heeft gegeven, valt niet in te zien waarom niet ook de door [eiser] c.s. gebruikte argumenten van behoud van een groen, rustig en spaarzaam gebruikt gebied achter hun woningen en het daarmee samenhangende tegengaan van stigmatisering van het tot bedrijventerrein om te vormen gebied, alsmede voorkoming van geluid- en verkeershinder, kunnen bijdragen tot het aannemen van een redelijk belang bij behoud van de erfdienstbaarheid in de zin van art. 5:79 BW.

3.8

Onderdeel 1 behoeft voor het overige geen behandeling.

Kosten van juridische en andere deskundige bijstand

3.9

De beslissing van de rechtbank om de Gemeente niet te veroordelen tot vergoeding van alle door [eiser] c.s. gemaakte kosten is mede gegrond op haar oordelen die hiervoor in 3.6 en 3.7 onjuist zijn bevonden. Dit betekent dat ook onderdeel 3 van het middel slaagt.

Overschrijding redelijke termijn voor berechting

3.10

Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen de gronden waarop de rechtbank het verzoek om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de tussenkomende partijen niet hebben voldaan aan hun stelplicht ter zake van hun immateriële schade.

3.11

Nu de rechtbank in het midden heeft gelaten of sprake is geweest van een schending van art. 6 EVRM, dient bij de beoordeling van dit onderdeel veronderstellenderwijs van een zodanige schending te worden uitgegaan. Daarvan uitgaande klaagt het onderdeel terecht erover dat de rechtbank op [eiser] c.s. een stelplicht ter zake van hun immateriële schade heeft gelegd. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6 EVRM is immers uitgangspunt dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, hetgeen een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade (zie onder meer EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, ECLI:NL:XX:2006:AX7382 (Riccardi Pizzati tegen Italië)). Dit is ook voor het nationale recht de maatstaf (vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360), en betekent dat geen stelplicht ter zake van zodanige schade rust op de partij die zich op schending van art. 6 EVRM beroept.

3.12

De vordering van [eiser] c.s. strekt tot vergoeding van schade die zij hebben geleden door de lange duur van behandeling van hun zaak door de rechtbank. Die schade staat in onvoldoende verband tot de onteigening om te worden aangemerkt als onteigeningsgevolg. [eiser] c.s. kunnen derhalve niet met succes van hun processuele wederpartij, de Gemeente, vergoeding van dergelijke schade eisen. Hun aanspraak dient te worden gericht tot de Staat. Dit is in overeenstemming met de inmiddels vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters, vgl. onder meer ABRvS 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3121, AB 2008/229, CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, AB 2009/241, HR (derde kamer) 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232 en HR (derde kamer) 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2313.

3.13

De hoogste Nederlandse bestuursrechters hebben een stelsel ontwikkeld dat de mogelijkheid biedt om de Staat in bestuursrechtelijke procedures te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe wordt, nadat een beroep op een zodanige overschrijding is gedaan, de Minister van Veiligheid en Justitie in het geding opgeroepen. Dit stelsel is in bestuursrechtelijke geschillen inmiddels vergaand geüniformeerd (vgl. laatstelijk ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Nu aangenomen moet worden dat niet binnen afzienbare tijd wetgevingsinitiatieven voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures zijn te verwachten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder nrs. 4.39 en 4.40), rijst de vraag of een gelijksoortige voorziening dient te worden opengesteld binnen procedures voor de burgerlijke rechter – waaronder de onderhavige procedure –, in de plaats van of naast de reeds thans bestaande mogelijkheid om in een afzonderlijke procedure tegen de Staat schadevergoeding uit onrechtmatige daad te vorderen.

3.14

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het nationale recht in verband met art. 13 EVRM moet voorzien in een effectieve mogelijkheid voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. onder meer EHRM 26 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD5181, NJ 2001/594 (Kudla tegen Polen) en EHRM 8 juni 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5760 (Sürmeli tegen Duitsland)). Een op grond van onrechtmatige daad in te stellen afzonderlijke procedure tegen de Staat kan een voldoende effectief rechtsmiddel bieden tot verkrijging van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 (Mifsud tegen Frankrijk) en EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (Depauw tegen België).

In bestuursrechtelijke procedures bestaan goede redenen om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn te laten plaatsvinden binnen de lopende procedure, met name de reden dat de bestuursrechter zelf beter toegerust is om de redelijkheid van de lengte van die procedure, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, te beoordelen dan de civiele rechter die dit zou moeten doen in een afzonderlijke procedure tegen de Staat. Indien de gestelde termijnoverschrijding echter plaatsvindt in een civiele procedure, is voor een beoordeling daarvan door de civiele rechter niet nodig dat deze in de lopende procedure plaatsvindt.

Het betrekken van de Staat in een lopende civiele procedure is bovendien bezwaarlijk in te passen in het Nederlandse burgerlijk procesrecht. Weliswaar zou art. 118 Rv naar de letter daarvoor een grondslag kunnen bieden, maar die bepaling is bedoeld voor gevallen waarin het voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil noodzakelijk is (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv, p. 18-20) of zinvol is (vgl. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564 en HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437) om de derde als partij in het geding te betrekken. In het algemeen is het betrekken van de Staat in een lopend civiel geding met als enig doel een vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechter voor te leggen, een niet-noodzakelijke belemmering voor een voortvarende verdere afhandeling van het geding.

Ten slotte is in dit verband van belang dat in de ons omringende landen de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures, plaatsvindt in een afzonderlijke procedure, hetzij op grond van een specifieke wet (Duitsland), hetzij op grond van algemene acties, zoals die uit onrechtmatige daad (België, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk).

