Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3620

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13/04393
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2287, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:3424, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v. roekeloosheid, art. 6 en 175 WVW 1994. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. Het Hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als in deze overwegingen bedoeld. V.zv. het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat verdachte ‘roekeloos’ i.d.z.v. art. 6 jo. art. 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van verdachte, welk samenstel eruit bestaat dat verdachte, kort gezegd, als bestuurder van een motorrijtuig, nadat hij met een andere bestuurder, te midden van medeweggebruikers, in een wedstrijdachtige achtervolging verwikkeld was geraakt, over langere afstand met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur heeft gereden en hij, bekend met de situatie ter plaatse, vervolgens met onverminderde snelheid door rood licht een kruispunt is opgereden. Aldus heeft het Hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0522
JIN 2015/18 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
JWR 2015/2
RvdW 2015/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 december 2014

Strafkamer

nr. 13/04393

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 augustus 2013, nummer 22/001246-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.M.H.R. Garé, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 04 juli 2012 te Capelle aan den IJssel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Hoofdweg, welk roekeloos rijgedrag hierin bestond dat hij, verdachte, toen daar,

- met een zeer hoge snelheid, te weten (minimaal) 102 km/u heeft gereden en

- vervolgens met voornoemde snelheid een de middels verkeerslichten gecontroleerde kruising met de Molenbaan is genaderd en is blijven naderen en terwijl bovendien zijn, verdachtes, zicht op (zich op/nabij) die kruising bevindende personen (deels) werd belemmerd door een op de naast verdachtes rijstrook gelegen rijstrook stilstaande personenauto en

- vervolgens bij die kruising het voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemde, rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd,

waarna de auto van verdachte vervolgens op de kruising van de Hoofdweg en de Molenbaan in botsing is gekomen met de aldaar met voor zijn rijrichting groen licht met de fiets overstekende [slachtoffer],

ten gevolge waarvan [slachtoffer] werd gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 augustus 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik zag [getuige 1] (het hof begrijpt: de getuige [getuige 1]) al voordat ik op de Hoofdweg de Laan van Avant-Garde kruiste. Toen ik mij op de tweede rotonde bevond, was hij halverwege tussen de eerste en de tweede rotonde. [getuige 1] kwam dichterbij en ik heb mij op laten jagen en ben harder gaan rijden. De Hoofdweg verloopt slingerend op het stuk tussen de Laan van Avant-Garde en de Schollevaartse Dreef. U toont mij een plattegrond van de situatie ter plaatse, waarop te zien is dat op de Hoofdweg een rotonde heeft ter hoogte van de Laan van Avant-Garde, daarna een kruispunt met de Schollevaartse Dreef en vervolgens een kruispunt met de Molenbaan. Ik wijs u op de plattegrond aan op welke plek ik me bevond toen ik harder ging rijden (opmerking griffier: de voorzitter tekent een blauw kruis op de plek die de verdachte op de plattegrond aanwijst). Voorafgaand aan die plek heb ik mij op laten jagen. De weg gaat op de door mij aangewezen plek over in een rijbaan met twee rijstroken. Ik wijs u op de plattegrond aan waar ik me bevond toen ik [getuige 1] vaart zag minderen. Dat was ongeveer ter hoogte van de kruising van de Hoofdweg met de Schollevaartse Dreef. Ik denk dat hij vaart minderde omdat we de kruising naderden. Bij mijn weten stond het verkeerslicht op de kruising met de Schollevaartse Dreef op groen, maar misschien was het wel oranje. Net voorbij de kruising met de Schollevaartse Dreef zag ik in de verte het verkeerslicht op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan. Rechts voor mij reed een auto. Vlak na de kruising met de Schollevaartse Dreef ben ik van de rechterrijstrook op de linkerrijstrook gaan rijden. Ik reed veel te hard. De omstandigheden waren goed: het was droog, ik had goed zicht, er was weinig verkeer en ik kende de weg. Er is een oversteekplaats op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan.

