Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:488

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
13/06319
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:103
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift tot aanwijzing van een ander gerecht, art. 510.1 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO3669, NJ 2005/144. In het licht van doel en strekking van art. 510 Sv moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een rechterlijke ambtenaar aan wie ontslag is verleend uit zijn functie, tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een in het eerste lid van die bepaling genoemd gerecht waarvan hij voordien deel heeft uitgemaakt. Nu uit het verzoekschrift blijkt dat tegen de betrokkene de verdenking is ontstaan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en dat de betrokkene rechterlijk ambtenaar in de zin van art. 510.1 Sv is geweest, is het verzoek vatbaar voor toewijzing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 510
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/637
RvdW 2014/478
NJ 2014/486 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2014/153
SR-Updates.nl 2014-0109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 maart 2014

Strafkamer

nr. 13/06319

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie te Noord-Nederland, ingekomen bij de Hoge Raad op 19 december 2013, tot aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in art. 510, eerste lid, Sv in de zaak betreffende:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1 Het verzoek

De Hoofdofficier van Justitie heeft zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek op de voet van art. 510 Sv een Rechtbank aan te wijzen voor de vervolging en berechting van de betrokkene.

2 De conclusie van de Procureur-Generaal

De Procureur-Generaal J.W. Fokkens heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1.

Ingevolge art. 510, eerste lid, Sv wordt ingeval "een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht", op verzoekschrift van het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, door de Hoge Raad een ander gerecht van gelijke rang als het anders bevoegde aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaats hebben.

3.2.

De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om - in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een verdenking van een strafbaar feit is gerezen - al dan niet gebruik te maken van onder meer zijn bevoegdheid die ambtenaar niet te vervolgen. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen indien naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (vgl. HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3669, NJ 2005/144).

3.3.

In het licht van doel en strekking van art. 510 Sv moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend uit zijn functie, tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een in het eerste lid van die bepaling genoemd gerecht waarvan hij voordien deel heeft uitgemaakt.

3.4.

Uit de bij het verzoekschrift overgelegde stukken blijkt:

a. dat tegen de betrokkene de verdenking is ontstaan dat deze zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

b. dat de betrokkene rechterlijk ambtenaar in de zin van art. 510, eerste lid, Sv is geweest.

3.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek vatbaar is voor toewijzing.

4 Beslissing

De Hoge Raad wijst de Rechtbank Noord-Holland aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2014.