Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3663

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
14/05010
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2320, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bopz. Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Doorbreking rechtsmiddelenverbod. Betrokkene weigert toegevoegde raadsman. Dient rechter te onderzoeken of betrokkene andere raadsman wenst? Korte beslistermijn (art. 29 lid 3 Wet Bopz). Verplichting rechter tot verslaglegging van dit onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0390
JVGGZ 2015/1 met annotatie van W.J.A.M Dijkers
JWB 2015/7
NJB 2015/104
NJ 2015/35
RvdW 2015/89

Uitspraak

19 december 2014

Eerste Kamer

nr. 14/05010

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET LIMBURG,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/195562/BZ RK 14/1123 van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2014.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.

De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 6 november 2014 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 24 augustus 2014 heeft de burgemeester van Maastricht ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 lid 1 Wet Bopz.

(ii) Op 25 augustus 2014 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht om op de voet van art. 27 Wet Bopz een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen. Bij het verzoekschrift was onder meer een op 24 augustus 2014 door de arts in opleiding tot specialist (AIOS) [betrokkene 1] opgemaakte en ondertekende geneeskundige verklaring overgelegd, alsmede een aanvullende schriftelijke verklaring van de psychiater [betrokkene 2].

(iii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 28 augustus 2014. Zij heeft betrokkene gehoord alsmede de genoemde psychiater [betrokkene 2].

(iv) Aan betrokkene was een advocaat toegevoegd. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene bij aanvang van de mondelinge behandeling aan de rechter verklaard: “Ik wil alleen met u praten als die man de kamer verlaat, hij is namelijk geen echte advocaat”, en heeft de advocaat daarop de kamer verlaten.

3.2

De rechtbank heeft de gevraagde machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend.

3.3

Onderdeel I neemt tot uitgangspunt dat betrokkene bij aanvang van de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven geen rechtsbijstand te wensen van de advocaat die haar op de voet van art. 22 Wet Bopz was toegevoegd. Het onderdeel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank aan betrokkene heeft gevraagd of zij een andere advocaat wenste. Uit het feit dat betrokkene niet de bijstand wenste van de haar toegevoegde advocaat mocht de rechtbank niet afleiden dat betrokkene afstand deed van iedere bijstand door een advocaat, aldus de klacht.

3.4

Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open.

Onderdeel I klaagt evenwel over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald – te weten: het recht op rechtsbijstand door een raadsman die is toegevoegd in overeenstemming met de wens van de betrokkene – zodat grond bestaat voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Bopz. Betrokkene is derhalve ontvankelijk in haar cassatieberoep (vgl. HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607, en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2985, NJ 2014/472).

3.5

In zaken van vrijheidsbeneming krachtens de Wet Bopz geldt dat, indien de raadsman terugtreedt omdat zijn cliënt te kennen geeft niet meer door hem te willen worden bijgestaan, een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van art. 8 lid 3 Wet Bopz, in verbinding met het vierde lid van art. 45 Sv, meebrengt dat de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en dat de rechter in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te doen blijken (vgl. HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720, en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471).

3.6

Het vorenstaande geldt eveneens indien ten aanzien van de betrokkene is verzocht om het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. De omstandigheid dat de rechter bij de behandeling van een zodanig verzoek is gebonden aan een korte wettelijke beslistermijn (vgl. art. 29 lid 3 Wet Bopz) doet daaraan niet af.

Indien in een dergelijk geval de betrokkene verklaart dat hij geen bijstand wenst van de aan hem toegevoegde raadsman, is de rechter gehouden te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en, zo ja, of het mogelijk is om, binnen de wettelijke beslistermijn, een andere raadsman aan de betrokkene toe te voegen. Bij bevestigende beantwoording van laatstgenoemde vraag dient de rechter op de voet van art. 8 lid 3 Wet Bopz erop toe te zien dat een nieuwe raadsman aan de betrokkene wordt toegevoegd.

Indien de rechter van oordeel is dat de toevoeging van een nieuwe raadsman binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is, is hij gehouden hiervan mededeling te doen aan de betrokkene. In dat geval dient de rechter de betrokkene erop te wijzen dat zijn weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde raadsman, ertoe kan leiden dat hij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling niet door een raadsman wordt bijgestaan.

De rechter is gehouden om in zijn beschikking te doen blijken van het resultaat van vorenstaand onderzoek en, in voorkomend geval, van het standpunt van de betrokkene ten aanzien van de onmogelijkheid om tijdig een andere raadsman aan hem toe te voegen.

3.7

Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank aan betrokkene heeft gevraagd of zij toevoeging van een andere raadsman wenste. Reeds hierom kan de beschikking niet in stand blijven.

3.8

De onderdelen II en III behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2014;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 december 2014.