Nadat ik de fietser had geraakt, ben ik gaan remmen. Ik heb als beginnend bestuurder in korte tijd veel kilometers gemaakt. Ik kan het verschil in snelheid op dat soort wegen op het gehoor inschatten. Ik hoor de oudste raadsheer zeggen dat het haar bevreemdt dat ik zeg dat ik te hard heb gereden, maar dat ik mijn rijgedrag niet als risicovol omschrijf. Het was niet onverantwoord. Ik probeer enkel mijn foute inschatting uit te leggen. Op het moment dat ik de fietser zag, bevond zich rechts van mij op de rechterrijstrook een auto.

2. de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 februari 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op 4 juli 2012 reed ik als bestuurder in een zwarte Alfa Romeo (het hof begrijpt: een motorrijtuig) op de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel. Het eerste stuk reed ik in normaal tempo en daarna een stuk sneller dan normaal. Na de Laan van Avant-Garde reed ik harder dan 50 kilometer per uur. Ik kwam bij de stoplichten bij de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan. Ik ben zonder af te remmen of vaart te verminderen doorgereden. Ik heb de fietser aangereden.

Op het moment dat de weg van een éénbaans- naar een tweebaansweg (het hof leest: van één naar twee rijstroken) ging ben ik harder gaan rijden. Ik rijd daar vaker en ik ken de verkeerssituatie daar. Ik weet dat daar een oversteekplaats voor fietsers is. Ik ben na de kruising van de Schollevaartse Dreef met de Hoofdweg van de rechter rijbaan naar de linkerrijbaan (het hof leest: van de rechterrijstrook naar de linkerrijstrook) gegaan omdat ik een auto voor mij zag. Ik ben vanuit de sportschool in de auto gestapt. Ik reed regelmatig die route.

3. de verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 augustus 2013, voor zover thans van belang inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik stond te wachten voor het verkeerslicht alvorens het ongeluk gebeurde. Het verkeerslicht was rood. De auto's aan de overkant van de kruising stonden ook stil. Ik heb de fietser bewust zien wachten voor zijn verkeerslicht.

4. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 20122397928-23, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 5 juli 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik kwam voorafgaand aan het verkeersongeval van de sportschool. Ik doe daar allerlei sporten. Ik train altijd zwaar.

Ik heb mijn rijbewijs bijna twee jaar. Ik denk dat ik ongeveer 20.000 kilometer per jaar rij.

Ik rijd nu drie weken regelmatig, dagelijks, op de Hoofdweg, ook dagelijks in de avonduren. Ik rijd dan de route van huis naar de sportschool en weer terug. Het was op de dag van het ongeval normaal weer, het had niet geregend, naar mijn weten was de weg droog. Ik ken [getuige 1] (het hof begrijpt: de getuige [getuige 1]) van de sportschool.

De maximum snelheid op de Hoofdweg is 50 km per uur.

5. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 20122397928-83, d.d. 18 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 18 september 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:

U vraagt mij hoe mijn uitzicht was op de ongevalskruising. Die auto reed heel dicht rechts voor me, dus dat ontneemt een stukje zicht voor mij. De kant waar de fietser vandaan kwam.

6. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 20122397928-11, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:

Overledene: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1989.

Datum/tijd vinden: woensdag 4 juli 2012 te 21:47 uur

Locatie overlijden: Hoofdweg ter hoogte van nummer 150, 2908 LC Capelle aan den IJssel. [slachtoffer] is betrokken bij een verkeersongeval. Hij is ter plaatse aan het letsel opgelopen bij deze aanrijding overleden.

7. een geschrift, te weten een Verslag als artikel 10 der Wet op de Lijkbezorging betreffende [slachtoffer] d.d. 4 juli 2012, opgemaakt door L.C. Los, forensisch geneeskundige, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De ondergetekende, L.C. Los, gemeentelijk lijkschouwer, verklaart gedurende de laatste twee jaren geen verlos-, heel- of geneeskundige raad of bijstand te hebben verleend aan [slachtoffer], geboren:

[geboortedatum] 1989.

