Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3650

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
13/05849
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1809, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:7202, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHSHE:2015:4345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Nietigheid wegens strijd met goede zeden (art. 3:40 lid 1 BW). Overeenkomst strekt tot benadeling schuldeisers. Voor nietigheid vereist dat schuldeisers daadwerkelijk worden benadeeld? Beroep op nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/60 met annotatie van prof. mr. S.C.J.J. Kortmann
TvPP 2015, afl. 2, p. 57
NJB 2015/101
JWB 2015/2
Bb 2015/11.1
RvdW 2015/137
RCR 2015/19
TvI 2015/40
NJ 2015/290

Uitspraak

19 december 2014

Eerste Kamer

nr. 13/05849

LH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes,

t e g e n

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/16/341939 / KL ZA 13-143 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 mei 2013;

b. het arrest in de zaak 200.129.171/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 oktober 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] is gehuwd geweest met de dochter van [verweerder] c.s. Het huwelijk, dat is aangegaan met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, is op 2 augustus 2012 ontbonden.

(ii) Op 31 augustus 2006, staande het huwelijk, hebben [eiser] en de dochter van [verweerder] c.s. een overeenkomst van geldlening gesloten (hierna: de overeenkomst). [eiser] treedt daarin op als geldgever en de dochter van [verweerder] c.s. als geldnemer. De overeenkomst vermeldt onder meer:

“NEMEN IN AANMERKING:

(…)

C. Geldgever wordt sedert het najaar van 2005 belaagd door crediteuren waaronder begrepen Mr. R. Frankfort zijnde de curator van Nouvolari Investments B.V. en de belastingdienst waarmee Geldgever een dispuut ter zake van de uitkering c.q. uitbetaling van zogenaamde turbo vorderingen door verschillende VPB verlies compensatie vennootschappen heeft gekregen.

D. Teneinde te voorkomen dat wederom door beslaglegging alle liquide middelen van Geldgever geblokkeerd zullen worden, zal Geldgever alle liquide middelen e.e.a. met een maximum van Euro 6.000.000,- (zegge: zes miljoen euro) die hij heeft dan wel zal gaan verkrijgen aan Geldnemer door middel van een lening ter beschikking stellen, welke Geldnemer alsdan hetzij op een bankrekening op haar naam zal stallen dan wel beleggen en of investeren op een door Geldgever aan te geven wijze;

E. Onder de opschortende voorwaarde van het feit dat Geldnemer al haar vorderingen nu en of in de toekomst aan Geldgever zal verpanden is Geldgever bereid een bedrag van maximaal EUR 6.00.000,- (zegge: zes miljoen Euro) (…) beschikbaar te maken onder de voorwaarden beschreven in deze overeenkomst;”

en

“6. Zekerheid

Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van Geldnemer ingevolge deze Overeenkomst van Geldlening en daarmee verband houdende zekerheidsdocumenten zal Geldnemer op de datum van deze Overeenkomst van Geldlening ten behoeve van Geldgever de navolgende zekerheid verstrekken welke ook geldt voor al hetgeen Geldgever van Geldnemer uit andere hoofde nu en of in de toekomst te vorderen zal hebben:

(a) een pandrecht eerste rang op vorderingen.”

(iii) In diverse procedures die tussen [eiser] en de dochter van [verweerder] c.s. zijn gevoerd, is de dochter van [verweerder] c.s., voor zover thans van belang, veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter grootte van € 370.893,36.

(iv) Eind september 2012 heeft [verweerder 1] op eigen naam en ten behoeve van zijn dochter een bankrekening bij ABN AMRO Bank geopend (hierna: de bankrekening).
De dochter is gemachtigd om van de bankrekening betalingen te doen en aan haar is een betaalpas ter beschikking gesteld. Op 5 november 2012 bedroeg het saldo € 247.544,07.

(v) Op 4 april 2013 heeft [eiser] ten laste van [verweerder] c.s. onder ABN AMRO Bank conservatoir derdenbeslag gelegd. In het verzoekschrift heeft [eiser] gesteld (a) dat hij een vordering ter grootte van € 740.893,36 op de dochter van [verweerder] c.s. heeft, (b) dat het hiervoor onder (iv) bedoelde bedrag van € 247.544,07 een vordering betreft van de dochter van [verweerder] c.s. op haar vader, (c) dat deze vordering op grond van de overeenkomst is verpand en op 6 september 2012 openbaar is gemaakt aan [verweerder 1], en (d) dat [eiser] op grond van die verpanding een vordering heeft op [verweerder] c.s.

