Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:675

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2014
Datum publicatie
21-03-2014
Zaaknummer
13/01510
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:15
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht, insolventierecht. Verzoek tot schorsing cassatieprocedure op grond van art. 28 Fw nadat gefourneerd is, arrest is gevraagd en datum conclusie P-G is bepaald. Strekking art. 30 lid 1 Fw. Betekenis schriftelijk commentaar op conclusie P-G (art. 44 lid 3 Rv). Art. 25 lid 2 en 27-29 Fw. Zelfstandige betekenis vorderingen tot verklaring voor recht en gebod? Procedure van rechtswege geschorst.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 25
Faillissementswet 27
Faillissementswet 28
Faillissementswet 29
Faillissementswet 30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/683
RvdW 2014/497
RI 2014/53
RBP 2014/53
JWB 2014/149
NJ 2015/305 met annotatie van H.J. Snijders
JBPR 2014/30 met annotatie van mr. J.E.P.A. van Hooff
JOR 2014/152 met annotatie van mr. A.C.A.D. Bakker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 maart 2014

Eerste Kamer

13/01510

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

SRC-CULTUURVAKANTIES B.V.,
gevestigd te Groningen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en SRC.

1 Procesgang

[eiseres] heeft op 18 maart 2013 cassatieberoep ingesteld tegen een arrest gewezen op 18 december 2012 door het gerechtshof Leeuwarden tussen haar als appellante in het principale appel, tevens geïntimeerde in het incidentele appel, en SRC-Cultuurvakanties B.V. (SRC) als geïntimeerde in het principale appel, tevens appellante in het incidentele appel.

SRC is in cassatie niet verschenen; tegen haar is op 17 mei 2013 verstek verleend.

[eiseres] heeft ter rolzitting van 13 september 2013 stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Ter rolzitting van 11 oktober 2013 is bepaald dat de Procureur-Generaal op 24 januari 2014 in deze zaak zal concluderen.

Bij brief van 19 november 2013 is namens [eiseres] aan de Hoge Raad verzocht (i) het geding te schorsen en (ii) een termijn te bepalen waarbinnen zij de curatoren van SRC in het geding kan roepen. Bij deze brief is een kopie van het vonnis van de rechtbank Overijssel van 25 september 2013 overgelegd. In dit vonnis is SRC failliet verklaard.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot afwijzing van het verzoek.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 24 januari 2014 op die conclusie gereageerd.

2 Verzoek om schorsing teneinde de curatoren in het geding te roepen

2.1

[eiseres] heeft in deze procedure het volgende gevorderd:

(i) een verklaring voor recht dat tussen haar en SRC een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat;

(ii) veroordeling van SRC tot betaling van achterstallig salaris;

(iii) veroordeling van SRC om [eiseres] een nieuwe oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden dan wel voor bepaalde tijd met garantie na elk nieuw reisseizoen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden;

(iv) veroordeling van SRC tot betaling van salaris conform de cao voor de reisbranche, over het reisseizoen 2007 totdat de arbeidsverhouding rechtsgeldig zal zijn beëindigd dan wel van schadevergoeding ter grootte van dit salaris;

(v) veroordeling van SRC tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 15.000,--.

2.2

Aan het verzoek om schorsing is het volgende ten grondslag gelegd.

[eiseres] stelt dat de vorderingen (i) en (iii) tijdens de faillietverklaring aanhangige vorderingen zijn in de zin van art. 28 Fw. Zij verzoekt daarom dat de cassatieprocedure ten aanzien van deze vorderingen op de voet van art. 28 lid 1 Fw wordt geschorst opdat zij de curatoren in het geding kan roepen.

Geen schorsing wordt verzocht ten aanzien van de vorderingen (ii), (iv) en (v). Deze strekken tot voldoening van een verbintenis uit de boedel. Daarom is het geding in zoverre op de voet van art. 29 Fw van rechtswege geschorst door het faillissement van SRC.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1

In de hiervoor in 1 vermelde brief van 19 november 2013 worden voor het verzoek tot schorsing van het geding in cassatie twee gronden aangevoerd.

De eerste grond is dat art. 30 lid 1 Fw niet in de weg staat aan toepassing van de art. 28 en 29 Fw, aangezien art. 225 lid 4 Rv bepaalt dat schorsing van het geding niet meer kan plaatsvinden nadat de datum is bepaald waarop het vonnis (of arrest) zal worden uitgesproken. In het onderhavige geval is die datum nog niet bepaald.

