Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:510

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
13/04992
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2665, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klachtprocedure ex art. 13a RO. Klachten over een AG bij de HR wegens een door hem geschreven column in het Nederlands Juristenblad (NJB). 1. Ontvankelijkheid klacht. 2. Klacht ongegrond: gedraging van de AG kan i.c. niet worden aangemerkt als onbehoorlijk gedrag in de zin van art. 13f, lid 1, RO.

Ad 1. Klagers kunnen worden ontvangen in hun klachten. De "uitoefening van zijn functie" als bedoeld in art. 13a, lid 1, RO omvat ook de naleving van de normen die zien op het publieke gedrag van de rechterlijk ambtenaar, zodat daarover op de voet van art. 13a RO kan worden geklaagd. Dat de AG zijn handelen omschrijft als het uiten van een privémening staat aan de ontvankelijkheid van de klacht niet in de weg.

Ad 2. De AG heeft zich in de gewraakte column niet rechtstreeks uitgelaten over concrete juridische kwesties in aanhangige of nog te voeren procedures. Omdat hij zijn column schreef als redacteur van het NJB was zijn bijdrage voor het lezerspubliek onmiskenbaar een bijdrage op persoonlijke titel aan het juridisch-wetenschappelijk discours en gold zijn mening niet als die van het parket waarvan hij deel uitmaakt. Omdat het hier een debat-prikkelende uiting van de AG betreft, die onvoldoende verband houdt met concrete geschillen, is de vrees van de klagers dat rechters hierdoor tot een voor hen ongunstige beslissing zullen komen, niet gerechtvaardigd. Klacht ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/504
RvdW 2014/433
V-N 2014/14.8 met annotatie van Redactie
JWB 2014/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 maart 2014

Vierde Kamer

nr. 13/04992

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Beslissing

in de zaak van:

OOO PROMNEFTSTROY,

verzoekster tot het instellen door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van een vordering als bedoeld in art. 13a, eerste lid, RO,

advocaten: mr. J.F. Ouwehand en mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[betrokkene],

advocaat: mr. G.J. Kemper.

1 De vordering van de Procureur-Generaal

1.1.

De Procureur-Generaal heeft naar aanleiding van een op 17 september 2012 ingekomen verzoekschrift van OOO Promneftstroy (hierna: de klaagster) bij op 8 oktober 2013 ter griffie ingekomen schriftelijke voordracht gevorderd dat de Hoge Raad een onderzoek instelt naar de gedraging van [betrokkene] waarover in het verzoekschrift van de klaagster wordt geklaagd, en zijn oordeel uitspreekt over die gedraging.

De voordracht is aan deze beslissing gehecht.


1.2. De klacht van de klaagster, voor zover door de Procureur-Generaal in zijn vordering betrokken, houdt in dat [betrokkene] onjuist en klachtwaardig heeft gehandeld door, als lid van het parket bij de Hoge Raad, ten onrechte op persoonlijke titel in een redactionele rubriek in het Nederlands Juristenblad zijn visie te geven op het faillissement van Yukos Oil, nu de gang van zaken met betrekking tot dat faillissement en de daarmee samenhangende vraag of dat faillissement in Nederland kan worden erkend, onderdeel zijn van het partijdebat in diverse in Nederland aanhangige procedures waarin de klaagster als partij betrokken is. De klaagster vreest dat de in de column verwoorde visie van [betrokkene] een voor de klaagster negatieve invloed zal hebben op de uitkomst van deze lopende procedures. Volgens de klaagster heeft [betrokkene] hiermee gehandeld in strijd met art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak en art. 2.5.4 van de NVvR-rechterscode.

2 Het onderzoek

De Hoge Raad heeft op 12 december 2013 in raadkamer een onderzoek ingesteld naar de gedraging van [betrokkene] waarop de klacht betrekking heeft. Daarbij waren aanwezig de Procureur-Generaal, namens de klaagster: S.P. Lynch, bijgestaan door mr. J.F. Ouwehand en mr. R.S. Meijer, advocaten te Amsterdam, en [betrokkene], bijgestaan door mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam.

