Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3677

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
13/05081
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2332, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:5321, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHSHE:2015:5265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrecht. Herroeping van besluit tot ontbinding BV toelaatbaar? Vereisten. Tussenkomst rechter vereist; eisen van rechtszekerheid; bescherming van derden. Overeenkomstige toepassing art. 2:19 lid 2 BW. Terugwerkende kracht herroepingsbesluit? Verplichting tot stellen van zekerheid teneinde benadeling derden te voorkomen. Te verstrekken informatie. Oproeping belanghebbenden (art. 279 lid 1 Rv).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/33 met annotatie van mr. C.J. Scholten
Ars Aequi AA20150300 met annotatie van M.J.G.C. Raaijmakers
JIN 2015/56 met annotatie van F. el Houzi
AR 2014/1007
NJB 2015/98
Ondernemingsrecht 2015/10 met annotatie van M.J. Kroeze
V-N Vandaag 2015/125
JWB 2015/10
RO 2015/15
RvdW 2015/85
RN 2015/21
AR 2015/249
V-N 2015/13.24 met annotatie van Redactie
Bb 2015/29.1
AR 2015/733
JONDR 2015/206
NJ 2015/231 met annotatie van P. van Schilfgaarde
JOR 2015/33 met annotatie van mr. C.J. Scholten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 december 2014

Eerste Kamer

nr. 13/05081

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. RODENSTAAL BALKAN d.o.o.,
gevestigd te Kladovo, Servië,

2. [verzoekster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

VERZOEKSTERS tot cassatie,

advocaat: mr. L. Kelkensberg,

t e g e n

1. KLADOVO BEHEER B.V.,

2. SCHEEPVAARTONDERNEMING RIFGAT B.V.,
beide gevestigd te Harlingen,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.

Verzoeksters zullen hierna ook afzonderlijk worden aangeduid als Rodenstaal Balkan en [verzoekster 2] en gezamenlijk als Rodenstaal c.s., en verweersters afzonderlijk als Kladovo en Rifgat en gezamenlijk als Rifgat c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 117941/HA RK 12-19 van de rechtbank Leeuwarden van 14 maart 2012;

b. de beschikkingen in de zaak 200.108.267/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2012 en 19 juli 2013.

De beschikking van het hof van 19 juli 2013 is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 19 juli 2013 hebben Rodenstaal c.s. beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Rifgat c.s. hebben verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, respectievelijk te verwerpen.

Rodenstaal c.s. hebben verzocht het beroep op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

De advocaat van Rifgat c.s. heeft bij brief van 5 september 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In 2008 is 1% van de aandelen in Rodenstaal Balkan, een vennootschap naar Servisch recht, overgedragen aan Rifgat. Het door Rifgat hiervoor verschuldigde bedrag heeft zij voldaan uit een geldlening tot een bedrag van € 5.750.000,-- die aan haar was verstrekt door [betrokkene]. Enig aandeelhouder van Rifgat was Kladovo. Bestuurder van Rifgat en Kladovo was [betrokkene].

(ii) Rodenstaal Balkan heeft een bedrag van € 675.000,-- geleend van Rifgat ten behoeve van de bouw van een scheepshal in Servië, tegen hypothecaire zekerheidstelling.

(iii) Rifgat is bij besluit van haar algemene vergadering van aandeelhouders van 21 december 2009 ontbonden. In de notulen is onder meer vermeld:

"Het volgende besluit wordt genomen:

1. De vennootschap draagt alle activa en passiva van de vennootschap voor de waarde zoals die is opgenomen in de balans per 31 december 2008 inclusief de mutaties tot en met heden, over aan [betrokkene] per 21 december 2009.

2. Het kapitaal en de reserves van de vennootschap worden per 21 december 2009 uitgekeerd aan de aandeelhouders van Kladovo Beheer B.V.

3. Omdat de vennootschap met ingang van 21 december 2009 geen baten meer heeft houdt hij vandaag op te bestaan zoals bedoeld in BW 2:19 lid 4.
[betrokkene] zal daarvan opgaaf doen bij het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

4. De bewaarder van boeken en bescheiden is [betrokkene]."

(iv) Ten tijde van het hiervoor onder (iii) genoemde besluit had Rifgat nog een aanzienlijke vordering op Rodenstaal Balkan.

(v) Aan de onderdelen 1 en 2 van het hiervoor onder (iii) genoemde besluit is geen uitvoering gegeven. In het handelsregister is per 21 december 2009 ten aanzien van Rifgat geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 21 december 2009.

(vi) De algemene vergadering van aandeelhouders van Rifgat heeft op 9 februari 2012 besloten tot herroeping van de ontbinding van Rifgat.

