Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:381

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13/02084
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van (poging tot) afdreiging. Klachtvereiste a.b.i. art. 318.2 (oud) Sr. De klacht bestaat ex art. 164.1 Sv uit een aangifte met verzoek tot vervolging. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1994:ZC8448. Het Hof heeft geoordeeld dat is voldaan aan het klachtvereiste a.b.i. art. 318.2 (oud) Sr, nu ttz. onmiskenbaar is komen vast te staan dat de aangevers met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de verklaringen van de aangevers niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0084
RvdW 2014/423

Uitspraak

18 februari 2014

Strafkamer

nr. 13/02084

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 23 oktober 2012, nummer 24/001232-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal J. Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat is voldaan aan het klachtvereiste als bedoeld in art. 318, tweede lid, (oud) Sr in verbinding met art. 164, eerste lid, Sv.

2.2.

Bij het bestreden arrest heeft het Hof de verdachte tot straf veroordeeld wegens 1. "medeplegen van afdreiging" en 2. en 3. "medeplegen van poging tot afdreiging". Ingevolge art. 318, tweede lid, (oud) Sr is het misdrijf van afdreiging slechts op klacht vervolgbaar. De klacht bestaat ingevolge art. 164, eerste lid, Sv uit een aangifte met verzoek tot vervolging.

2.3.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich het volgende:

a. een proces-verbaal van aangifte van 9 september 2009, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [betrokkene 1]:

"Ik doe dan ook aangifte ter zake afpersing."

b. een proces-verbaal van aangifte van 10 september 2009, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [betrokkene 2]:

"Ik doe aangifte van poging tot afpersing c.q. afdreiging."

c. een proces-verbaal van bevindingen van 16 december 2009, opgemaakt door de opsporingsambtenaar J.H. Steenhuis, voor zover inhoudende:

"Op 9 september 2009, werd er onder BVH nummer 2009089882, door aangever [betrokkene 1] aangifte gedaan ter zake afpersing.

Op 10 september 2009, werd er onder BVH nummer 2009087619, door aangever [betrokkene 2] aangifte gedaan ter zake poging afpersing c.q. afdreiging.

In het onderzoek naar deze twee aangiftes werden meerdere verdachten aangehouden. Tijdens dit onderzoek werd gekozen om in plaats van artikel 317 Wetboek van Strafrecht (afpersing), artikel 318 Wetboek van Strafrecht (afdreiging) ten laste te leggen. In vorenstaande aangiftes werd door aangevers geen klacht gedaan c.q. opgenomen.

Teneinde aangevers hun bedoelingen bij de aangifte duidelijk te maken werden zij op 16 december 2009 bij proces-verbaal gehoord. Zij verklaarden dat zij met het doen van aangifte de bedoeling hadden, dat de verdachten vervolgd zouden worden.

Verklaringen zijn bij dit proces-verbaal gevoegd."

d. een proces-verbaal van verhoor van 16 december 2009, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [betrokkene 1]:

"Op 9 september 2009, heb ik aangifte gedaan van chantage c.q. afpersing tegen de personen die mij dreigden om gegevens, zijnde een geheim van mij bekend te maken. Ik heb deze personen geld gegeven om te voorkomen dat ze hun dreigementen, zijnde het in de openbaarheid brengen van mijn geheim, zouden uitvoeren. Ze namen vervolgens weer contact met mij op en wilden meer geld. Aangezien ik niet wist met wie ik te maken had, niet wist waartoe die mensen in staat waren en vreesde voor de veiligheid van mijn gezin en mijzelf heb ik aangifte gedaan. Met deze aangifte wilde ik bereiken dat de politie een onderzoek in zou stellen, hierbij de daders zou aanhouden en dat deze mensen vervolgens berecht zouden worden. Ik heb ondertussen al gehoord dat de verdachten in vrijheid zijn gesteld omdat er een vormfout is gemaakt. Ik begrijp van u dat er een ander strafbaar feit ten laste is gelegd en dat ik hiervoor klacht had moeten doen. Ik heb hier zelf geen verstand van. Voor mij is het heel duidelijk, ik heb aangifte gedaan om de mensen te laten vervolgen. Ik heb mij erg bedreigd gevoeld en heb daar veel problemen door. Ik verzoek u en het openbaar ministerie dan ook om toch te proberen de mensen die mij hebben afgeperst te vervolgen. Ook als het feit dat men tegen mij heeft gepleegd geen afpersing maar afdreiging is. Ik was in de veronderstelling dat mijn aangifte genoeg was. Als ik had geweten, of in kennis was gesteld, dat ik ook een klacht moest doen, had ik dat zeer zeker gedaan of doe dit alsnog. Ik begrijp van u dat de klacht termijn is verlopen en dat dit niet meer kan. Ik wil u er dan opnieuw op wijzen, dat ik met mijn aangifte de bedoeling had om de betreffende mensen te laten vervolgen."