De voordracht is in raadkamer toegelicht door de Procureur-Generaal.

Mr. J.F. Ouwehand en mr. R.S. Meijer hebben het standpunt van de klaagster toegelicht, mr. Ouwehand aan de hand van aantekeningen die aan de Hoge Raad zijn overgelegd.

Mr. G.J. Kemper heeft het standpunt van [betrokkene] toegelicht aan de hand van aantekeningen die aan de Hoge Raad zijn overgelegd.

3 De feiten waarvan de Hoge Raad uitgaat

Uit de inhoud van de aan de Hoge Raad overgelegde stukken is het volgende gebleken.

(i) [betrokkene] is behalve lid van het parket bij de Hoge Raad tevens (onder meer) redacteur van het Nederlands Juristenblad (NJB).
(ii) De door [betrokkene] op persoonlijke titel als redacteur van het NJB geschreven rubriek 'Vooraf', getiteld "Punitive psychiatry – punitive taxation", in het NJB van 10 augustus 2012 houdt in:

"Totalitaire machthebbers houden niet van burgers die laten blijken niet in hun regime te geloven en die ageren tegen éénpartijdwang/verkiezingsfraude, mensenrechtenschendingen, corruptie, staatscynisme en -kapitalisme en dergelijke. De machthebbers in de voormalige Sovjet-Unie, met name Beria, Chroetsjov en Andropov, vonden dat gezonde burgers in een communistische maatschappij niet anti-socialistisch kónden zijn, zodat afwijking van de partijlijn crimineel was en slechts drie verklaringen kon hebben: (i) provocatie door buitenlandse kapitalistische imperialisten (strafbaar), (ii) reactionaire krachten uit het feodale verleden (strafbaar) of (iii) geestesziekte (te behandelen). Op grote schaal werden in de jaren 60 psikoesjkas (psychiatrische kliniekjes) opgezet om duizenden mensen met verkeerde ideeën op te sluiten, plat te spuiten en af te sluiten van de maatschappij; hun opvattingen in diskrediet te brengen en hen mentaal en fysiek te breken. Bekende namen waren de latere nobelprijswinnaar Joseph Brodsky en de natuurkundige Andrei Sacharov; het tijdperk van de punitive psychiatry, waarin mensenrechtenactivisme een imperialistisch complot was ter ondermijning van de communistische heilstaat.

De tijden zijn veranderd. De communistische heilstaat is niet meer. De ex-communistische machthebbers streven meer zichtbaar kapitalistische doelen na en gebruiken andere middelen en taal, maar het uiteindelijke idee is hetzelfde: schik je in ons systeem or else. Drie vrouwen – van wie twee zelfs ontkennen ooit lid te zijn geweest van het punkcollectief Pussy Riot – zitten al sinds februari in Russische hechtenis wegens een optreden van het collectief in een orthodoxe kathedraal waarbij de heilige moeder kennelijk werd gevraagd premier Poetin het Kremlin uit te jagen. Beschuldiging na vier maanden hechtenis: 'hooliganism.' Maximumstraf: 7 jaar. Dagvaarding: 2.800 bladzijden. Voorbereidingstijd voor de verdediging: vier dagen. Datum proces: onbekend. Hechtenis op 21 juli verlengd met een half jaar. Twee van de vrouwen hebben jonge kinderen.