3.2

Rifgat heeft de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat zij het op 21 december 2009 door haar genomen ontbindingsbesluit rechtsgeldig heeft herroepen. Zij stelt daarbij belang te hebben omdat zij haar vordering op Rodenstaal Balkan en de aandelen in die vennootschap anders niet kan overdragen aan [betrokkene], aangezien een ontbonden vennootschap volgens haar naar Servisch recht niet bestaat.

De rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Het hof heeft het hoger beroep verworpen en daartoe als volgt, samengevat, overwogen.

Herroeping door een rechtspersoon van een eerder door hem genomen ontbindingsbesluit is in beginsel mogelijk als het belang van de (ontbonden) rechtspersoon dat meebrengt en derden door die herroeping niet in hun belangen worden geschaad. Met het oog op die bescherming van de belangen van derden alsook om praktische redenen dient, zolang de wetgever niet voorziet in een regeling, daarbij te worden gekozen voor controle van de herroeping door de rechter. (rov. 8)

Een ontbindingsbesluit kan slechts worden herroepen door een rechtspersoon die nog bestaat. De vraag of Rifgat nog bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 2:19 lid 5 BW, waaruit volgt dat een ontbonden rechtspersoon blijft bestaan voor zover nodig voor het vereffenen van zijn vermogen. Rifgat beschikte na haar ontbinding nog over vermogen dat niet is vereffend en is in zoverre blijven bestaan. Daarbij is voor de beoordeling niet relevant of dit voortbestaan indruist tegen de Servische openbare orde. Voor een in Nederland zetelende rechtspersoon is ten aanzien van haar (voort)bestaan slechts van belang of sprake is van schending van de Nederlandse openbare orde. (rov. 9)

De herroeping van de ontbinding mag niet tot gevolg hebben dat derden die in gerechtvaardigd vertrouwen op de ontbinding en haar gevolgen zijn afgegaan in hun belangen worden geschaad. Of hiervan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder het tijdsverloop sinds het moment van ontbinding. Er is geen grond hiervoor een vaste termijn te hanteren, ook niet als uitgangspunt, of aan te sluiten bij de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW. (rov. 10) Rodenstaal c.s. hebben als gevolg van de ontbinding van Rifgat geen voordeel gekregen in de vorm van verkregen rechten of bevrijding van schulden en zijn ook niet anderszins in een voordeliger positie komen te verkeren. Zij zijn niet in hun belangen geschaad door de herroeping van de ontbinding. (rov. 11-15)

4 Beoordeling van het belang bij het beroep

4.1

Rifgat c.s. stellen dat Rodenstaal c.s. geen belang hebben bij hun cassatieberoep en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk is. Zij voeren daartoe aan dat het middel geen klachten richt tegen het oordeel van het hof dat Rodenstaal c.s. als gevolg van de ontbinding van Rifgat geen voordeel hebben genoten in de vorm van verkregen rechten of bevrijding van schulden en ook anderszins niet in een voordeliger positie zijn komen te verkeren. Volgens Rifgat c.s. valt niet in te zien waarom Rodenstaal c.s. door het ontbindingsbesluit zouden zijn benadeeld.

4.2

Dit is een verweer ten principale dat, indien het slaagt, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot verwerping van het beroep (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2237, NJ 2012/226). Het verweer mist ook overigens doel, aangezien voor het antwoord op de vraag of Rodenstaal c.s. door de herroeping van het ontbindingsbesluit in hun belangen zijn geschaad, niet beslissend is of zij als gevolg van de ontbinding voordeel hebben genoten.

5 Beoordeling van het middel

5.1

Onderdeel I van het middel is gericht tegen het oordeel (rov. 8-10) dat herroeping van een (onvoorwaardelijk) genomen ontbindingsbesluit in beginsel mogelijk is als het belang van de (ontbonden) rechtspersoon dat meebrengt en derden door die herroeping niet in hun belangen worden geschaad. Het onderdeel betoogt dat herroeping in het geheel niet mogelijk is.

Onderdeel II van het middel betoogt dat het oordeel (rov. 10) dat geen grond bestaat voor het hanteren van een vaste termijn waarbinnen een ontbindingsbesluit dient te worden herroepen, miskent dat, indien al wordt aangenomen dat een ontbindingsbesluit kan worden herroepen, de rechtszekerheid vraagt om een (korte) vaste termijn voor herroeping.

Onderdeel III betoogt onder meer dat het oordeel (rov. 8-15) dat het ontbindingsbesluit van Rifgat kan worden herroepen, niet toereikend is gemotiveerd, gelet op de door Rodenstaal c.s. aangevoerde omstandigheden die volgens hen in dit geval aan herroeping in de weg staan.

5.2.1

Bij de beoordeling van de onderdelen wordt het volgende vooropgesteld.

