Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:374

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13/00543
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1202, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 552a en 552d Sv. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Verschoningsrecht. Ad 1.De Rb heeft het klaagschrift ongegrond verklaard v.zv. het beklag betrekking heeft op de inbeslagneming van "stukken vallend onder matternummer 70075299". In zoverre kan klaagster in het ingestelde beroep worden ontvangen. T.a.v. de beslissingen die de Rb m.b.t. de "stukken vallend onder matternummer 70072463" heeft genomen, is de beschikking te beschouwen als een tussenbeschikking (vgl. ECLI:NL:HR:1987:AC9669). Aangezien art. 552d Sv noch enige andere wetsbepaling voorziet in afzonderlijk cassatieberoep tegen een tussenbeschikking als i.c., kan klaagster in zoverre in het ingestelde beroep niet worden ontvangen. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2010:BJ9262. Het oordeel van de Rb dat m.b.t. de onder klaagster inbeslaggenomen stukken geen beroep kan worden gedaan op een (afgeleid) verschoningsrecht, omdat het mogelijke verschoningsrecht van mr. Y op die stukken is prijsgegeven door de voeging van die stukken in "een andere matter", zijnde een dossier onder een ander matter-nummer ten aanzien waarvan een ander dan een advocaat verantwoordelijkheid draagt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/416

Uitspraak

18 februari 2014

Strafkamer

nr. 13/00543 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Arnhem van 21 december 2012, nummer RK 12/1192op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster 7] , domicilie kiezende te Amsterdam.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben mr. N. van der Laan en mr. C.R.H. Freeke, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de klaagster partieel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep en dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover daarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard.

De raadsman en de raadsvrouwe van de klaagster hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

De Rechtbank heeft het door de klaagster op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave van de digitale bestanden die onder de klaagster in beslag zijn genomen, ongegrond verklaard voor zover het beklag betrekking heeft op de inbeslagneming van "stukken vallend onder matternummer [001]" en heeft beslist - in het kort weergegeven - dat (i) het onderzoek, voor zover betrekking hebbend op de inbeslagneming van "stukken vallend onder matternummer [002]", wordt heropend, alsmede (ii) de zaak wordt verwezen naar de Rechter-Commissaris teneinde de in de beschikking genoemde bestanden vallend onder laatstgenoemd matter-nummer te toetsen op de in de beschikking nader omschreven wijze, en voorts heeft bepaald dat iedere verdere beslissing wordt aangehouden tot de nader te bepalen raadkamerzitting.

2.2.

Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Krachtens art. 552d, tweede lid, Sv kan tegen "een beschikking ingevolge art. 552a" door het Openbaar Ministerie en door de klager beroep in cassatie worden ingesteld. Onder "een beschikking ingevolge art. 552a" is te verstaan een beschikking waarin de beklagrechter zich onbevoegd heeft verklaard tot kennisneming van het inleidend klaagschrift, de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het inleidend klaagschrift, het beklag als bedoeld in art. 552a Sv ongegrond heeft verklaard of dit beklag gegrond heeft verklaard en ingevolge het zevende lid van art. 552a Sv de daarmede overeenkomende last geeft.

2.3.

De Rechtbank heeft in de hiervoor onder 2.1 genoemde beschikking het klaagschrift ongegrond verklaard voor zover het beklag betrekking heeft op de inbeslagneming van "stukken vallend onder matternummer [001]". Voor zover het ingestelde beroep tegen die beslissing van de Rechtbank is gericht, kan de klaagster in het beroep worden ontvangen.

2.4.

Genoemde beschikking houdt met betrekking tot het beklag omtrent de "stukken vallend onder matternummer [002]" niet een beslissing van de beklagrechter in als in 2.2 bedoeld. Ten aanzien van de beslissingen die de Rechtbank met betrekking tot die stukken heeft genomen, is de beschikking te beschouwen als een tussenbeschikking (vgl. HR 20 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9669, NJ 1987/892). Aangezien art. 552d Sv noch enige andere wetsbepaling voorziet in afzonderlijk cassatieberoep tegen een tussenbeschikking als de onderhavige, kan de klaagster in het ingestelde beroep niet worden ontvangen voor zover het ingestelde beroep tegen de hier bedoelde beslissingen van de Rechtbank is gericht.