Maar de belangrijkste opvolger van de punitive psychiatry lijkt in het huidige oligarchische graaiklimaat niet zozeer het strafrecht, als wel het belastingrecht. De heer Khodorkovsky zong geen anti-Poetinliedjes. Hij was een slimme oligarch die op dubieuze wijze grootschalig geprofiteerd had van de chaotische privatisering na de val van het communisme. Hij was een van de rijkste mensen ter wereld, vooral door zijn belangen in oliemaatschappij Yukos. Hij had ook politieke ambities en kritiseerde het corruptiesysteem. Hij was hinderlijk. Hij werd aangehouden en verhoord onder volgens het Straatsburgse Hof valse voorwendsels [1] en zit momenteel nog steeds voor belastingfraude en andere economische delicten. Aan Yukos werden aanslagen opgelegd ad 28 miljard dollar (voor een van de boekjaren meer dan 110% van de winst, hoewel bedrijven in Staatshanden geen fractie daarvan betaalden), gevolgd door beslaglegging en veilingverkoop van Yukos' activa ver beneden de waarde aan – uiteindelijk, via schimmige omwegen – de Staatsoliemaatschappij Rosneft. Door gedwongen premature executieverkoop van zijn belangrijkste productiebedrijf werd Yukos' betalingscapaciteit vernietigd, terwijl minder ingrijpende invordering evident mogelijk was.[2] De autoriteiten eisten betaling, maar hun beslag maakte die onmogelijk. Zij hadden daarom ook nog boeten ad € 1,15 miljard opgelegd, die vóór de belasting betaald moesten worden, maar waarvan betaling verboden was onder het beslag. De boete was opgelegd buiten de wettelijke termijn, maar het Russische Hof waar Yukos die onwettige boete-oplegging aanvocht, creëerde ter plekke een uitzondering voor belastingontduikers.

Met Khodorkovski en Yukos hoeft men wellicht geen medelijden te hebben, al wordt Khodorkovsky inmiddels algemeen erkend als politieke gevangene en gesteund door Amnesty International en mensenrechtenactivisten, maar de naam van belastingheffing als middel tot onteigening zonder vergoeding en tot decenniumlange opberging van politieke tegenstanders was gevestigd. Als dissidenten of politieke tegenstanders de macht bedreigen, is dat niet meer een blijk van geestesziekte, maar van opzet op fiscale en economische delicten ten nadele van de macht.

Zo bleek ook in China. De kunstenaar/architect Ai Wei-wei (o.a. Sunflower Seeds; Tate modern, en – samen met twee Zwitserse architecten – het Olympische Vogelneststadion in Beijing) was altijd al hinderlijk met zijn culturele en politieke provocaties en zijn vooroplopende en succesvolle blog en twitter, maar hij werd getolereerd totdat hij openlijk kritiek uitte op de corruptie in de partij, met name op het resulterende wanbeleid in het openbaar bestuur dat onder meer leidde tot het instorten van zo'n beetje alle scholen in het gebied van de recente grote aardbeving in China. Ai Weiwei steunde de opstelling van een lijst met namen van alle omgekomen scholieren. Net als Khodorkovsky werd ook hij op een vliegveld opgepakt op verzonnen gronden (vertrekformaliteiten zouden niet in orde zijn). Na 2,5 maanden zitten zonder proces of beschuldiging werd hij onder internationale druk uit detentie ontslagen, maar onder huisarrest gezet en vervolgens beschuldigd van, jawel, belastingontduiking. Zijn (vrouw's) onderneming Beijing Fake Cultural Development Ltd moet circa twee miljoen dollar belasting en boeten betalen. Zij kregen drie dagen de tijd voor beroep. De rechtbank nam opmerkelijkerwijs het beroep wel in behandeling (dat is al heel wat), maar Ai Weiwei mocht niet bij de behandeling zijn en op 20 juli werd het (hoger) beroep ongemotiveerd verworpen. Op dezelfde dag opende zijn studio de website The Fake Case (www.fakecase.com).

In Nederland wordt wel eens geklaagd dat de politiek de belastingheffing te veel gebruikt voor nevendoeleinden (instrumentalisme) in plaats van voor klassieke overheidsfinanciering. Onder invloed van de enorme economische groei in het Oosten lijkt aldaar een geheel nieuw beleidsterrein van fiscaal instrumentalisme aangeboord te zijn, zulks om die economische groei en daarmee de politieke macht in de goede handen te houden.

[betrokkene]

[1] EHRM 31 mei 2011, nr. 5829/04 (Khodorkovsky v Russia).

[2] EHRM 20 september 2011, nr. 14902/04 (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos v. Russia)."

