Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3639

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
13/02972
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1719, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Niet opvolgen van een door een politieambtenaar gegeven vordering. Art. 2:1.2 jo. 6:1.1 APV Den Haag jo. art. 154 Gemeentewet. De tll en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 2:1.2 APV Den Haag. Overtreding van het bij dit artikel bepaalde is strafbaar gesteld in art. 6:1.1 APV Den Haag. Aldus heeft de raad van de gemeente Den Haag toepassing gegeven aan de hem in art. 154.1 Gemeentewet toegekende bevoegdheid op overtreding van deze bepaling straf te stellen. De in het middel liggende opvatting dat het feit niet als overtreding van art. 2:1.2 APV strafbaar is, omdat noch in de APV noch elders aan de politieambtenaar uitdrukkelijk de bevoegdheid is verleend om de in art. 2:1 APV Den Haag bedoelde bevelen te geven, zodat een wettelijk voorschrift ontbreekt waarop dit bevel kan zijn gegrond, is onjuist. De in art. 2:1.2 APV Den Haag vervatte bevelsbevoegdheid van de ambtenaar van politie behoeft niet afzonderlijk of uitdrukkelijk in de APV Den Haag of elders te zijn verleend. Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een APV gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van art. 184 Sr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 184
Gemeentewet
Gemeentewet 154
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0528
JG 2015/23 met annotatie van mr. C.E. Huls
RvdW 2015/101
NJB 2015/163
NJ 2015/171

Uitspraak

16 december 2014

Strafkamer

nr. 13/02972

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Den Haag van 27 mei 2013, nummer 96/188859-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring dat de verdachte geen gevolg heeft gegeven aan een door een politieambtenaar gegeven vordering geen overtreding oplevert van de ten tijde van het delict geldende Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Den Haag (hierna: APV Den Haag).

2.2.

Overeenkomstig de tenlastlegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"verdachte, te 's-Gravenhage, op 21 april 2012, geen gevolg heeft gegeven aan een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie om zijn weg te vervolgen en/of zich in de, door die ambtenaar van politie, aangewezen richting te verwijderen, zulks terwijl hij, verdachte, op of aan de weg, het Tournooiveld, aanwezig was bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden dreigden te ontstaan."

2.3.1.

De van toepassing zijnde bepalingen van de APV Den Haag, luidden ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

- artikel 2:1, tweede lid, APV Den Haag:

"Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen."

- artikel 6:1, eerste lid, APV Den Haag:

"Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde (...) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1 (...)"

2.3.2.

Art. 154 Gemeentewet luidt:

"1. De raad kan op overtreding van zijn verordeningen en van die van organen waaraan ingevolge artikel 156 verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

(...)

3. De in het eerste lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen."

2.4.1.

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 2:1, tweede lid, APV Den Haag. Overtreding van het bij dit artikel bepaalde is strafbaar gesteld in art. 6:1, eerste lid, APV Den Haag. Aldus heeft de raad van de gemeente Den Haag toepassing gegeven aan de hem in art. 154, eerste lid, Gemeentewet toegekende bevoegdheid op overtreding van deze bepaling straf te stellen.

2.4.2.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het feit niet als overtreding van art. 2:1, tweede lid, APV strafbaar is, omdat noch in de APV noch elders aan de politieambtenaar uitdrukkelijk de bevoegdheid is verleend om de in art. 2:1 APV Den Haag bedoelde bevelen te geven, zodat een wettelijk voorschrift ontbreekt waarop dit bevel kan zijn gegrond. Die opvatting is onjuist. De in art. 2:1, tweede lid, APV Den Haag vervatte bevelsbevoegdheid van de ambtenaar van politie behoeft niet afzonderlijk of uitdrukkelijk in de APV Den Haag of elders te zijn verleend.

2.4.3.

Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een Algemene Plaatselijke Verordening gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van art. 184 Sr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, Y. Buruma, N. Jörg en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2014.