Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:400

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
13/00697
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1824, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5308, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schadevordering wegens onzorgvuldige uitvoering van overeenkomst tot taxatie van betonmixers. Bewijsaanbod. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/479
RvdW 2014/377
JWB 2014/121

Uitspraak

21 februari 2014

Eerste Kamer

nr. 13/00697

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

DEKRA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Woerden, kantoorhoudend te Uden,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Dekra.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 165846/HA ZA 07-2060 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 december 2007, 8 oktober 2008, 30 september 2009 en 6 oktober 2010;

b. het arrest in de zaak HD 200.081.273 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 augustus 2012.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Dekra heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, alsmede door mr. S.C. Polkerman, advocaat te Amsterdam, voor Dekra.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 13 december 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

(i) [A] B.V. (hierna: [A]) vervoerde in opdracht van [B] B.V. (hierna: [B]) beton in betonmixers. In verband met een wijziging van transporteur heeft [B] in 2006 een aantal betonmixers van [A] overgenomen en deze doorverkocht aan haar nieuwe transporteur, [eiseres].

(ii) Op grond van contractuele bedingen tussen [A] en [B] enerzijds en [B] en [eiseres] anderzijds diende de prijs bij beide verkopen bindend door een taxateur te worden vastgesteld.

(iii) Dekra heeft medio juni 2006 een zevental betonmixers getaxeerd. Als opdrachtgever vermelden haar taxatierapporten [A]. Feitelijk is de opdracht aan Dekra verstrekt door [betrokkene], directeur van [A].

(iv) Een e-mail namens [B] aan Dekra van 3 juli 2006 houdt onder meer in:

“Zoals telefonisch besproken wil ik zsm 4 auto 's getaxeerd hebben. (...) Deze auto's zijn vrijwel identiek aan de eerder getaxeerde 5-assige DAF voertuigen. (...) Aangezien de bovengenoemde auto 's veel minder kilometers hebben gereden (...) dan de getaxeerde voertuigen zijn wij ervan uitgegaan dat de taxatie boven de al eerder getaxeerde voertuigen lag. De kopende partij (dat ben ik weliswaar maar ik verkoop meteen weer door) was hiervan niet overtuigd, derhalve laat ik deze ook opnieuw taxeren."

(v) Dekra heeft de in deze e-mail bedoelde betonmixers begin juli 2006 getaxeerd. Als opdrachtgever vermelden de desbetreffende taxatierapporten [B].

(vi) Dekra heeft als honorarium voor de taxatie van de elf betonmixers een bedrag van € 1.350,-- ontvangen. In alle taxatierapporten van Dekra is het volgende opgenomen:

“Na oriëntatie met betrekking tot de verkoopwaarden en rekening houdend met de bijzonderheden zoals in dit rapport omschreven, taxeren wij de waarde (…) Deze taxatie geschiedt naar beste weten en kunnen, echter beoogt nimmer een waarborg te zijn voor verkoopopbrengst, wel een richtlijn.”

(vii) [B] heeft de in totaal elf betonmixers van [A] gekocht voor € 865.000,-- exclusief BTW, wat overeenkomt met de totale door Dekra getaxeerde waarde. [B] heeft de betonmixers doorverkocht aan [eiseres], volgens [B] en [eiseres] voor hetzelfde bedrag als [B] de betonmixers van [A] heeft gekocht.

(viii) In opdracht van [eiseres] heeft [C] B.V. dezelfde betonmixers op 31 juli 2006 getaxeerd. Deze taxatie geschiedde, blijkens het daarvan opgemaakte verslag, naar “Going Concernwaarde excl. BTW” en “na aftrek van aanwezige beschadigingen”. De waarde van de elf betonmixers is getaxeerd op in totaal € 570.750,-- exclusief BTW.

(ix) Vervolgens hebben [B] en [eiseres] gezamenlijk opdracht tot taxatie gegeven aan [D] B.V. Deze heeft, na inspectie op 27 november en 2 december 2006, de handelswaarde van de betonmixers getaxeerd op in totaal € 571.500,-- exclusief BTW, waarbij is getaxeerd “in verband met aanschaf van de voertuigen” en “rekening is gehouden met een tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding, waardoor belanghebbende niet vrij is om de voertuigen binnen Nederland te verkopen”.

(x) De hiervoor onder (iii) genoemde [betrokkene] heeft verklaard:

“Naar mijn mening moet het Dekra (…) duidelijk zijn geweest dat de (…) taxatie geschiedde in het kader van een verkooptransactie tussen de firma [A] B.V. en de firma [B] B.V. De taxaties zijn ook uitgevoerd in het bijzijn van vertegenwoordigers van de firma [B] B.V. ”

3.2

[B] en [eiseres] hebben bij de rechtbank een schadevergoeding van Dekra gevorderd van € 294.500,-- op de grond dat Dekra bij haar taxaties niet de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend taxateur in acht heeft genomen, waardoor de taxaties − blijkens de uitgevoerde contrataxaties − te hoog zijn uitgevallen. Dekra heeft daarom wanprestatie gepleegd jegens [B] en onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres].