3.15

Gelet op het vorenstaande moet in geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure, een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen de Staat.
Daarom bestaat voor [eiser] c.s. geen mogelijkheid om binnen de onderhavige (onteigenings)procedure zodanige schadevergoeding te verkrijgen. Dit betekent dat de gegrondheid van onderdeel 2 niet tot cassatie kan leiden.

3.16.1

In aansluiting op het bovenstaande wordt in het algemeen nog het volgende opgemerkt.

3.16.2

Voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak, is niet vereist dat die zaak zelf onder het bereik van art. 6 EVRM valt. Het aan art. 6 EVRM ten grondslag liggende rechtsbeginsel geldt immers eveneens, ook afgezien van die bepaling, binnen de nationale rechtsorde, en noopt ertoe dat geschillen voor de burgerlijke rechter binnen een redelijke termijn worden beslecht (vgl. onder meer HR (derde kamer) 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234 (rov. 3.3.2) inzake belastinggeschillen en ABRvS 17 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2283 inzake verblijfsrechtelijke procedures). Bij de beoordeling van een aanspraak wegens overschrijding van de redelijke termijn behoeft de burgerlijke rechter dus niet te onderzoeken of de procedure waarin de redelijke termijn is overschreden, betrekking had op rechten die vallen binnen de reikwijdte van art. 6 EVRM.

3.16.3

Nu de partijen in de zaak waarin (beweerdelijk) de redelijke termijn is overschreden in de regel reeds griffierecht hebben betaald, kan van hen, op gelijke voet met de gevallen bedoeld in art. 4 leden 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken, geen griffierecht worden geheven in de hiervoor in 3.15 bedoelde afzonderlijke procedure tegen de Staat, mede gelet op het feit dat het gaat om een aantasting van een door het EVRM beschermde aanspraak waartegen op grond van art. 13 EVRM een ‘effective remedy’ dient te bestaan. Voor het overige dient die procedure te verlopen volgens de in het algemeen geldende regels. Gelet op de hierna te vermelden hoogte van de vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn, kan worden aangenomen dat de vordering in vrijwel alle gevallen het bedrag genoemd in art. 93, aanhef en onder a, Rv niet zal overschrijden. In die gevallen dient de vordering door de kantonrechter te worden behandeld en is ingevolge art. 79 lid 1 Rv rechtsbijstand niet verplicht.

Voor de hoogte van de toe te kennen vergoedingen voor immateriële schade kan aansluiting worden gezocht bij de vergoedingen die de bestuursrechters plegen toe te kennen (€ 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn, naar boven afgerond). In gevallen van geringe overschrijding kan echter worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden.

3.16.4

Over de vraag of in een concreet geval sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting kunnen de volgende algemene opmerkingen worden gemaakt.

Uit hetgeen hiervoor in 3.16.2 is overwogen volgt dat bij de beoordeling van geschillen over overschrijding van de redelijke termijn, de jurisprudentie van het EHRM over art. 6 EVRM tot richtsnoer kan dienen. Het EHRM oordeelt naar aanleiding van de omstandigheden van het concrete geval, hetgeen betekent dat mede rekening wordt gehouden met de aard, de ingewikkeldheid en het belang van de zaak en met het (procedeer)gedrag van partijen. Gelet wordt op de totale duur van berechting, maar ook onaanvaardbaar lange perioden van tussentijdse inactiviteit kunnen overschrijding van de redelijke termijn meebrengen. Kwesties die verband houden met de organisatie van de rechterlijke macht (zoals achterstanden bij het desbetreffende gerecht of ziekte van behandelende rechters) staan niet aan aansprakelijkheid in de weg. Deze en andere door het EHRM gegeven uitgangspunten zijn ook voor de nationale beoordeling richtsnoer. (Zie voor een beknopt en recent (2013) overzicht van de EHRM-rechtspraak op dit punt, in de Engelse taal: www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_6_ENG.pdf (p. 50-55)). Procedures voor de Nederlandse burgerlijke rechter lopen zodanig uiteen in aard, ingewikkeldheid en procesvoering, dat de zaaksgerichte benadering van het EHRM niet kan worden geconcretiseerd in algemene richttermijnen voor een redelijke duur van die procedures.

Van een partij die een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn mag worden verwacht dat zij voldoende inzicht heeft in de aard, de ingewikkeldheid en het procesverloop van de desbetreffende zaak om haar eis naar behoren te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Er is dan ook geen aanleiding voor een afwijking van de in het algemeen geldende regels van stelplicht en bewijslast. Wel kan een zeer lange feitelijke duur van de procedure aanleiding vormen om overschrijding van de redelijke termijn voorshands bewezen te achten, behoudens door de Staat te leveren tegenbewijs.

3.16.5

Omdat bij de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn de duur van de gehele procedure mede van belang is, kan pas over een vordering wegens een zodanige overschrijding worden geoordeeld wanneer die duur van de gehele procedure kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de behandelende rechter in voorkomend geval de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn zal moeten aanhouden totdat de einduitspraak in het oorspronkelijke geschil in kracht van gewijsde is gegaan of die zaak is geroyeerd.

Vervolg van de onderhavige procedure

3.17

Het vonnis van 19 september 2012 kan niet in stand blijven. De zaak zal worden verwezen voor nadere beoordeling van de schadeloosstelling wegens het vervallen van de erfdienstbaarheid en van de hiervoor in 3.9 bedoelde kosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 september 2012 voor zover dat is gewezen tussen de Gemeente en [eiser] c.s.;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen onder 3.4-3.9;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 459,35 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 28 maart 2014.