(iii) De klaagster is een Russische vennootschap die op een van de veilingen in het kader van het faillissement van Yukos Oil aandelen heeft gekocht in de Nederlandse dochter-vennootschap Yukos Finance B.V. De aandelen in de klaagster worden gehouden door niet-Russische investeerders. Zij had en heeft geen relatie met Russische overheidsinstanties of overheidsbedrijven.

De klaagster is verwikkeld in een aantal procedures waarin de geldigheid van de eigendomsoverdracht van de aandelen en de geldigheid van het faillissement van Yukos Oil een rol spelen.

(iv) In het kader van de procedure op de voet van de interne klachtenregeling van het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, heeft de Procureur-Generaal een klachtadviescommissie ingesteld, bestaande uit de mrs. W.D.H. Asser, D.J. van Dijk en P. van Dijk. De commissie heeft geadviseerd de klacht ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dit advies houdt, voor zover hier van belang, in:

"Inhoudelijke beoordeling

In genoemde publicatie heeft betrokkene zich in opiniërende zin uitgelaten over de naar zijn mening 'punitieve' en politiek gemotiveerde belastingheffing die is opgelegd aan het Russische olieconcern Yukos Oil, waarbij hij onder meer heeft verwezen naar een uitspraak van het EHRM van 20 september 2011 in de zaak OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos tegen Rusland.

De desbetreffende uitlatingen van de betrokkene worden door de commissie aangemerkt als onwenselijk. De uitlatingen houden verband met zaken die nog aanhangig zijn bij de Hoge Raad en bevatten een subjectieve mening over feitelijke- en rechtsvragen welke in die en mogelijk in een later stadium nog bij de Hoge Raad dienende zaken aan de orde kunnen zijn. Gelet op de positie van de betrokkene bij de Hoge Raad - ook indien hij niet is betrokken bij de behandeling van die zaken -, kunnen deze uitlatingen derhalve voor de klagers een gerechtvaardigde reden vormen te twijfelen aan de onpartijdigheid van de behandeling van hun zaken bij de Hoge Raad als vereist in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het vertrouwen in de Rechtspraak schaden, als bedoeld In art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak, welk artikel inhoudt dat medewerkers van de Rechtspraak zich realiseren dat privégedrag en het publiekelijk uiten van privémeningen het vertrouwen in de Rechtspraak kunnen schaden.

De commissie is derhalve van oordeel dat betrokkene zich had dienen te onthouden van opiniërend commentaar op genoemde kwestie zolang er zaken bij de Hoge Raad aanhangig zijn die daarmee verband houden. Art. 10 EVRM doet daaraan niet af. Die bepaling beschermt weliswaar de vrijheid van meningsuiting, maar laat ruimte voor beperkingen van dat recht, waarbij het waarborgen van de onpartijdigheid van de rechterlijke macht uitdrukkelijk wordt genoemd. Art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak houdt een dergelijke gerechtvaardigde beperking in. De Gedragscode wordt door het parket van de Hoge Raad onderschreven en betrokkene is, als lid van dat parket, gehouden zich daaraan te houden. De beperking van betrokkenes recht op vrije meningsuiting, erop neerkomend dat hij zich dient te onthouden van opiniërende uitlatingen over kwesties die nog aanhangig zijn bij de Hoge Raad of waarvan te verwachten valt dat deze aanhangig zullen worden gemaakt, is derhalve naar het oordeel van de commissie gerechtvaardigd.

Aan het voorgaande doet niet af dat betrokkene, zoals hij heeft verklaard ten overstaan van de Procureur-Generaal, niet wist dat er nog procedures met betrekking tot deze kwestie bij de Hoge Raad aanhangig waren, zijn of zouden worden. Hij had dat immers kunnen en derhalve moeten weten. Hij had zich daaromtrent zonder veel moeite kunnen informeren voordat hij de gewraakte uitlatingen deed.

Ten overvloede merkt de commissie nog op dat de klagers er terecht op wijzen dat betrokkene de genoemde uitspraak van het EHRM onvolledig heeft weergegeven en daaruit een onjuiste conclusie heeft getrokken."