3.3.1

De rechtbank heeft Dekra veroordeeld om € 150.000,-- schadevergoeding aan [eiseres] te betalen.
De vordering van [B] heeft zij afgewezen. Naar zij oordeelde, heeft Dekra in redelijkheid niet tot de door haar getaxeerde waarden kunnen komen en daarom niet als een redelijk handelend en redelijk bekwaam taxateur gehandeld. Aldus is Dekra toerekenbaar tekortgeschoten jegens haar opdrachtgevers. Haar handelen achtte de rechtbank ook onrechtmatig jegens [eiseres] en [B], voor zover laatstgenoemde niet optrad als opdrachtgever, waartoe zij onder meer overwoog:

“Dekra wist althans kon redelijkerwijs inschatten dat de opdracht tot taxatie werd gegeven in verband met een voorgenomen (ver)koop van de betonmixers. De taxateur wist of behoorde te weten dat zijn taxatie van (doorslaggevend) belang zou zijn voor bepaling van de koopprijs. Bij het verrichten van de taxaties diende de taxateur niet alleen het belang van de opdrachtgever in het oog te houden, maar tevens van degenen waarvan hij weet althans behoort te weten dat zij rechtstreeks worden getroffen door de uitkomst van de taxaties, in dit geval de verkoper en koper. (…). Het fenomeen van een directe doorverkoop, zoals in het onderhavige geval, is in de praktijk zeker niet ongebruikelijk, zodat Dekra ook de belangen van de tweede koper (in casu [eiseres]) in het oog diende te houden”.

De vordering van [B] wees de rechtbank af op de grond dat [B], als gevolg van de doorverkoop aan [eiseres], geen schade heeft geleden door de onjuiste taxaties.

3.3.2

Alleen Dekra heeft hoger beroep ingesteld van de vonnissen van de rechtbank, welk hoger beroep zij uitsluitend heeft gericht tegen [eiseres].

3.3.3

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiseres] alsnog afgewezen. Deze beslissing heeft het hof gegrond op het oordeel dat Dekra door een (mogelijk) onjuiste taxatie niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres]. Daartoe heeft het onder meer als volgt overwogen.

- Dekra wist, in elk geval na de tweede opdracht van begin juli 2006, wel dat de betonmixers door [B] zouden worden doorverkocht, maar niet dat de opvolgend koper [eiseres] zou zijn. Aan Dekra zijn ook geen mededelingen gedaan over een specifieke waarderingsgrondslag. (rov. 4.7.3, 4.7.4 en 4.7.6)

- [eiseres] mocht, gelet op een en ander, niet erop vertrouwen dat haar belangen als derde ontzien zouden worden bij de taxaties. Hierbij speelt ook nog een rol Dekra niet bekend was met eventueel voor [eiseres] dreigend nadeel en dat zij slechts in zeer geringe mate rekening kon houden met de belangen van [eiseres], nu [A] en [B] haar niet hadden ingelicht over, kort gezegd, de achtergronden van (de doorverkoop en) de taxatie. (rov. 4.7.3, 4.7.4 en 4.7.7).

3.4

Onderdeel 3 klaagt dat de vaststellingen van het hof dat Dekra niet wist dat de betonmixers zouden worden doorverkocht aan [eiseres] en dat Dekra niet was ingelicht over het feit dat de taxaties mede met het oog op die doorverkoop plaatsvonden, niet naar behoren zijn gemotiveerd. Het voert aan dat rov. 4.7.3 en 4.7.4, die erop neerkomen dat het tegendeel gesteld noch gebleken is, onbegrijpelijk zijn, nu [eiseres] heeft aangevoerd (i) dat Dekra van meet af aan is duidelijk gemaakt dat de taxaties mede plaatsvonden in het kader van de doorverkoop aan [eiseres] en (ii) dat de taxaties zijn uitgevoerd in aanwezigheid van vertegenwoordigers van [B] en [eiseres], waarbij (wederom) het doel van de taxatie, de doorverkoop, aan de orde is geweest.

Het onderdeel wijst voorts op het bewijsaanbod dat [eiseres] met betrekking tot deze stellingen heeft gedaan, door het horen van met name genoemde medewerkers van [B] en [eiseres]. Het klaagt dat het hof in elk geval niet aan dit bewijsaanbod voorbij heeft kunnen gaan.

3.5

Het onderdeel is gegrond. Rov. 4.7.3 en 4.7.4 zijn inderdaad onbegrijpelijk in het licht van de in het onderdeel aangehaalde stellingen van [eiseres]. Datzelfde geldt bijgevolg voor de op die overwegingen voortbouwende vaststellingen van het hof in rov. 4.7.6 en 4.7.7. Het hof heeft voorts niet kunnen voorbijgaan aan het in het onderdeel genoemde bewijsaanbod. Blijkens zijn eigen overwegingen is dat aanbod immers terzake dienend.

3.6

In verband met de gegrondheid van onderdeel 3 behoeft onderdeel 2 geen behandeling.

3.7

De klachten van onderdeel 1 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 augustus 2012;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden;

veroordeelt Dekra in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.215,35 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 21 februari 2014.