Een andere opvatting - waarbij het openstaan van beroep in cassatie tegen een tussenbeschikking afhankelijk zou zijn van het antwoord op de vraag of daarin al of niet een beslissing is vervat die, zoals in de schriftuur wordt betoogd, "gekwalificeerd dient te worden als eindbeslissing op het beklag" - zou voor de betrokken procespartijen te zeer onzekerheid scheppen of het rechtsmiddel kan worden aangewend en aldus aan de vereiste processuele duidelijkheid afbreuk doen.

2.5.

Het vierde middel en het vijfde middel kunnen derhalve in cassatie niet aan de orde komen.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op de bestanden vallend onder matter-nummer [001] het verschoningsrecht niet van toepassing is.

3.2.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"De feiten

(...) Het Openbaar Ministerie heeft een strafrechtelijk onderzoek opgestart in verband met verdenkingen van witwassen door de volgende (rechts)personen: [klaagster 1], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en de Stiftung [A].

[klager 3] is advocaat van [klaagster 1] geweest en is nog steeds de advocaat van [betrokkene 1]. [klager 3] was tot 1 januari 2011 verbonden aan het kantoor van [klaagster 2] en daarna aan het kantoor van [klaagster 4]. [klaagster 1] is na 1 januari 2011 klant gebleven bij [klaagster 2]

De werkzaamheden voor genoemde personen vonden tot 1 januari 2011 plaats in het dossier met het 'matternummer' [002] en na die datum in het dossier met het 'matternummer' [001].

Klaagster is als fiscalist verbonden aan [klaagster 2] en heeft werkzaamheden verricht in beide dossiers ('matters') van [klaagster 1] en [betrokkene 1].

In het kader van dat strafrechtelijk onderzoek hebben medewerkers van het Openbaar Ministerie en de FIOD zich begeven naar het kantoor van [klaagster 2] Aldaar heeft een doorzoeking plaatsgevonden. Deze doorzoeking heeft tevens plaatsgevonden in de werkkamer van klaagster. Onder klaagster zijn in beslag genomen diverse digitale klanten- en e-mailbestanden (volgnummer: E.1.I.1.12 op de beslaglijst). Deze digitale bestanden zijn gekopieerd op een externe schijf en liggen verzegeld ten kantore van [klaagster 2], dan wel (volgens de officier van justitie) bij de rechter-commissaris.

(...)

c. Inhoudelijke overwegingen

In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van de procedure, niet anders dan summier kan zijn.

Nu de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat van teruggave pas sprake kan zijn, indien niet is gebleken van brieven en/of geschriften welke voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben, zal de raadkamer hierna ook de (mogelijke) inhoud van de in beslag genomen documenten moeten bespreken. Tot "brieven en/of geschriften" rekent de raadkamer in het verband van deze klaagschriftprocedure ook de in beslag genomen digitale bestanden.

Op grond van artikel 96c, eerste lid, Sv, voor zover hier van belang, is de officier van justitie bevoegd ter inbeslagname elke plaats, met uitzondering van een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218, te doorzoeken.

Op grond van artikel 97, eerste lid, Sv, voor zover hier van belang, kan de officier van justitie een dergelijk kantoor doorzoeken bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat voor een doorzoeking als bedoeld in het eerste lid de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris behoeft.

Naar het oordeel van de raadkamer komt klaagster, zijnde een fiscalist, niet een zelfstandig verschoningsrecht toe.

De raadkamer overweegt voorts dat uit het proces-verbaal van doorzoeking blijkt dat nadat de officieren van justitie zich ten kantore van [klaagster 2] hebben gemeld er eerst diverse (juridisch-inhoudelijke) gesprekken zijn gevoerd. Op enig moment is een lijst overhandigd waarop te lezen was welke personen, verbonden aan [klaagster 2], aan de dossiers van de personen waarop het strafrechtelijk onderzoek ziet, hebben gewerkt. Daarbij stond de functie van de betreffende (aan [klaagster 2] verbonden) personen vermeld. Op die lijst stond klaagster en haar functie van fiscalist vermeld. Tevens werd tijdens dat gesprek duidelijk dat door [klaagster 2] onderscheid is gemaakt in het dossier, waarin ten behoeve en in opdracht van [klaagster 1] en [betrokkene 1] is gewerkt. Immers, tot 30 januari 2011 werd gewerkt onder matternummer [002] onder verantwoordelijkheid van [klager 3], zijnde advocaat. Na die datum werd gewerkt onder matternummer [001], doch alleen ten behoeve en in opdracht van [klaagster 1].

