Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:440

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
12/03236
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:986, Gedeeltelijk contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9513, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:868, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Executoriale verkoop van scheepscasco’s uit hoofde van subrogatie door schuldeiser die tevens pandhouder is. Vordering tot vaststelling van verdeling executie-opbrengst tussen executant en andere schuldeiser, art. 486 lid 1 Rv. Beperkt gerechtigde wiens recht door executie tenietgaat, art. 480 Rv. Pandrecht vervallen door executie? Toepassing art. 3:248 lid 3 BW?

Teboekstelling van schip in aanbouw, uitleg art. 8:784 lid 1 BW. Definitie schip in de zin van art. 8:1 BW, inhoud en bedoeling van art. 5 lid 2 van de Overeenkomst inzake de inschrijving van binnenschepen van 25 januari 1965 en Protocol nr. 1 van 25 januari 1965 (Trb. 1966, 228); bepalingen van eenvormig privaatrecht, uitleg naar de maatstaven van art. 31 en 32 Verdrag van Wenen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 248
Burgerlijk Wetboek Boek 8
Burgerlijk Wetboek Boek 8 1
Burgerlijk Wetboek Boek 8 784
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/147 met annotatie van mr. drs. V. Tweehuysen
NJB 2014/528
RvdW 2014/407
JWB 2014/125
TvI 2014/41
S&S 2015/29
NJ 2015/192

Uitspraak

28 februari 2014

Eerste Kamer

nr. 12/03236

EE/LH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur,

t e g e n

KBC BANK N.V.,
gevestigd te Sint-Jans-Molenbeek, België,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en KBC.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 185729/HA ZA 02-2351 van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2007;

b. de arresten in de zaak 105.006.586/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 21 juni 2011, 13 maart 2012 en 1 mei 2012.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. KBC heeft deels onvoorwaardelijk, deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende deels onvoorwaardelijk, deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor KBC mede door mr. E.C. Rozeboom, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt in het principale beroep tot vernietiging en verwijzing, en in het (gedeeltelijk voorwaardelijke) incidentele beroep tot verwerping.

De advocaten van KBC hebben bij brief van 25 oktober 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) KBC heeft de bouw van 26 casco's van stalen binnenvaartschepen (hierna: de casco's) gefinancierd door kredietverstrekking aan Dutch Marine Associates B.V. te Rotterdam (hierna: DMA). DMA is eigenaar geworden van de casco's.

(ii) De casco's zijn in China gebouwd en hebben daar enige tijd in het water gedreven, voordat zij op een ponton zijn geladen om van Shanghai naar Rotterdam te worden verscheept.

(iii) Bij 26 pandaktes, gedateerd 31 mei 2000, heeft DMA de casco's verpand aan KBC tot zekerheid voor al hetgeen DMA aan KBC verschuldigd was of zou worden.

(iv) De casco's zijn per 24 juli 2000 in het schepenregister te Rotterdam teboekgesteld als binnenschip, met vermelding van DMA als eigenaar.

(v) Bij notariële akte van 24 juli 2000 heeft DMA aan KBC het recht van (eerste) hypotheek op de casco's verleend voor een vordering tot een bedrag van maximaal NLG 43 miljoen, en NLG 21,5 miljoen voor rente en kosten.

(vi) Op 29 november 2000 zijn de casco's in Nederlandse territoriale wateren gearriveerd.

(vii) Bij notariële akte van 29 november 2000 heeft DMA de casco's opnieuw verpand aan KBC, voor het geval de teboekstelling van de casco's en de op de casco's gevestigde hypotheek niet geldig zouden zijn.

(viii) [eiseres] heeft een van de casco's van DMA gekocht voor een bedrag van NLG 1,7 miljoen. Zij pretendeert een vordering te hebben op DMA wegens de niet-nakoming van deze overeenkomst.

(ix) Nadat enkele schuldeisers van DMA in december 2000 uit hoofde van een in kort geding tegen DMA verkregen vonnis beslag hadden gelegd op de casco's, heeft KBC de vorderingen van die schuldeisers op DMA voldaan en de door die schuldeisers begonnen executie voortgezet uit hoofde van subrogatie. Op 30 januari 2001 zijn de casco's, op verzoek van KBC en ten laste van DMA, elk afzonderlijk executoriaal verkocht.