4. Bepalingen

4.1.

Wettelijke bepalingen

Art. 13a, eerste lid, RO, welke bepaling op grond van art. 120, vierde lid, RO van overeenkomstige toepassing is op de leden van het parket bij de Hoge Raad, luidt:

"Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zich in de uitoefening van zijn functie jegens hem heeft gedragen, kan, tenzij de klacht een rechterlijke beslissing betreft, de procureur-generaal bij de Hoge Raad schriftelijk verzoeken een vordering bij de Hoge Raad in te stellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging."

Art. 13f, eerste lid, RO, luidt:

"De Hoge Raad beoordeelt of degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, zich in de onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen. De Hoge Raad kan tevens beoordelen of het betrokken gerechtsbestuur zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen."

4.2.

Overige in deze zaak genoemde bepalingen

Art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak, luidt:

"Onkreukbaarheid

(...)

7. Medewerkers van de Rechtspraak realiseren zich dat privégedrag en het publiekelijk uiten van privémeningen het vertrouwen in de Rechtspraak kunnen schaden."

Art. 2.5.4 van de NVvR-rechterscode, luidt:

"2.5 Integriteit

(...)

2.5.4

Vanwege zijn publieke functie worden aan de rechter hoge eisen gesteld. De rechter heeft tegelijkertijd recht op een privéleven. De rechter zoekt een balans tussen de eisen die aan hem gesteld worden en zijn privéleven. De rechter zorgt ervoor dat zijn maatschappelijke activiteiten geen schade toebrengen aan een goede vervulling van zijn ambt. De rechter heeft net als ieder ander recht op zijn eigen mening. De rechter realiseert zich echter dat hij in de openbaarheid al snel als vertegenwoordiger van de rechtspraak zal worden beschouwd en dat een openbaar optreden zijn gezag als rechter en het gezag van de rechtspraak als geheel kan schaden. Hij spreekt zich daarom in elk geval niet publiekelijk uit over zaken waarover nog een rechterlijke beslissing moet worden gegeven. De rechter treedt voorts anders dan als persrechter en in wetenschappelijke publicaties alleen bij uitzondering in zijn functie naar buiten. De rechter is terughoudend bij het gebruik van sociale media en realiseert zich dat het gebruik daarvan kan leiden tot het leggen van onwenselijke verbanden."

Art. 2.1 van de (interne) Klachtenregeling van het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, luidt:

"Een ieder heeft het recht bij de procureur-generaal een klacht in te dienen over de wijze waarop het parket of een lid van het parket zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen."

5. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht en van de bevoegdheid van de Hoge Raad de klacht te onderzoeken

5.1.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht dient op de voet van art. 13a, eerste lid, RO te worden beoordeeld of de klacht betrekking heeft op de wijze waarop [betrokkene] zich "in de uitoefening van zijn functie" jegens de klaagster heeft gedragen.

5.2.

De woorden "in de uitoefening van zijn functie" moeten ruim worden opgevat als, toegespitst op het onderhavige geval, omvattende alle gedragingen jegens een klager door een lid van het parket die moeilijk los kunnen worden gezien van zijn functie van advocaat-generaal.

Een andere opvatting zou geen recht doen aan de maatschappelijke wenselijkheid dat er met het oog op het vertrouwen in de rechtspraak een instantie bestaat die onderzoek kan doen naar de behoorlijkheid in het algemeen van het publieke gedrag van rechterlijke ambtenaren. Een andere opvatting zou voorts op gespannen voet staan met het, ook in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Kamerstukken II 2008-2009, 32 021, nr. 3) naar voren gebrachte en door de Hoge Raad in eerdere uitspraken bevestigde belang dat voor burgers een volwaardige klachtprocedure bij de Hoge Raad openstaat. Daarom moet de Hoge Raad ook zijn oordeel kunnen uitspreken over gedragingen die weliswaar niet als ambtshandelingen kunnen worden aangemerkt, maar die redelijkerwijze wel met de functie van de rechterlijke ambtenaar in voldoende verband staan om nog als behorend tot de uitoefening van de functie te kunnen worden aangemerkt. De in art. 2.1 van de interne klachtenregeling opgenomen zinsnede "in een bepaalde aangelegenheid" getuigt ook van een ruime opvatting en het verband dat bestaat tussen deze interne en de externe klachtenregeling pleit eveneens tegen een beperkte uitleg.