5.2.2

Een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: besloten vennootschap) kan door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders worden ontbonden (art. 2:19 lid 1 BW).
De wet bepaalt niet of het ontbindingsbesluit door (de algemene vergadering van aandeelhouders van) de besloten vennootschap kan worden herroepen, en zo ja, op welke wijze. De wet sluit echter niet uit dat een besloten vennootschap terugkomt van haar ontbindingsbesluit; dat stemt ook overeen met de mogelijkheid dat zij vernietiging kan vorderen van het besluit waarbij zij is ontbonden (art. 2:15 lid 3 BW).

5.2.3

In de rechtspraak in feitelijke instanties en in de literatuur, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder respectievelijk 4.8 en 4.6, wordt in meerderheid aangenomen dat een besloten vennootschap het ontbindingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders kan herroepen, mits is voldaan aan bepaalde voorwaarden in verband met de eisen van rechtszekerheid en de bescherming van de rechten en belangen van derden. Daarbij komt naar voren dat in de rechtspraktijk niet alleen behoefte bestaat aan de mogelijkheid om een ontbindingsbesluit te herroepen, maar ook dat rechterlijke tussenkomst nodig wordt geacht om de herroeping te toetsen en te effectueren. Tevens bestaat behoefte aan de mogelijkheid om een rechterlijke uitspraak betreffende de herroeping in te schrijven in de registers waar de besloten vennootschap is ingeschreven.

5.2.4

Bij de beantwoording van de vraag of herroeping van een ontbindingsbesluit in algemene zin toelaatbaar is, komt een aanzienlijk gewicht toe aan de mogelijke gevolgen van herroeping. Dit geldt temeer nu een afzonderlijke wettelijke grondslag en procedure voor herroeping ontbreekt. Met betrekking tot die gevolgen is het volgende van belang.

Zoals is bepaald in het arrest HR 10 maart 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC1657, NJ 1995/595), gelden voor een besluit tot intrekking van een eerder besluit geen andere vereisten dan in het algemeen gelden voor besluiten van een algemene vergadering van aandeelhouders van een besloten vennootschap. Hetzelfde geldt voor een besluit tot herroeping van een ontbindingsbesluit.

De besloten vennootschap die een besluit wil herroepen waarbij zij is ontbonden, dient voorts rekening te houden met de rechten en belangen van derden. Herroeping van een ontbindingsbesluit is dus in geen geval toelaatbaar indien zij niet is omgeven met de nodige waarborgen voor de bescherming van de rechten en belangen van derden. Bovendien mag geen afbreuk worden gedaan aan de rechtszekerheid.

5.2.5

Uit het recht van de ons omringende landen blijkt dat de vraag of herroeping mogelijk is en, zo ja, onder welke voorwaarden, uiteenlopend wordt beantwoord.

5.2.6

Gezien het voorgaande zou het voor de hand liggen dat de wetgever de in dit kader van belang zijnde afwegingen en keuzes maakt. Bij de in 2012 tot stand gekomen herziening van de wettelijke bepalingen omtrent de besloten vennootschap is blijkens de parlementaire geschiedenis echter niet ter sprake gekomen of een besluit tot ontbinding van een besloten vennootschap kan worden herroepen. Hieruit valt evenwel niet af te leiden dat de wetgever herroeping ontoelaatbaar zou vinden. De mogelijkheid van herroeping is immers niet in strijd met enkele uitgangspunten van die herziening, te weten aandeelhouders meer vrijheid te geven de onderneming naar eigen inzicht en wensen vorm te geven, met voldoende waarborgen voor de belangen van andere partijen, en regels die onnodig belemmerend of ineffectief zijn, te doen vervallen (Kamerstukken II 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 3).

5.2.7

Op grond van al het vorenstaande kan herroeping van een ontbindingsbesluit door een besloten vennootschap op zichzelf toelaatbaar worden geacht. Wel moet aan herroeping de voorwaarde worden gesteld dat daardoor in de omstandigheden van het geval geen afbreuk wordt gedaan aan de eisen van rechtszekerheid en de rechten en belangen van derden. In verband hiermee kan een herroepingsbesluit pas rechtsgevolg hebben indien de rechter een daartoe strekkende uitspraak heeft gedaan.

5.3.1

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval door de herroeping van een ontbindingsbesluit geen afbreuk wordt gedaan aan de eisen van rechtszekerheid en de rechten en belangen van derden is in ieder geval het volgende van belang.

5.3.2

Een besluit tot herroeping van een ontbindingsbesluit kan niet worden genomen door een besloten vennootschap die ingevolge art. 2:19 lid 4 of lid 6 BW niet meer bestaat. Voorts dienen de voor het rechtsgeldig nemen van besluiten geldende vereisten in acht te worden genomen (vgl. het hiervoor in 5.2.4 genoemde arrest van 10 maart 1995).

5.3.3

Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, dient bij de herroeping van een ontbindingsbesluit inzicht te bestaan in de vermogenstoestand van de besloten vennootschap op de datum van ontbinding en de datum van herroeping alsmede in de ontwikkelingen in haar vermogenstoestand in de tussenliggende periode.