(x) Op verzoek van KBC is een rechter-commissaris benoemd ter verdeling van de veilingopbrengst van NLG 32.510.000,--. De rechter-commissaris heeft KBC en [eiseres] op de voet van art. 486 lid 1 Rv verwezen naar een terechtzitting van de rechtbank.

3.2

In de onderhavige renvooiprocedure vordert KBC, samengevat en voor zover in cassatie van belang, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de vordering van KBC per 1 april 2001 € 46.272.494,44 bedraagt, inclusief rente en kosten, en KBC ter zake van haar vordering in de staat van verdeling is bevoorrecht uit hoofde van een hypotheekrecht, (een) pandrecht(en), art. 8:821 BW dan wel art. 8:827 BW.

3.3

De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de teboekstelling van de casco's rechtsgeldig was, KBC in de gelegenheid gesteld de hoogte van haar (geldig) door hypotheek gedekte vordering te bewijzen en verlof verleend om tussentijds hoger beroep in te stellen.

3.4.1

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met verbetering van gronden, de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Rotterdam, en nadien bepaald dat tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.

3.4.2

Het hof heeft in het tussenarrest van 21 juni 2011 (hierna: het eerste tussenarrest), samengevat, als volgt geoordeeld.

[eiseres] richt grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat de teboekstelling van de casco's rechtsgeldig is geschied en daarop een recht van hypotheek kon worden gevestigd (rov. 2.2). Het verdrag "Overeenkomst inzake de inschrijving van binnenschepen van 25 januari 1965" (Trb. 1966, 228), waarbij Nederland partij is, maakt voor de inschrijving (teboekstelling) van binnenschepen onderscheid tussen schepen die in aanbouw zijn en schepen die dat niet zijn. Een schip in aanbouw kan alleen worden ingeschreven in de registers van het land op het grondgebied waarvan het in aanbouw is (art. 5 lid 2 van het verdrag). (rov. 2.3) Naar louter Nederlands recht omvat het begrip schip een te water gelaten casco (art. 8:1 BW). Dat dwingt echter niet tot een interpretatie van het begrip 'afgebouwd binnenschip' in art. 8:784 lid 1 BW die afbreuk zou doen aan de inhoud en bedoeling van het verdrag, de totstandkomingsgeschiedenis van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel ter implementatie van het verdrag in 1974, die zijn overgenomen in boek 8 BW, en de normale betekenis van dat begrip. Een schip in aanbouw waarvan de bouw zo ver is gevorderd dat het de status van schip in de zin van art. 8:1 lid 1 BW krijgt, verliest, zolang het feitelijk niet is afgebouwd, niet het karakter van schip in aanbouw. (rov. 2.5-2.6) Voor te water gelaten casco’s van binnenschepen geldt derhalve wat betreft de teboekstelling het regime voor niet afgebouwde schepen. Een uit het buitenland afkomstig casco dat op Nederlands grondgebied wordt afgebouwd, kan in Nederland worden teboekgesteld. (rov. 2.8) De teboekstelling van de casco's per 24 juli 2000 heeft ingevolge art. 8:784 lid 6 BW geen rechtsgevolg, omdat de casco's van de schepen toen niet op Nederlands grondgebied in aanbouw waren. Van een geldig recht van hypotheek van KBC op de casco's is dan ook geen sprake (rov. 2.9)

Wel is ten gunste van KBC een geldig pandrecht op de casco's komen te rusten (rov. 2.10-2.29). [eiseres] betoogt dat KBC geen beslag heeft gelegd voor haar pandrechten en KBC daarom niet in de staat van verdeling batig kan worden gerangschikt (rov. 2.30). Naar voorlopig oordeel geldt hier het volgende. KBC heeft bij de executoriale verkoop en de gevolgen daarvan twee rollen, namelijk (i) de rol van executoriale beslaglegger en executant uit hoofde van subrogatie, en (ii) de rol van pandhouder die zich ten tijde van de executoriale verkoop presenteerde als hypotheekhouder. Uit de informatie bij de executoriale veilingverkoop blijkt wel van de inschrijving van het hypotheekrecht, maar niet van het pandrecht waarover de executant KBC zou beschikken. Jegens de kopers van de casco's op de veiling kan KBC haar pandrecht dan ook niet geldend maken. KBC is aldus in de onder (ii) aangeduide hoedanigheid een beperkt gerechtigde. Haar pandrecht op de casco's is door de executie vervallen. Een redelijke toepassing van art. 480 e.v. Rv noopt er althans toe om KBC met een beperkt gerechtigde als bedoeld in art. 480 Rv gelijk te stellen. (rov. 2.31) Partijen krijgen gelegenheid zich hierover uit te laten (rov. 2.32).

