Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:522

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
13/01937
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2380, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:4868, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtsbijstandverzekering. Afwikkeling schadedossier gestaakt wegens onvoldoende medewerking verzekerde conform polisvoorwaarden. Is verzekeraar in zijn redelijke belangen geschaad? HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9705, NJ 2008/57.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/571
RvdW 2014/429
RAV 2014/50
JWB 2014/129
NJ 2014/333 met annotatie van M.M. Mendel
TvC 2014, afl. 5, p. 239 met annotatie van mw. prof. mr. N. van Tiggele-van der Velde
NTHR 2014, afl. 3, p. 168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 maart 2014

Eerste Kamer

13/01937

LZ/TT

 

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

 

in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. A.Th.P.A. Brink,

t e g e n

STICHTING SCHADEREGELINGSKANTOOR VOOR RECHTSBIJSTANDVERZEKERING,
gevestigd te Zoetermeer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma en mr. A. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en SRK.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 378376/KG ZA 10-1305 van de voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage van 30 november 2010;

b. de arresten in de zaak 200.079.841/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 1 februari 2011 en 18 december 2012.

Het arrest van het hof van 18 december 2012 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 18 december 2012 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

SRK heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaten van SRK hebben bij brief van 24 december 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.13, alsmede die, vermeld in rov. 5.3.1 onder i-vii van het bestreden arrest, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6. Het gaat in dit geding om de vraag of SRK, onder de door [eiser] c.s. afgesloten rechtsbijstandsverzekering, op goede gronden de verdere behandeling van een schadedossier heeft gestaakt. Blijkens hetgeen in rov. 5.3.1 onder i-vi is vastgesteld, heeft SRK, met een beroep op art. 11.1, 13.1.4 en 13.1.5 van de polisvoorwaarden, de dekking van het onderhavige schadegeval beëindigd op de grond dat [eiser] c.s. geen gehoor hebben gegeven aan haar verzoeken haar hun standpunt mee te delen met betrekking tot de voortzetting van de behandeling op basis van het in opdracht van [eiser] c.s. uitgebrachte (concept-)deskundigenrapport.

3.2

[eiser] c.s. vorderen in dit kort geding, voor zover in cassatie nog van belang, dat SRK een externe advocaat inschakelt die voor rekening van SRK een bindend advies geeft in antwoord op de vraag of het ingenomen juridische (eind)standpunt of de wijze van juridische aanpak van de zaak door SRK zo tot stand heeft kunnen komen, dan wel dat SRK de behandeling van het geschil voortzet.

De voorzieningenrechter heeft de vordering zoals die in eerste aanleg was ingesteld, afgewezen. Het hof heeft die uitspraak bekrachtigd. Voor zover van belang in cassatie, overwoog het hof (rov. 5.3.1):

“Tussen partijen is niet in geschil dat SRK – in aansluiting op daaraan voorafgaande correspondentie naar aanleiding van een klacht van [eiser] c.s. bij Aegon over (de rechtshulpverlening door) SRK – bij brief van 22 september 2009 (rov. 2.8) aan [eiser] c.s., aangevend dat zij uit de door [eiser] c.s. gestuurde emails opmaakte dat zij een beroep wensten te doen op de geschillenregeling uit de polis, verzochten om opgave van “uw voorkeursadvocaat” (ter uitvoering van hetgeen in artikel 16 van de polisvoorwaarden daarover is bepaald). Vervolgens is, naar eveneens niet in geschil is, na overleg tussen partijen, niet een “voorkeursadvocaat” door [eiser] c.s. opgegeven, maar is op voet van artikel 6.3 van de polisvoorwaarden (de “twijfelbepaling” volgens SRK) het Bureau voor Bouwpathologie BB, ing. E.P.G. Borgers, verzocht een deskundigenrapport uit te brengen. Daarmee waren partijen het kennelijk (alsnog) eens over de verdere behandeling door SRK en de wijze daarvan. [eiser] c.s. hebben geen grief gericht tegen rov. 1.9 van het vonnis van de voorzieningenrechter, hiervoor weergegeven in rov. 2.10, dat SRK, na kennis te hebben genomen van dat rapport, [eiser] c.s. verschillende keren heeft gevraagd om instructies over de verdere be- c.q. afhandeling van de zaak”,

waarna het hof het verdere verloop van de gebeurtenissen vaststelde als vermeld aldaar onder i-vii. Het hof trok daaruit (in rov. 5.3.2) de conclusie dat onvoldoende zeker was dat in een bodemprocedure een van de vorderingen toewijsbaar zou zijn. Het overwoog daartoe:

“Terecht hebben [eiser] c.s. zich erop beroepen dat er sprake moet zijn van schending van de belangen van de verzekeraar wil deze zich kunnen beroepen op de betreffende polisvoorwaarden. Naar het voorlopig oordeel van het hof is daarvan in deze sprake nu [eiser] c.s. ondanks rappel en een “aanwijzing” nagelaten hebben te reageren.”