e. een proces-verbaal van verhoor van 16 december 2009, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [betrokkene 2]:

"Op 10 september 2009 heb ik aangifte gedaan omdat iemand mij heeft geprobeerd af te persen, dan wel af te dreigen. Ik ben op 2 september 2009 thuis gekomen en op tafel lag een briefje van mijn vrouw dat ze er met de hond uit was. Op dat moment werd ik gebeld en begon men over mijn auto, dat ik een probleem had en dat men mijn geld wilde. Omdat ik niet precies wist wat men wilde en bang was dat men mogelijk iets met mijn vrouw had gedaan, ben ik direct naar buiten gegaan en heb mijn vrouw gezocht. Toen zag ik dat er met haar niets aan de hand was werd ik weer wat kalmer. Ik ben vervolgens naar de politie gegaan omdat ik het heel ernstig vond wat er was gebeurd. Men heeft er eerst een notitie van gemaakt en adviezen gegeven hoe te handelen als men weer zou bellen. In de avond werd opnieuw gebeld. De volgende dag ben ik naar het politiebureau gegaan, en later aangifte gedaan. Met deze aangifte had ik de bedoeling om de personen die geprobeerd hebben mij af te persen, dan wel af te dreigen te vervolgen. Ik hoor nu van u dat ik eigenlijk klacht had moeten doen met het verzoek om de daders te vervolgen. Ik wist hier niets van en ben daar ook niet van op de hoogte gesteld. Door aangifte te doen wilde ik dat de daders vervolgd werden en dat wil ik nu ook nog."

2.4.

Het bestreden tussenarrest van het Hof van 28 april 2010 houdt omtrent het klachtvereiste het volgende in:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Aan verdachte is onder 1, 2 3 (...) tenlastegelegd - kort gezegd - (poging) afdreiging van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (...), gepleegd in de periode van 2 tot en met 9 september 2009, in de gemeente Stadskanaal en/of te Borger.

Ingevolge artikel 318, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt het misdrijf van afdreiging niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van de behandeling in eerste aanleg van de rechtbank Groningen van 14 december 2009 aangevoerd dat een dergelijke klacht ontbreekt.

De rechtbank heeft daarop bij vonnis van 14 december 2009 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De officier van justitie is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het hof overweegt het navolgende:

Hoewel de aangiften van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (aanvankelijk) geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhouden, hoeft dit naar het oordeel van het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden wanneer vaststaat dat beide klachtgerechtigden de bedoeling hadden dat een vervolging zou worden ingesteld.

Voormelde bedoeling blijkt uit de inhoud van een tweetal processen-verbaal - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 1]

Op 9 september 2009. heb ik aangifte gedaan van chantage c.q. afpersing tegen personen die mij dreigden om gegevens, zijnde een geheim van mij, bekend te maken.

Met deze aangifte wilde ik bereiken dat de politie een onderzoek in zou stellen, hierbij de daders zou aanhouden en dat deze mensen vervolgens berecht zouden worden.

Ik heb aangifte gedaan om de mensen te laten vervolgen.

Als ik had geweten, of ik in kennis was gesteld, dat ik ook nog een klacht moest doen, had ik dat zeer zeker gedaan of doe dit alsnog.

als verklaring van [betrokkene 2]

Op 10 september 2009 heb ik aangifte gedaan omdat iemand mij heeft geprobeerd af te persen, dan wel af te dreigen.

Met deze aangifte had ik de bedoeling om de personen die geprobeerd hebben mij af te persen, dan wel af te dreigen te vervolgen. Ik wist niet dat ik een klacht had moeten doen met het verzoek om de daders te vervolgen. Door aangifte te doen wilde ik dat de daders vervolgd werden en dat wil ik nu ook nog.

Nu ter zitting van het hof onmiskenbaar is komen vast te staan dat aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden, is naar het oordeel van het hof voldaan aan het klachtvereiste als omschreven in artikel 318, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.

De formele vereisten als opgenomen in artikel 164, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zijn bij arrest van de Hoge Raad, 11 januari 1994, NJ 1994, 278, gerelativeerd. Het bestaan van een klacht kan volgens de Hoge Raad (ook) worden aangenomen in geval op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dal de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

Het hof stelt vast dat hieraan thans is voldaan.

De beslissing van de rechtbank kan daarom niet in stand blijven, en de officier van justitie kan in de vervolging van verdachte worden ontvangen."

2.5.

Indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in art. 164, eerste lid, Sv worden aangenomen, mits op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (vgl. HR 11 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278).

2.6.

Blijkens zijn hiervoor onder 2.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat is voldaan aan het klachtvereiste als omschreven in art. 318, tweede lid, (oud) Sr, nu ter terechtzitting onmiskenbaar is komen vast te staan dat de aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat de verdachte vervolgd zou worden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de hiervoor onder 2.3 sub d en e weergegeven verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet onbegrijpelijk.

2.7.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.