Ondergetekende L.C. Los, verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd, verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

De nek en de achterzijde van de schedel lijken gebroken. Op het voorhoofd links is een grote wond te zien. Iets meer naar achteren op het behaarde hoofd is eveneens een grote wond te zien. Hier is tevens de schedel gebroken. Uit het rechteroor komt bloed, past bij een schedelbasisfractuur. De neus is gebroken. De linkerschouder en ribben links zijn gebroken.

Het bekken links, het bovenbeen links en de linkerknie zijn gebroken. Tevens wond in de linkerflank door de trauma arts gemaakt, hieruit komt veel bloed en hieronder een wond tot in de onderhuid. Aan de linker bovenarm is een grote open wond te zien met uitstekend bot, de elleboog is eveneens gebroken.

Aard en oorzaak dood/conclusie: Niet natuurlijk overlijden, inwendig schedel- en borstkasletsel en meerdere botbreuken met veel bloedverlies na verkeersongeval.

8. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, afdeling verkeerspolitie, bureau technische- en ongevallendienst, nummer 2012 397928-15, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die opsporingsambtenaren:

Wij stelden op 4 juli 2012 een onderzoek in naar de toedracht van het navolgende verkeersongeval.

Beknopte aanrijdingbeschrijving/Voorlopige hypothese

De aanrijding vond die dag, omstreeks 21:21 uur, plaats op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg met de oostelijk van de kruising met de Molenbaan gelegen fiets/bromfietsoversteekplaats te Capelle aan den IJssel. Bij de aanrijding waren een personenauto en een fietser betrokken.

De personenauto zou op de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg hebben gereden, komende vanuit de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel en gaande in die van de Capelseweg. De fietser zou op de fiets/bromfietsoversteekplaats hebben gereden, welke oostelijk van de T-kruising met de Molenbaan is aangelegd. De fietser zou vanuit de richting van de Molenbaan de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg zijn overgestoken in de richting van de zuidelijke parallelrijbaan van de Hoofdweg. Op de fiets/bromfietsoversteekplaats zou de overstekende fietser aan zijn linkerzijde door de linkervoorzijde van de personenauto zijn aangereden. De T-kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan word door middel van een verkeersregelinstallatie geregeld. Volgens getuigen zou de bestuurder van de personenauto met zeer hoge snelheid door het voor hem bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht zijn gereden. De fietser overleed op de plaats van de aanrijding.

Wegomschrijving

De Hoofdweg vormt ter plaatse van de aanrijding globaal een oost - west verbinding tussen de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel en de Capelseweg te Capelle aan den IJssel. Deze weg is ter plaatse van de aanrijding in een primaire en een secundaire rijbaan verdeeld. De primaire rijbaan is middels een middenberm verdeeld in een noordelijke en zuidelijke rijbaan. Beide rijbanen bestaan uit twee rijstroken. Voor de T-kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan bestaat de noordelijke rijbaan uit drie voorsorteerstroken. De twee linkervoorsorteerstroken zijn bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer. De rechtervoorsorteerstrook is bestemd voor rechtsafslaand verkeer in de richting van de Molenbaan. Conform de diverse rijrichtingen waren witte rijstrookpijlen op het wegdek aangebracht. Zuidelijk van de hoofdrijbaan van de Hoofdweg is een secundaire rijbaan aangelegd. Noordelijk van de rijbaan is een middels een grasberm van de rijbaan afgescheiden fiets/bromfietspad aangelegd, bestemd voor fiets/bromfietsverkeer in beide richtingen. Het fiets/bromfietspad is aangeduid met bord G12a van Bijlage 1 van het RW 1990. Aan beide zijden van de Hoofdweg zijn verder achtereenvolgens trottoirs, grasbermen en industriële bebouwing aangelegd. Oostelijk van de T-kruising van de Molenbaan met de Hoofdweg zijn voetgangers- en fiets/bromfietsoversteekplaatsen aangelegd. De fiets/bromfietsoversteekplaats is bestemd voor overstekend fiets/bromfietsverkeer in beide richtingen. Ter plaatse van de aanrijding is de kruising van de fiets/bromfietsoversteekplaats met de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg zonder uitzicht belemmerende obstakels. De toegestane maximumsnelheid is ter plaatse 50 km/uur voor motorvoertuigen. Alle genoemde wegen dan wel weggedeelten zijn of maken deel uit van voor het openbaar verkeer openstaande wegen en zijn gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Capelle aan den IJssel.

