Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3631

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
14/00341
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2297, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opzetheling, art. 416 Sr. Slagende bewijsklacht. In aanmerking genomen dat het Hof, “in het midden latend wie de ringen in de tas heeft gestopt”, de mogelijkheid heeft opengelaten dat de in verdachtes tas aangetroffen ringen door een ander dan verdachte in de tas zijn gestopt en mede gelet op het gevoerde verweer, is ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat verdachte niet wist van de aanwezigheid van de ringen in zijn tas niet zonder meer begrijpelijk. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0538
RvdW 2015/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 december 2014

Strafkamer

nr. 14/00341

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 december 2013, nummer 21/001486-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde, in het bijzonder met betrekking tot verdachtes wetenschap dat de desbetreffende goederen door misdrijf waren verkregen.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 02 februari 2010 tot en met 2 maart 2010 te Bergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad ringen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist, dat deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf waren verkregen."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.

3.2.3.

Het Hof heeft een met betrekking tot de tenlastegelegde wetenschap van de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat verdachte van de heling van de ringen vrijgesproken moet worden, omdat niet uitgesloten kan worden dat de in de Converse tas aangetroffen ringen toebehoorden aan de andere jongen die ook in de woning aanwezig was geweest. De ringen waren goed verstopt en niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de ringen en de vindplaats ervan.

Het hof overweegt als volgt.

De politie heeft in de woning in Bergen (Limburg) onder andere een zwarte tas van het merk Converse aangetroffen. In die tas zat een geprepareerde tas met daarin twee ringen en een vernielde beveiligingslabel. Aan de ringen zaten nog prijskaartjes. Uit onderzoek blijkt dat deze ringen zijn gestolen bij een juwelier in Nijmegen op 2 februari 2010. Tijdens een verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij een keer zijn zwarte tas van het merk All Stars in de woning in Bergen (waar hij met zijn familie geruime tijd heeft gewoond) had laten liggen. Het is het hof bekend dat de merknaam Converse gerelateerd is aan de merknaam All Stars en dat dit één en hetzelfde merk betreft. Beide namen worden in het dagelijkse spraakgebruik door elkaar en los van elkaar gebruikt. Hieruit leidt het hof af dat de in de woning aangetroffen zwarte tas van het merk Converse dezelfde zwarte tas moet zijn waarover verdachte heeft verklaard en die aan hem toebehoorde. Bovendien werd in deze tas tevens een bewijs van afgifte van de gemeente Nijmegen ten name van verdachte gedateerd 18 februari 2010 aangetroffen. In het midden latend wie de ringen in de tas heeft gestopt, acht het hof het niet aannemelijk, mede gelet op de wijze van verpakking van de ringen, dat verdachte niet wist wat er zich in zijn tas bevond. Dit verweer van de raadsvrouw wordt eveneens verworpen."

3.3.

In aanmerking genomen dat het Hof, "[i]n het midden latend wie de ringen in de tas heeft gestopt", de mogelijkheid heeft opengelaten dat de in verdachtes tas aangetroffen ringen door een ander dan de verdachte in de tas zijn gestopt en mede gelet op het gevoerde verweer, is 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat de verdachte niet wist van de aanwezigheid van de ringen in zijn tas niet zonder meer begrijpelijk. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2014.