5.3.

[betrokkene] heeft de gewraakte column geschreven als redacteur van het NJB, een gerenommeerd juridisch vakblad met een groot lezerspubliek dat niet onbekend zal zijn met de hoedanigheid van [betrokkene] als advocaat-generaal. De in die column gedane uitlatingen zijn voor een deel van juridische aard en hebben onmiskenbaar een publiek karakter. Zij kunnen dus moeilijk los worden gezien van de door [betrokkene] beklede functie van advocaat-generaal. De "uitoefening van de functie" omvat ook de naleving van de normen die zien op het publieke gedrag van de rechterlijk ambtenaar. Over de niet-naleving van deze normen, voor de inhoud waarvan art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak en art. 2.5.4 van de NVvR-rechterscode illustratief zijn, kan op de voet van art. 13a RO worden geklaagd. De omstandigheid dat [betrokkene] zijn handelen omschrijft als het uiten van een privémening staat dan ook niet aan de ontvankelijkheid van de klacht in de weg.

5.4.

De klaagster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als partij of middellijk of onmiddellijk betrokkene bij in Nederland gevoerde of te voeren procedures die op enigerlei wijze verband houden met het faillissement van Yukos Oil is te beschouwen, zodat zij voldoende belang heeft gesteld bij haar klacht over de door [betrokkene] geuite opvattingen die mede de gang van zaken met betrekking tot dat faillissement betreffen.

5.5.

Op grond van het vorenstaande valt de klacht derhalve onder het bereik van art. 13a, eerste lid, RO. De Hoge Raad is bevoegd de klacht te onderzoeken en zal daartoe op de voordracht van de Procureur-Generaal overgaan.



6. Beoordeling van de aan [betrokkene] verweten gedraging

6.1.

De klacht houdt in, kort gezegd, dat de in de column verwoorde, stellige en onevenwichtige, visie van [betrokkene] als gezaghebbend jurist op de gang van zaken betreffende de deconfiture van Yukos Oil, een voor de klaagster negatieve invloed zal hebben op de uitkomst van in Nederland aanhangige of nog te voeren procedures waarin de gang van zaken met betrekking tot dat faillissement aan de orde is of kan komen. Aldus heeft [betrokkene], naar luid van de klacht, het vertrouwen van de klaagster dat in die procedures sprake zal zijn van een eerlijke en onafhankelijke beoordeling door onpartijdige rechters geschaad, en zich daardoor onbehoorlijk gedragen als bedoeld in art. 13f, eerste lid, RO.

6.2.

In beginsel staat het een rechterlijk ambtenaar vrij om buiten de rechtszaal zijn mening te uiten over door hem relevant geachte maatschappelijke verschijnselen. Deze aan een rechterlijk ambtenaar toekomende vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. Art. 10, tweede lid, EVRM voorziet in de mogelijkheid van beperking, bijvoorbeeld indien dit noodzakelijk is om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. De betrokkene dient bij de uitoefening van zijn uitingsvrijheid rekening te houden met de invloed van zijn uitingen, in het bijzonder voor zover deze uitingen vragen kunnen doen rijzen over de invloed daarvan op het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.

6.3.