Omstandigheden

Lichtgesteldheid: daglicht

Wegverlichting: aanwezig, doch niet ontstoken

Weersgesteldheid: droog

Toestand wegdek: schoon en droog

Hof: Het is een feit van algemene bekendheid dat de maximum toegestane snelheid binnen de bebouwde kom, nimmer hoger is dan 50 km/uur.

9. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, nummer 2012.09.24.162, d.d. 21 december 2012, opgemaakt door ing. K.M. Hagendoorn, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Vraagstelling.

Op het onderzoeks-aanvraagformulier is de vraag als volgt omschreven: Wat was de gereden snelheid van de Alfa Romeo tijdens de aanrijding. Op 16 oktober 2012 hebben ir. A.C.E. Spek en ondergetekende de Alfa Romeo en de Koga Miyata fiets van het ongeval onderzocht in de onderzoekslocatie van de Technische- en ongevallendienst (TOD) Rotterdam-Rijnmond. Bij dit (voor)onderzoek is een inschatting gemaakt van de kenmerken van de schades die als criteria kunnen gelden bij de botsproeven. Uiteindelijk zijn (inclusief een mislukte proef) vijf botsproeven verricht.

Schade aan de Alfa Romeo en de fiets.

De schade aan de Alfa Romeo is zeer specifiek en geeft daarmee een goed referentiemiddel voor vergelijking met de botsproeven. De Alfa Romeo heeft schade aan het front, de motorkap, het linker wielscherm de dakrand en de linker raamstijl. De fiets heeft specifieke beschadigingen (breuken) aan het frame. Om eventuele invloeden van de materiaalstijfheid van de fiets op het verloop van de botsproeven te voorkomen is gekozen voor gebruik van fietsen van het zelfde merk (Koga Miyata) met een identiek frame.

De politie heeft een schade-inpassing verricht van de fiets en de Alfa Romeo, op grond van specifieke schadekenmerken. Uit deze schade-inpassing kan worden afgeleid dat de fiets op het moment van de botsing zich (nagenoeg) geheel voor de auto bevond. Alhoewel een deel van het voorwiel van de fiets 'voorbij' de auto is kan deze configuratie aangemerkt worden als een (bijna) maximale overlap. Het grootste deel van de fiets en het gehele slachtoffer bevonden zich direct voor de auto op het moment van de botsing; het betrof hier (dus) geen schampende botsing. De schade aan het linker wielscherm is toe te wijzen aan een been van het slachtoffer. De schade aan de motorkap is toe te wijzen aan het onderlichaam en/of romp van het slachtoffer en de dakrand en linker raamstijl aan het bovenlichaam of hoofd van het slachtoffer.

De fiets heeft specifieke afdrukken achtergelaten op het front van de Alfa Romeo. Dit zijn afdrukken van de linker trapper en met name de boutkop van de zadelklem in het frame van de fiets. Deze laatstgenoemde boutkop had een afdruk achtergelaten in de motorkap waarmee een zeer nauwkeurige botsconfiguratie voor de botsproeven kon worden ingesteld. Bij de schade-inpassing werd duidelijk dat de schades aan het linker voorscherm van de Alfa Romeo, de motorkap, de raam/deurstij1 en de dakrand hoofdzakelijk werden veroorzaakt door de botsing met het slachtoffer. De schade aan het front van de Alfa Romeo als gevolg van het eerste botscontact is bij de analyse gebruikt als het maatgevende criterium voor de snelheid.