3.3.1

De Hoge Raad ziet aanleiding allereerst middel III te behandelen, dat zich keert tegen rov. 5.3.2. De onderdelen 3.3 en 3.4 klagen dat het hof heeft miskend dat het voor SRK duidelijk was of had moeten zijn dat er een geschil bestond omtrent de vraag hoe de verdere aanpak van de zaak behoorde te zijn en dat [eiser] c.s. het oneens waren met de door SRK geschetste kans om het door [eiser] c.s. beoogde resultaat te behalen; dat SRK, gezien art. 4:69 Wft, gehouden was [eiser] c.s. te wijzen op de mogelijkheid gebruik te maken van de in art. 16.1 van de polisvoorwaarden neergelegde geschillenregeling in verband met het belangenconflict; dat voor toelating tot de geschillenregeling een daartoe strekkend beroep volstaat zonder dat een nadere toelichting is vereist of aan nadere voorwaarden moet worden voldaan; en dat bij fax van 19 januari 2010 – onder verwijzing naar de op 26 augustus 2009 door [eiser] c.s. bij Aegon ingediende klacht – nadrukkelijk is meegedeeld dat [eiser] c.s. gebruik wensten te maken van de geschillenregeling.

Deze klachten falen. Het hof heeft vastgesteld (in rov. 5.3.1) dat SRK in september 2009 heeft begrepen dat [eiser] c.s. een beroep deden op de geschillenregeling van art. 16.1 van de polisvoorwaarden, dat partijen hierop zijn overeengekomen een deskundigenrapport te laten uitbrengen, dat SRK, na kennis te hebben genomen van dat rapport, [eiser] c.s. verschillende keren heeft gevraagd om instructies over de verdere afhandeling van de zaak, en dat [eiser] c.s. die instructies niet hebben gegeven, ook niet in de fax van 19 januari 2010. Vervolgens heeft het hof geoordeeld (rov. 5.3.2) dat de aldus vastgestelde gang van zaken niet in de weg staat aan een beroep door SRK op de polisvoorwaarden die bepalen dat aan de verzekering geen rechten kunnen worden ontleend als de verzekerde een of meer van de hem in die voorwaarden opgelegde verplichtingen niet is nagekomen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

3.3.2

Onderdeel 3.6 keert zich tegen het oordeel van het hof dat SRK zich kan beroepen op de bepalingen in de polisvoorwaarden die de verzekerde de rechten uit de polis ontzeggen indien deze zijn verplichtingen uit de verzekering, waaronder het verlenen van zijn volle medewerking, niet nakomt. Het onderdeel richt een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat de belangen van SRK zijn geschaad door het vermeend ‘niet reageren’ van [eiser] c.s., en wel dusdanig dat van SRK niet meer kon worden gevergd dat zij dekking zou blijven bieden.

Deze klacht slaagt. Bij memorie van grieven, alsmede ter gelegenheid van de in hoger beroep gehouden comparitie van partijen, is namens [eiser] c.s. aangevoerd dat SRK zich slechts op de betrokken polisbepaling kan beroepen indien haar belangen door de handelwijze van [eiser] c.s. geschonden zijn en dat het de vraag is of daarvan in het onderhavige geval (in voldoende mate) sprake is.

Overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA9705, NJ 2008/57, voor het geval waarin een verzekeraar zich op een contractueel vervalbeding wenst te beroepen op de grond dat een schademelding te laat is gedaan, dient de verzekeraar in een geval als het onderhavige onder opgave van redenen te stellen dat hij door de niet-nakoming door de verzekerde van zijn verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst in zijn redelijke belangen is geschaad. Het hof had derhalve, gelet op de evengenoemde stelling van [eiser] c.s., aan de hand van hetgeen SRK daaromtrent heeft aangevoerd, dienen te onderzoeken of SRK door de handelwijze van [eiser] c.s. in haar redelijke belangen is geschaad. Hetgeen het hof aan het slot van rov. 5.3.2 heeft overwogen (aangehaald hiervoor in 3.2), geeft er geen blijk van dat het hof dat heeft onderzocht, althans vormt niet een toereikende motivering voor het oordeel dat de door SRK aangevoerde nadelen – dat zij door het uitblijven van een reactie meer werk moest verrichten, en dat de vertraging de kans op een schikking verkleinde – voldoende klemmend waren.

3.4

De overige in middel III, alsmede de in middel I aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De klachten van middel II behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 18 december 2012;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt SRK in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 483,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 7 maart 2014.