(vi) Voordat op de bankrekening beslag was gelegd, had de dochter van [verweerder] c.s. bedragen van de rekening opgenomen tot een totaalbedrag van ten minste € 122.259,72.

3.2.1

[eiser] vordert in dit kort geding, voor zover in cassatie van belang, dat [verweerder] c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van, kort gezegd, € 247.544,07. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.

3.2.2

In hoger beroep heeft [eiser] zijn eis verminderd tot betaling van € 125.854,64. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het overwogen:

“6.6 Uit [de considerans van de overeenkomst onder C en D] blijkt onomwonden dat [eiser] geenszins de bedoeling had geld te lenen aan de dochter van [verweerder] c.s., maar dat het doel van de Overeenkomst was om zijn liquide middelen buiten het bereik van zijn schuldeisers te brengen en daarover zelf de beschikking te houden. Nu de overeenkomst ten doel had de liquide middelen van [eiser] te onttrekken aan het verhaal van zijn schuldeisers, is de Overeenkomst naar het voorlopig oordeel van het hof door haar strekking in strijd met de goede zeden en daarmee nietig op grond van artikel 3:40 lid 1 BW. Immers, door de vermelding van de reden voor het aangaan van de Overeenkomst in de considerans, waren de bedoelingen die [eiser] met de Overeenkomst had en de gevolgen die de Overeenkomst voor de schuldeisers van [eiser] zou hebben ook kenbaar voor de dochter van [verweerder] c.s.

6.7

[eiser] heeft benadrukt dat van een daadwerkelijke benadeling van crediteuren geen sprake is geweest. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft hij verklaard geen crediteuren te hebben of te hebben gehad. Wat daarvan ook zij, artikel 3:40 BW stelt de sanctie van nietigheid op een overeenkomst die naar haar strekking in strijd is met de goede zeden. Het artikel stelt niet de voorwaarde dat komt vast te staan dat er als gevolg van de overeenkomst ook daadwerkelijk benadeling van crediteuren heeft plaatsgevonden.

6.8

Nu de Overeenkomst naar het voorlopig oordeel van het hof nietig is, ontbeert ook het in die Overeenkomst opgenomen pandrecht (…) een geldige titel. Er is mitsdien nooit een geldig pandrecht gevestigd (artikel 3:239 BW en art. 3:98 BW juncto 3:84 BW).”

3.3.1

Volgens onderdeel 1 is voor het oordeel dat een rechtshandeling nietig is wegens strijd met de goede zeden op de grond dat deze strekt tot benadeling van crediteuren, vereist dat ten tijde van de rechtshandeling daadwerkelijk crediteuren zijn benadeeld, althans dat op dat moment aannemelijk is dat crediteuren daadwerkelijk worden benadeeld. Het oordeel van het hof getuigt daarom in rov. 6.7 van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.3.2

Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt daarom. Voor nietigheid van een rechtshandeling wegens strijd met de goede zeden op de grond dat deze strekt tot benadeling van schuldeisers, is niet vereist dat ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling vaststaat of aannemelijk is dat schuldeisers als gevolg van de rechtshandeling daadwerkelijk (zullen) worden benadeeld. De nietigheid vindt reeds haar grond in de door het hof vastgestelde onzedelijke strekking van de rechtshandeling, en (anders dan het geval is bij de rechtsgevolgen van paulianeus of onrechtmatig handelen) niet in de nadelige gevolgen van de rechtshandeling voor anderen.

3.4

Onderdeel 2 is daarentegen gegrond. Het klaagt terecht dat het hof is voorbijgegaan aan het beroep door [eiser] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [eiser] heeft onder meer gesteld dat [verweerder] c.s., die geen partij bij de betrokken overeenkomst zijn, “gezien alle omstandigheden en de redelijkheid en billijkheid geen beroep (zouden) mogen en kunnen doen op de strijd met de goede zeden”. Hierbij had [eiser] onder meer het oog op zijn stelling dat hij bij het sluiten van de overeenkomst geen crediteuren had of (daadwerkelijk) heeft benadeeld, en voorts dat [verweerder] c.s. zich wel aan frauduleuze benadeling van [eiser] schuldig maken. Door zonder motivering aan dit betoog voorbij te gaan heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Voor zover onderdeel 3 voortbouwt op onderdeel 2, slaagt het eveneens.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.036,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 december 2014.