5.3.4

Derden mogen geen nadeel ondervinden van de herroeping. Dit kan meebrengen dat herroeping slechts toelaatbaar is indien de besloten vennootschap compensatie biedt, of met het oog op mogelijk nadeel garanties geeft of anderszins zekerheid stelt. Hierbij is mede van belang of in de periode tussen de ontbinding en de herroeping vereffeningshandelingen hebben plaatsgevonden. Herroeping heeft geen terugwerkende kracht, zodat reeds verrichte vereffeningshandelingen geldig blijven. Indien blijkt of voorzienbaar is dat derden door de gang van zaken met betrekking tot de ontbinding en de herroeping daarvan nadeel (kunnen) ondervinden, staat dat in de weg aan de herroeping, tenzij de besloten vennootschap compensatie of garanties biedt of anderszins zekerheid stelt.

5.3.5

Het besluit tot herroeping heeft eerst rechtsgevolg indien de rechter overeenkomstig art. 2:19 lid 2 BW op verzoek van de besloten vennootschap een daartoe strekkende verklaring heeft gegeven. De in kracht van gewijsde gegane uitspraak wordt met overeenkomstige toepassing van art. 2:19 lid 2 BW door de zorg van de griffier ingeschreven in de registers waar de besloten vennootschap is ingeschreven.

5.3.6

De besloten vennootschap dient de rechter in staat te stellen te beoordelen of in de omstandigheden van het geval door de herroeping geen afbreuk wordt gedaan aan de eisen van rechtszekerheid en de rechten en belangen van derden.

5.3.7

Daartoe dient de besloten vennootschap in ieder geval de informatie te verschaffen die nodig is om te beoordelen of is voldaan aan hetgeen hiervoor in 5.3.2-5.3.5 is vermeld. Hierbij past dat tevens wordt vermeld wat de reden is voor de herroeping en welk belang daarbij bestaat. Tot die informatie behoort ten minste het ontbindingsbesluit, het herroepingsbesluit, een beschrijving van hetgeen in de tussenliggende periode met betrekking tot de besloten vennootschap is geschied, en de opgave van de vermogenstoestand van de besloten vennootschap in de hiervoor in 5.3.3 vermelde zin. Tevens zal een verklaring van een accountant moeten worden overgelegd die een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent die vermogenstoestand. Ook anderszins zal de voor de beslissing relevante financiële informatie in het geding moeten worden gebracht, zoals jaarrekeningen of andere (financiële) gegevens van de ontbonden besloten vennootschap.

5.3.8

Uit de in het geding te brengen informatie zal moeten blijken dat en op welke wijze bij de herroeping is voldaan aan de hiervoor in 5.2.4 en 5.3.4 vermelde eisen, met welke derden rekening moet worden gehouden, alsmede in hoeverre na de ontbinding vereffeningshandelingen zijn verricht.

5.3.9

De rechter bepaalt wie met het oog op de behandeling van het verzoek als belanghebbenden worden opgeroepen (art. 279 lid 1 Rv). De rechter kan tevens bepalen dat en op welke wijze anderen dan de op te roepen belanghebbenden, eventueel door middel van openbare bekendmaking, moeten worden ingelicht over het ingediende verzoek.

5.4.1

Onderdeel I betoogt dat, anders dan hiervoor is overwogen, herroeping in het geheel niet mogelijk is, en faalt daarom.

5.4.2

Onderdeel II faalt eveneens. Uit hetgeen hiervoor in 5.2.2-5.3.9 is overwogen, volgt dat niet in algemene zin een termijn geldt waarbinnen herroeping van een ontbindingsbesluit van een besloten vennootschap moet plaatsvinden. De tussen het ontbindingsbesluit en het herroepingsbesluit verstreken tijdsduur kan een relevante omstandigheid zijn bij de beantwoording van de vraag of in de omstandigheden van het geval door de herroeping afbreuk wordt gedaan aan de eisen van rechtszekerheid of de rechten en belangen van derden, maar het onderdeel bevat geen daarop gerichte klachten.

5.4.3

Onderdeel III slaagt voor zover het ertoe strekt te klagen dat het hof niet heeft onderzocht of de door Rodenstaal c.s. aangevoerde argumenten (samengevat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.6) meebrengen dat in de omstandigheden van het geval door de herroeping afbreuk wordt gedaan aan de eisen van rechtszekerheid of de rechten en belangen van derden. Voor het overige behoeven de klachten van onderdeel III geen behandeling.

5.5

Na verwijzing zullen partijen desgewenst hun stellingen kunnen aanpassen naar aanleiding van hetgeen in dit arrest is overwogen.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juli 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Rifgat c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rodenstaal c.s. begroot op € 805,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 december 2014.