Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:684

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
13/02818
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1542, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting 1969; geen regel compartimentering; art. 3:25 IB; goed koopmansgebruik dwingt niet tot aanpassing van de boekwaarde als het resultaat van die aanpassing de jaarwinst niet raakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/603
V-N 2014/16.19 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2014/9.7
BNB 2014/119 met annotatie van R.J. DE VRIES
FED 2014/58 met annotatie van R.P.C. CORNELISSE
FutD 2014-0704 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFRB 2014/19 met annotatie van prof.mr.dr. A.C.P. Bobeldijk
NTFR 2015/82
NTFR 2014/1128 met annotatie van Dr. A.W. Hofman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 maart 2014

nr. 13/02818

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] Holdings B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 16 mei 2013, nr. SGR 12/11543, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1 Het geding in feitelijke instantie

De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 2010, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. Met toepassing van artikel 7:1a Awb is door belanghebbende beroep tegen deze beschikking ingesteld.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 22 november 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Op 12 oktober 2004 heeft belanghebbende voor € 35.225.872 een belang van 4,7 percent (hierna: het belang) verworven in het nominaal gestorte kapitaal van [E] Inc., een aan de NASDAQ genoteerde vennootschap. De verwerving van het belang vond plaats in het kader van een samenwerkingsverband tussen investeerders in farmaceutische en biotechnische bedrijven, waaronder het concern waartoe belanghebbende behoort. Deze samenwerking is aangegaan met het oog op de ontwikkeling van bepaalde geneesmiddelen.

3.1.2.

Op 31 december 2006 was het belang € 39.179.716 waard en op 31 december 2009 € 14.131.514.

3.1.3.

Belanghebbende heeft het belang in 2010 in tranches verkocht voor in totaal € 22.378.643.

3.2.

Voor de Rechtbank was in geschil of, en zo ja in hoeverre het met de verkoop behaalde resultaat onder de deelnemingsvrijstelling viel.

3.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat – anders dan belanghebbende primair verdedigde – het overgangsrecht bij de Wet werken aan winst als zodanig in het onderhavige geschil niet aan de orde kan komen omdat het overgangsrecht slechts betrekking heeft op de jaren 2007, 2008 en 2009. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur het in de heffing te betrekken verkoopresultaat terecht met toepassing van de zogenoemde compartimenteringsleer heeft berekend op het verschil tussen de verkoopopbrengst en de boekwaarde per 31 december 2009, zijnde (€ 22.378.743 minus € 14.131.514)€ 8.247.129. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat het belang niet kan worden aangemerkt als een aflopende deelneming in de zin van artikel 13, lid 16, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet; tekst 2010) omdat nimmer is voldaan aan de voorwaarde dat de omvang van het belang ten minste 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal bedraagt. Ten slotte heeft de Rechtbank verworpen de stelling van belanghebbende dat compartimentering achterwege moet blijven omdat dit leidt tot een resultaat dat niet overeenkomt met een redelijke wetstoepassing. Tegen deze oordelen keren zich de middelen.

3.4.1.

Bij de beoordeling van de middelen wordt vooropgesteld dat indien de wetgever bij wijziging van een wetsbepaling in de wijzigingswet geen overgangsbepaling opneemt, moet worden uitgegaan van de hoofdregel van onmiddellijke werking van de gewijzigde bepaling. In de Wet werken aan winst waarbij artikel 13 van de Wet is gewijzigd, ontbreekt een dergelijke overgangsbepaling, zodat de per 1 januari 2007 geldende tekst van artikel 13 van de Wet met ingang van die dag toepassing dient te vinden op voordelen die op of na die dag worden gerealiseerd (zie HR 14 juni 2013, nr. 11/04538, ECLI:NL:HR2013:BY1244, BNB 2013/177).

Voorts wordt ingevolge artikel VIIId van de Wet werken aan winst een belang als het onderhavige, dat geen deelneming vormt volgens de sinds 1 januari 2007 geldende tekst van artikel 13 van de Wet maar waarop bij de belastingplichtige de deelnemingsvrijstelling tot en met 31 december 2006 van toepassing was omdat het belang op grond van het destijds geldende artikel 13, lid 3, laatste volzin, van de Wet met een deelneming werd gelijkgesteld, ook in de jaren 2007, 2008 en 2009 nog gelijkgesteld met een deelneming.

3.4.2.

Middel 1 strekt ten betoge dat het in de belastingheffing te betrekken resultaat dat is behaald met de verkoop van het belang met toepassing van de compartimenteringsleer moet worden berekend door van de verkoopprijs af te trekken de waarde van het belang op 31 december 2006. Dit middel faalt reeds op grond van hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen.

3.4.3.

De middelen 2 en 4 keren zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het met de verkoop van het belang behaalde resultaat met toepassing van de compartimenteringsleer moet worden berekend door van de verkoopprijs af te trekken de waarde van het belang op 31 december 2009. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen, slagen de middelen in zoverre.

De middelen doen vervolgens de vraag rijzen of goed koopmansgebruik ertoe noopt het belang per 31 december 2009 te waarderen op een lager bedrag dan de kostprijs en of, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, het met de verkoop van het belang behaalde resultaat moet worden gesteld op het verschil tussen de verkoopprijs en het zojuist bedoelde lagere bedrag. De eerste vraag moet ontkennend worden beantwoord. Goed koopmansgebruik dwingt niet tot de aanpassing van de boekwaarde van een activum, als het resultaat van die aanpassing niet in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de belastbare winst van het jaar waarin de aanpassing zou moeten plaatsvinden. De tweede vraag behoeft geen beantwoording.

3.4.4.

Middel 3 ten slotte heeft kennelijk een subsidiaire strekking, in die zin dat het wordt voorgesteld voor het geval de middelen 2 en 4 falen. Aangezien aan die voorwaarde niet wordt voldaan, behoeft het middel geen behandeling.

3.4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het in aanmerking te nemen resultaat uit de vervreemding van het belang moet worden vastgesteld op (€ 22.378.643 minus € 35.225.872) negatief € 12.847.229 en het verlies van belanghebbende over het onderhavige jaar moet worden vastgesteld op € 26.568.455.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

verhoogt het bij de onderhavige beschikking vastgestelde verlies tot een verlies van € 26.568.455,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478, alsmede het ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 310, derhalve in totaal € 788,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2922 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2014.