3.4.3

Het hof heeft in het tussenarrest van 13 maart 2013 (hierna: het tweede tussenarrest), samengevat, als volgt geoordeeld.

De stelling van KBC dat de executoriale verkoop een pandexecutie was, verdraagt zich niet met de feiten die betrekking hebben op de onderhavige executoriale veilingverkoop (rov. 2.4). Het argument van [eiseres] dat KBC als pandhouder in staat is geweest om de executie over te nemen en dat er daardoor geen reden is om art. 480 Rv op de in het eerste tussenarrest vermelde, voor KBC gunstige zin, toe te passen, miskent dat KBC praktische problemen ondervond om als hypotheekhouder de executie over te nemen, dat het te begrijpen was dat KBC zich primair op het standpunt stelde het recht van hypotheek te hebben, en dat het in die situatie, gegeven de korte geboden tijd om de executie over te nemen, begrijpelijk en te rechtvaardigen is dat KBC heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan. Daaraan doet niet af dat achteraf gezien de stellingname van KBC dat zij hypotheekrechten bezat, onjuist was. (rov. 2.5)

Nu niet is gebleken van steekhoudende bezwaren tegen de redelijke toepassing van art. 480 Rv op dit geval, maakt het hof het voorlopig oordeel in rov. 2.31 van het eerste tussenarrest tot een definitief oordeel (rov. 2.6-2.7). KBC dient te worden aangemerkt als pandhouder wiens recht door de executie is vervallen (480 Rv) (rov. 2.9).

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Het middel is in beide onderdelen gericht tegen het oordeel van het hof dat KBC in haar hoedanigheid van pandhouder gezien art. 480 Rv moet worden aangemerkt als een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen en dat KBC daarom overeenkomstig haar rang van pandhouder mag meedelen in de executieopbrengst, met voorrang dus op [eiseres], die slechts een concurrente vordering heeft. Dat oordeel berust daarop dat, nu van de pandrechten geen melding is gemaakt bij de executieverkoop, deze niet meer geldend kunnen worden gemaakt (rov. 2.31 van het eerste tussenarrest).

4.2

Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu de pandrechten op grond van art. 3:248 lid 3 BW op de casco’s zijn blijven rusten en dus niet zijn vervallen in de zin van art. 480 Rv.

4.3

Het middel faalt. Art. 3:248 lid 3 BW bepaalt dat een lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger het verpande goed slechts kan verkopen met handhaving van de hoger gerangschikte pandrechten. Deze bepaling ziet op het geval waarin sprake is van enerzijds een beslaglegger of een lager gerangschikte pandhouder en anderzijds een hoger gerangschikte pandhouder, en dus niet op het zich hier voordoende geval van een pandhouder die verkoopt als beslaglegger zonder melding te maken van zijn pandrecht. Art. 3:248 lid 3 BW is daarom niet van toepassing. Hiervan uitgaande heeft het hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat KBC bij de rangregeling dient te worden aangemerkt als een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen in de zin van art. 480 Rv.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Onderdeel 1 veronderstelt dat het hof in rov. 2.12 van het eerste tussenarrest heeft geoordeeld dat het pandrecht van 31 mei 2000 is vervallen, en richt daartegen rechts- en motiveringsklachten.

5.2

In rov. 2.10-2.29 van het eerste tussenarrest heeft het hof het geschilpunt beoordeeld of KBC pandrechten op de casco's heeft. Blijkens rov. 2.11 heeft het hof hierbij als vertrekpunt de op 29 november 2000 gevestigde pandrechten genomen. In rov. 2.12 heeft het hof overwogen:

"Voor zover KBC heeft bedoeld te stellen dat zij en DMA hebben beoogd het eerdere – bij akte van 31 mei 2000 gevestigde – pandrecht (dat in de visie van [eiseres] is komen te vervallen (…)) op 29 november 2000 ongewijzigd te handhaven voor het geval de hypotheek niet geldig zou zijn, in welk geval het eerdere pandrecht onverkort zou hebben voortbestaan, verwerpt het hof die stelling in het licht van de onder 2.11 geciteerde tekst als onvoldoende gemotiveerd."