In het gewraakte 'Vooraf' heeft [betrokkene] zich in sterk opiniërende zin uitgelaten over de naar zijn mening 'punitieve' en politiek gemotiveerde belastingheffing die is opgelegd aan het Russische olieconcern Yukos Oil, waarbij hij onder meer uitspraken van het EHRM heeft besproken die naar zijn inzicht daarop betrekking hebben. Niet is gesteld of gebleken dat dit thema als zodanig voorwerp vormt van de bedoelde aanhangige of nog te voeren procedures in Nederland. De bijdrage van [betrokkene] betreft evenmin zijn visie op de concrete betekenis van (de geldigheid van) het faillissement van Yukos Oil voor rechterlijke beslissingen in de in Nederland aanhangige of nog te voeren procedures waarbij de klaagster direct of indirect is betrokken. Aldus heeft [betrokkene] zich niet rechtstreeks publiekelijk uitgelaten over de concrete juridische kwesties die zich, naar is gesteld, in deze procedures (kunnen) voordoen.

6.4.

De omstandigheid dat [betrokkene], die zijn functie als advocaat-generaal uitsluitend of in hoofdzaak uitoefent in fiscale zaken, als gezaghebbend jurist publiekelijk zijn mening geeft over of naar aanleiding van feitelijke of juridische kwesties die in enige procedure een rol (kunnen) spelen, betekent in zijn algemeenheid niet dat redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan een eerlijke en onpartijdige beoordeling door de onafhankelijke rechter die moet beslissen over de merites van de hem voorgelegde zaak waarin die kwesties aan de orde (kunnen) zijn. Daarbij geldt in het onderhavige geval dat het gaat om de gestelde invloed van diens mening op de uitkomst van een geschil in civiele procedures, waarbij moet worden beslist op basis van de stellingen en de feiten en omstandigheden die door beide partijen over en weer naar voren worden gebracht en waarover door partijen ten overstaan van de rechter wordt gedebatteerd. In zodanige procedure bestaat dus alle ruimte tegen de opvatting van [betrokkene] in te brengen wat de klaagster dienstig voorkomt.

6.5.

Er bestaat onvoldoende grond voor de veronderstelling dat de bedoelde twijfel aan een eerlijke en onpartijdige behandeling door de rechter, die uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, in het onderhavige geval gerechtvaardigd is. De aard van de op persoonlijke titel geschreven discussiebijdrage die [betrokkene] in zijn hoedanigheid van redacteur van het NJB, een tijdschrift met een wetenschappelijk karakter, heeft gepubliceerd, brengt mee dat die bijdrage door het lezerspubliek onmiskenbaar als deelname aan het vrije juridisch-wetenschappelijke discours zal worden beschouwd, waarbij diens mening niet op enigerlei wijze geldt als die van het parket of van met rechtspraak belaste ambtenaren. Dat wordt niet anders als de nadruk zou worden gelegd op de door hem tevens beklede functie van advocaat-generaal, welke functie bovendien uit haar aard geen rechtsprekende is en welke functie bovendien ook bij de directe vervulling daarvan ruimte laat voor het laten doorklinken van persoonlijke opvattingen. Aan de gewraakte opinie komt geen verder reikende strekking toe dan als tot debat prikkelende uiting van [betrokkene], die onvoldoende verband houdt met de merites van een concreet geschil waarbij de klaagster betrokken is of kan zijn. Dit persoonlijke en opiniërende karakter is voor het publiek, ook voor de rechters die mogelijk in de bedoelde procedures zouden moeten oordelen, onmiddellijk herkenbaar. Op grond van een en ander wordt aan het gezag van of het vertrouwen in de rechtspraak geen afbreuk gedaan.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande is de vrees van de klaagster dat de opinie van [betrokkene] de betreffende rechters tot een voor haar ongunstige beslissing zal brengen in procedures waarbij zij betrokken is of kan zijn, redelijkerwijs niet gerechtvaardigd.


6.6. Uit het voorgaande volgt dat het gewraakt handelen van [betrokkene] niet kan worden aangemerkt als onbehoorlijk gedrag in de zin van art. 13f, eerste lid, RO. De klacht moet dan ook ongegrond worden verklaard.

7 Beslissing


De Hoge Raad verklaart de klacht van de klaagster tegen [betrokkene] ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel en de raadsheer B.C. de Savornin Lohman, in aanwezigheid van de griffier J. Storm, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.