De tweede grond is dat partijen op de voet van art. 44 lid 3 Rv nog schriftelijk mogen reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal. Omdat de beslissing van de Hoge Raad door deze reactie kan worden beïnvloed, brengt de strekking van art. 30 Fw mee dat art. 25 lid 2 Fw en de art. 27-29 Fw niet van toepassing zijn indien de faillietverklaring plaatsvindt nadat de datum is bepaald waarop het vonnis of arrest zal worden uitgesproken, welke datumbepaling in de onderhavige cassatieprocedure nog niet is geschied.

3.2

Art. 30 Fw bepaalt dat de art. 27-29 en art. 25 lid 2 Fw niet toepasselijk zijn indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd. Het verzoek stelt de vraag aan de orde hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Bij de beoordeling van het verzoek wordt het volgende vooropgesteld.

3.3.1

Art. 30 Fw maakt deel uit van bepalingen in de Faillissementswet over de gevolgen van faillietverklaring voor gedingen die aanhangig zijn ten tijde van het faillissement van een procespartij. Het artikel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond dat proces-handelingen die in een civiele procedure zijn verricht door de schuldenaar vóór diens faillissement, de boedel binden. Na de faillietverklaring kan de gefailleerde echter niet de boedel binden door proceshandelingen te verrichten. Hieruit volgt dat er geen reden is de beslissing van het geding aan te houden indien het geding zover is gevorderd dat "de processtof verder aan elke inwerking van partijen [is] onttrokken" (Van der Feltz I, p. 389). Voor dat geval bepaalt art. 30 Fw dan ook dat de art. 25 lid 2 en 27-29 Fw niet toepasselijk zijn.

3.3.2

Op de voet van art. 44 lid 3 Rv kunnen partijen in cassatie, binnen twee weken nadat de conclusie door de Procureur-Generaal is genomen dan wel een afschrift daarvan aan partijen is verzonden, hun schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doen toekomen.
De ratio hiervan is dat partijen gezien het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) moeten kunnen reageren op een conclusie van de Procureur-Generaal, aangezien die conclusie in de oordeelsvorming van de Hoge Raad wordt betrokken (vgl. EHRM 30 oktober 1991, ECLI:NL:XX:1991:AD1521, NJ 1992/73, Borgers/België; EHRM 20 februari 1996, rov. 33, Reports 1996-I, p. 224 e.v., Vermeulen/België).

3.3.3

De reactie op de conclusie moet beknopt zijn.
In die reactie is geen plaats voor debat door partijen. Nieuwe stellingen en producties zijn niet toelaatbaar. Een meer uitvoerige reactie is echter mogelijk ingeval de conclusie daartoe aanleiding geeft. (Vgl. HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3299, NJ 2008/123 en HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162.) Omdat de reactie op de conclusie van invloed kan zijn op de beslissing van de Hoge Raad, is het geding niet aan de invloed van partijen onttrokken tot aan het verstrijken van de termijn voor het indienen van die reactie.

3.4

In het onderhavige geval zijn op 13 september 2013 stukken gefourneerd voor arrest en is op de rol van 11 oktober 2013 de datum voor conclusie van de Procureur-Generaal bepaald op 24 januari 2014. Hieruit volgt dat op 25 september 2013, de faillissementsdatum, het geding nog niet aan de invloed van partijen was onttrokken in de hiervoor in 3.3.1-3.3.3 vermelde zin. Daarom is art. 30 lid 1 Fw nog niet van toepassing.

3.5.1

Aldus stelt het verzoek de vraag aan de orde of het geding ten aanzien van de hiervoor in 2.1 vermelde vorderingen (i) en (iii) op de voet van art. 28 Fw dient te worden geschorst om [eiseres] in staat te stellen de curatoren in het geding te roepen.

3.5.2

De vorderingen (i) en (iii) strekken tot verkrijging van een verklaring voor recht en een gebod, die erop neerkomen dat wordt vastgesteld dat de arbeidsrelatie tussen [eiseres] en SRC steeds heeft voortgeduurd, althans voor elk nieuw reisseizoen telkens opnieuw had moeten worden aangegaan. Niet blijkt dat [eiseres] bij deze vorderingen een ander belang heeft dan dat haar vorderingen (ii) en (iv), die voldoening van verbintenissen uit de boedel ten doel hebben, toewijsbaar zijn. Voor de toepassing van de art. 25 lid 2 Fw en 27-29 Fw hebben de vorderingen (i) en (iii) naast de vorderingen (ii) en (iv) daarom geen zelfstandige betekenis. Dit brengt mee dat de procedure ook voor zover het de vorderingen (i) en (iii) betreft, door het faillissement van SRC van rechtswege is geschorst.
Het verzoek is dus niet toewijsbaar.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verstaat dat het geding in cassatie is geschorst.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 21 maart 2014.