De raadkamer ziet reden onderscheid te maken tussen deze twee matternummers.

A. Ten aanzien van matternummer [001]

Na het vertrek van [klager 3] - met medeneming van [betrokkene 1] als cliënt - heeft [klaagster 2] er voor gekozen om voor de werkzaamheden ten behoeve en in opdracht van [klaagster 1] het tot dan bestaande matter-nummer te sluiten en een dossier met een nieuw matter-nummer aan te maken. Dit dossier is niet gevoerd onder (eind)verantwoordelijkheid van een andere advocaat maar - gelet op de uren die door de verschillende medewerkers van [klaagster 2] is gewerkt in dit matter-nummer - onder (eind)verantwoordelijkheid van fiscalisten. Zo heeft fiscalist [klaagster 6] veruit de meeste uren geschreven: 94,75 (waarvan er 90,75 zijn gedeclareerd). Daarnaast hebben de fiscalisten [klager 5] en klaagster 25 uren (waarvan er 24 zijn gedeclareerd) respectievelijk 15,5 uren (welke allemaal zijn gedeclareerd). De uren die advocaten in dit matternummer hebben gewerkt zijn zeer gering in verhouding tot de door voornoemde fiscalisten gewerkte uren.

Nu onvoldoende is gebleken dat aan matter-nummer [001] onder de (eind)verantwoordelijkheid van een verschoningsgerechtigde is gewerkt, kan naar het oordeel van de raadkamer niet langer gezegd worden dat het matter-nummer informatie bevat waarvan de wetenschap een verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd.

Klaagster komt daarom geen beroep op het afgeleid verschoningsrecht toe.

Het feit dat zich mogelijk - de raadkamer kan dat niet beoordelen - in dit matter-nummer stukken bevinden uit een ‘advocatuurlijk’ dossier (zijnde matter-nummer [002]), doet hieraan niet af. Immers, door het voegen van mogelijke geheimhouderstukken in een andere matter onder de verantwoordelijkheid van een niet-verschoningsgerechtigde is naar het oordeel van de raadkamer het verschoningsrecht prijsgegeven.

Gelet op het vorenstaande is de raadkamer van oordeel dat de doorzoeking bij klaagster en de inbeslagname van stukken vallend onder matter-nummer [001] rechtmatig waren. Het klaagschrift zal dan ook, voor zover betrekking hebbend op dit matter-nummer, ongegrond worden verklaard.

(...)"

3.3.

Voor de beoordeling van een beroep op het verschoningsrecht door een geheimhouder is niet doorslaggevend of de stukken waarop dat beroep ziet worden aangetroffen ten kantore van de geheimhouder zelf of bij een derde (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, NJ 2010/144).

3.4.

Het oordeel van de Rechtbank dat met betrekking tot de onder de klaagster inbeslaggenomen stukken vallend onder matter-nummer [001], geen beroep kan worden gedaan op een (afgeleid) verschoningsrecht, omdat het mogelijke verschoningsrecht van [klager 3] op die stukken is prijsgegeven door de voeging van die stukken in "een andere matter", zijnde een dossier onder een ander matter-nummer ten aanzien waarvan een ander dan een advocaat verantwoordelijkheid draagt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5.

Het middel is gegrond.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig acht waarop de bestreden beschikking, voor zover in cassatie aan de orde, ambtshalve behoort te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede en het zesde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de klaagster ontvankelijk in het beroep, voor zover dit beroep is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift "ten aanzien van de inbeslagname van stukken vallend onder matternummer [001]";

verklaart de klaagster voor het overige niet-ontvankelijk in het beroep;

vernietigt de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift "ten aanzien van de inbeslagname van stukken vallend onder matternummer [001]";

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Gelderland teneinde in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.