Vervolgens heeft het hof voormeld geschilpunt verder beoordeeld aan de hand van de op 29 november 2000 gevestigde pandrechten, zoals blijkt uit de rov. 2.13, 2.15 en 2.22 van het eerste tussenarrest.

Uit het voorgaande volgt dat het hof slechts een oordeel heeft gegeven over de op 29 november 2000 gevestigde pandrechten, en niet heeft geoordeeld dat het pandrecht van 31 mei 2000 is vervallen. Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden.

5.3

Onderdeel 2 is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep slaagt. Blijkens hetgeen hiervoor in 4 is overwogen, is deze voorwaarde niet vervuld. De Hoge Raad ziet echter aanleiding nog het volgende te overwegen.

5.4

Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof dat op 24 juli 2000 niet aan de vereisten voor teboekstelling was voldaan, zodat KBC geen geldig hypotheekrecht op de casco's heeft verkregen (rov. 2.2-2.9 van het eerste tussenarrest).

5.5

Art. 8:784 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat teboekstelling van een in aanbouw zijnd binnenschip slechts mogelijk is indien het in Nederland in aanbouw is, en dat voor teboekstelling van een afgebouwd binnenschip is vereist dat de eigenaar van het schip in Nederland woont of is gevestigd. In het bestreden oordeel is dus terecht aangenomen dat de teboekstelling op 24 juli 2000 niet rechtsgeldig was, indien de casco's, die zich toen niet in Nederland bevonden (zie hiervoor in 3.1 onder (vi)), op die datum waren aan te merken als binnenschepen in aanbouw.

5.6

Als uitgangspunt heeft te gelden dat art. 8:784 lid 1 BW strekt ter uitvoering van de Overeenkomst inzake de inschrijving van binnenschepen van 25 januari 1965 en het bijbehorende Protocol nr. 1 van 25 januari 1965 (Trb. 1966, 228; hierna: het verdrag) en dat de Nederlandse wetgever niet heeft beoogd om bij de invoering van (de voorloper van) art. 8:784 lid 1 BW af te wijken van de inhoud of de bedoeling van het verdrag (zie voor de wetsgeschiedenis de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.7-3.9).

Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat het verdrag bepalingen van eenvormig privaatrecht bevat, die moeten worden uitgelegd aan de hand van de maatstaven van de art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51, en 1985, 79).

Blijkens rov. 2.4-2.6 van zijn eerste tussenarrest heeft het hof deze uitgangspunten niet miskend.

5.7

Volgens art. 5 lid 2 van het verdrag kan een schip in aanbouw alleen worden ingeschreven in de registers van het land op het grondgebied waarvan het in aanbouw is. Het verdrag onderscheidt weliswaar schepen in aanbouw van schepen die niet in aanbouw zijn, maar omschrijft deze begrippen niet nader.

Het hof heeft in rov. 2.4 van zijn eerste tussenarrest geoordeeld dat er geen grond is om een te water gelaten casco van een schip waarvan het de bedoeling is dat het verder wordt afgebouwd, in de zin van het verdrag anders dan als een in aanbouw zijnd schip aan te merken. Tegen deze uitleg van het verdrag richt het onderdeel geen klachten.

5.8

Het onderdeel betoogt echter dat de omstandigheid dat een casco drijft of reeds heeft gedreven, meebrengt dat sprake is van een afgebouwd binnenschip in de zin van art. 8:784 lid 1 BW dat zich leent voor teboekstelling. Blijkens de toelichting doet het onderdeel daartoe een beroep op art. 8:1 BW dat onder meer bepaalt dat onder schepen worden verstaan alle zaken die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven.

5.9

Dit betoog miskent dat voor het antwoord op de vraag of een te water gelaten casco van een schip voor de toepassing van art. 8:784 lid 1 BW moet worden aangemerkt als een in aanbouw zijnd binnenschip dan wel als een afgebouwd binnenschip, niet van belang is op welke wijze art. 8:1 BW het begrip schip omschrijft. Zoals hiervoor in 5.6 is overwogen, heeft de wetgever immers niet beoogd om bij de invoering van (de voorloper van) art. 8:784 lid 1 BW af te wijken van de inhoud of de bedoeling van het verdrag. Het hof heeft zich bij de toepassing van art. 8:784 lid 1 BW dus terecht laten leiden door (zijn uitleg van) de begripsbepalingen van het verdrag.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van KBC begroot op € 799,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt KBC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 28 februari 2014.