Conclusie.

De snelheid van de Alfa Romeo was ten minste 102 km/u op het moment dat deze botste tegen een fietser. Deze conclusie is op grond van de interpretatie van de ongevalssporen en vijf op dit ongeval toegespitste botsproeven.

10. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, afdeling verkeerspolitie, bureau technische- en ongevallendienst, nummer 2012 397928-24, d.d. 18 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die opsporingsambtenaar:

Ik, verbalisant voornoemd, als verkeersongevallenanalist werkzaam bij de afdeling Verkeerspolitie, bureau Technische- en Ongevallendienst van politie Rotterdam-Rijnmond, verklaar het volgende. Ik stelde een onderzoek in, naar de werking van de verkeersregelinstallatie op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan te Capelle aan den IJssel, naar aanleiding van een verkeersongeval dat op 4 juli 2012 omstreeks 21.21 uur op die kruising had plaatsgevonden.

Conclusie:

Gelet op vorenstaande kan gesteld worden, dat

- De verkeerslichtinstallatie ten tijde van de aanrijding in werking was en er geen sprake was van storingen.

- De verkeerslichtinstallatie voldoet aan de NEN 3384 norm.

- De bestuurder van de Alfa heeft gereden op fase 2 en de bestuurder van de fiets heeft gereden op fase 82.

- Uit de conflictenmatrix blijkt dat de genoemde fasen 2 en 82 conflicterend zijn.

- Door een elektronische beveiliging kunnen conflicterende fasen nooit gelijk groen en/of geel licht vertonen.

- Na onderzoek ter plaatse en de uitgevoerde berekeningen blijkt, dat het niet mogelijk is dat beide bestuurders bij groen licht de kruising opgereden zijn.

- Het niet mogelijk is dat de bestuurders van de Alfa en de fiets zich tegelijkertijd op het conflictvlak hebben bevonden, zonder dat één van de bestuurders het in zijn richting gekeerde en voor zijn rijrichting bedoelde verkeerslicht, dat rood licht uitstraalde, heeft genegeerd.

- Naar aanleiding van de verklaring van getuige [getuige 2], het aannemelijk is dat de bestuurder van de fiets voor rood licht heeft stilgestaan en bij groen licht, vanuit stilstand is opgetrokken.

- Het zeer waarschijnlijk is dat de bestuurder van de Alfa, bij het oprijden van de kruising, het voor hem bestemde en in zijn richting gekeerde verkeerslicht (fase2), dat rood licht uitstraalde, heeft genegeerd.

11. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-21, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 5 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Op woensdag 4 juli 2012 reed ik op de Hoofdweg. Op de Hoofdweg naderde ik een verkeerslicht wat staat op de kruising Hoofdweg met de Molenbaan. Ik stopte voor het rode licht. Ik stond als enige voor het verkeerslicht stil. Rechts en links van mij stond niemand. Links van mij was ook een rijstrook voor rechtdoor en rechts van mij was een rijstrook voor rechtsaf. Ik stond dus stil en zag dat rechts van mij op het fietspad een jongeman stilstond. Ik stond even stil en zat wat onderuit in mijn auto naar voren te kijken. Ik zag toen dat de fietser netjes stond te wachten en na een tijdje, hoelang dat heeft geduurd weet ik zo niet, zag ik dat de fietser ging fietsen om de Hoofdweg over te steken. Ik zag dat hij middels het fietspad ging oversteken. Ik hoorde toen de fietser bijna voor mijn auto langs was gefietst een soort van hoog toerengeluid, net zoals van de formule 1 als die voorbij rijden. Het geluid was hoog en ik reageerde daarop door naar links te kijken. Ik keek naar links over mijn linker schouder en zag iets voorbij flitsen op de linker rijstrook naast mij. Daarna draaide ik automatisch mijn hoofd weer naar rechts en keek naar voren en zag toen in een flits dat de auto met volle snelheid met de voorzijde van die auto de toen overstekende fietser schepte. Ik zag toen dat de fietser door de klap hoog als een pop door de lucht vloog, waarbij hij wel 4 keer ronddraaide in de lucht met gespreide armen en benen. Ik zag de fietser net over het kruispunt weer op het wegdek viel.

12. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-63, d.d. 23 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 23 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 3]:

Ik kan u verklaren dat ik op 4 juli 2012 omstreeks 21.20 uur zag dat het voor mij geldende verkeerslicht op de Hoofdweg in de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel rood licht was. Ik was toen nog ongeveer 50 meter van de stopstreep verwijderd. Ik wilde mijn auto laten uitrollen tot de stopstreep. Mijn auto was aan het uitrollen toen ik vanaf de overzijde op de tegemoet komende rijbaan zag dat een fietser werd aangereden door een auto. De fietser fietste vanaf de Molenbaan op het fietspad. Ik was op dat moment ongeveer 30 meter voor de stopstreep. Ik zag toen dat het voor mij geldende verkeerslicht nog rood was. Toen ik de fietser links van mij op het wegdek van tegemoet komend verkeer zag vallen was ik nog ongeveer 5 tot 7 meter voor de stopstreep en het toen nog rode verkeerslicht. Ik weet dat er voor de verkeerslichten uit tegenover gestelde richting een auto stilstond. Ik zag uit tegen gestelde richting een zwarte Alfa Romeo aan komen rijden. Ik weet mij nu te herinneren dat toen die zwarte Alfa die stilstaande auto links inhaalde dat daarna de fietser, die op de fietsoversteekplaats fietste, werd aangereden door die Alfa.

13. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-63, d.d. 23 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 23 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 4]:

Ik kwam vanaf Rotterdam en wilde richting Nieuwerkerk aan den IJssel. Ik had een aantal verkeerslichten gehad die steeds op groen sprongen toen ik kwam aanrijden. Tot ik de ongevalskruising naderde en dat verkeerslicht niet op groen sprong. Dat gebeurde niet en toen moest ik remmen. Ik kwam aanrijden met rood, vertraagde en bleef naar het verkeerslicht kijken. Toen zag ik plots iets heel hoog door de lucht cirkelen. Ik heb constant rood licht gehad, tot en met het moment dat ik iets door de lucht zag cirkelen. Ik reed op de meest rechts gelegen rijstrook voor rechtdoor. Ik was de enige en voorste auto op dat moment, achter mij reden wel andere auto's. Ik zag eerst iets door de lucht cirkelen. Ik wist dat het een mens was.

14. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-65, d.d. 24 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 24 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 5]:

Verbalisant: Op 4 juli 2012 heeft er een aanrijding plaatsgevonden op de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel. U bent getuige geweest van het ongeval en als zodanig wordt u gehoord.

V: waar bevond u zich tijdens het ongeval?

A: Ik reed richting Nieuwerkerk aan den IJssel.

V: Wat heeft u exact gezien?

A: Ik reed op de kruising met de Molenbaan af. Ik zag dat het verkeerslicht op rood stond. Aangezien ik dit uit de verte zag ben ik langzaam gaan afremmen. Het was vrij druk bij de kruising. Ik zag dat er aan de zijde van de sportschool op de Molenbaan auto's voor linksaf en rechtsaf voorgesorteerd stonden. Ik zag dat er fietsers stonden bij de fietsers oversteekplaats. Ik zag aan de overzijde op de rechterrijstrook voor rechtdoor één of twee auto's staan. Vervolgens zie ik een jongen fietsen. Ik zag de jongen pas bij het middenstukje. Het gebeurde echt in een fractie van een seconde. Ik zie in een flits een auto aankomen en tegen de jongen aanrijden. Ik zie de jongen vervolgens door de lucht vliegen.

15. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-20, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 4 juli 2012 afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Op woensdag 4 juli 2012 ging ik kickboksen bij de sportschool in Nieuwerkerk aan den IJssel. Ik ben met mijn auto, een Fiat, naar huis gereden. Op de Hoofdweg reed [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) voor mij. Hij reed in een zwarte Alfa Romeo. Ik reed vlak achter ze, ik kwam van de rotonde. Daarna gaf [verdachte] gas en gaf ik ook gas. Ik reed achter hem aan. We hebben wel harder gereden dan de 50. Na de Laan van Avant-Garde, dat was bij die bochtjes. Misschien dat ik daarna de 90 kilometer per uur heb aangetikt. [verdachte] liep wel op me uit. Hij reed inderdaad harder. Vanaf de kruising met de Schollevaartse Dreef was er een baan voor rechtsaf, één baan voor linksaf en twee voor rechtdoor. Ik zag dat [verdachte] voor me reed en dat de kruising vrij was. Ik zag dat het verkeerslicht op oranje ging. Ik zag dat [verdachte] doorreed, die was net op tijd. Na de kruising heb ik gelijk afgeremd omdat ik zag dat de verkeerslichten bij de volgende kruising op rood stonden. We reden 80 à 90 kilometer per uur over de kruising met de Schollevaartse Dreef. [verdachte] liep op me uit. Ik heb me laten kennen. Ik probeerde met hem mee te komen denk ik. Na de kruising met de Schollevaartse Dreef, haakte ik toch nog af. [verdachte] was ver, boven de 50 meter, voor me vandaan, het had geen zin. En ik zag dat de verkeerslichten bij de kruising Molenlaan op rood stonden en dat er een grijze Mercedes voorgesorteerd aan de rechterkant stond te wachten voor rood licht. Ik dacht: zou hij die ook nog gaan pakken? Er staat al een auto voor rood. Ik zag dat [verdachte] links die Mercedes voorbij ging. Ik zag dat voor mij van rechts, voorbij die grijze auto, een fietser overstak. Ik zag dat er een man op de fiets zat en fietsend overstak. [verdachte] en ik reden op de linker rijstrook. Ik zag dat [verdachte] met zijn linker voorkant de achterkant van de fietser raakte. Hierna zag ik de man van de fiets door de lucht vliegen en meters verder weer terecht komen op het asfalt.

Ik kan me voorstellen dat mensen denken dat we aan het racen waren en dat er snelheden van boven de 100 kilometer per uur gereden werden. Ik rij door en [verdachte] rijdt door. Ik kwam achter [verdachte] te rijden en die dacht misschien iets van een dolletje te doen. En ik reed mee. Ik heb afgeremd omdat ik zag dat de verkeerslichten op rood stonden bij de kruising met de Molenlaan.

16. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-47, d.d. 17 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 17 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 6]:

Wij reden op 4 juli 2012, omstreeks 21:15 uur in mijn Peugeot. Ik was de bijrijder en mijn man, [betrokkene], was de bestuurder van de auto. Wij reden op de Laan van Avant-Garde richting de rotonde bij de Hoofdweg. Wij waren een meter of twee honderd van de rotonde verwijderd. Ik zag toen dat er vanaf links, uit de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel, over de Hoofdweg twee auto's kwamen rijden. Het was heel opvallend omdat de auto's heel hard reden. Het waren twee auto's. Vooraan reed een Alfa Romeo. Vlak achter deze auto reed een andere auto. De auto's reden heel dicht achter elkaar met die hoge snelheid. De rotonde werd genomen met de hoge snelheid, door beiden auto's, die bumper aan bumper achter elkaar reden. De snelheid van het nemen van de rotonde is moeilijk te benoemen maar was opvallend snel. Het deed mij aan een straatrace denken. Daarna reden de auto's rechts weg richting de Alexandrium. Gekomen bij de rotonde sloegen wij ook rechtsaf in dezelfde rijrichting als de auto's gereden hadden. Toen wij de Hoofdweg op reden, zag ik in de verte de achterlichten van de auto's oplichten. Wij reden tot aan de eerste stoplichten bij de SHURGARD, daar moesten wij stil houden voor het rode verkeerslicht. Wij trokken bij groen weer op en reden verder richting Alexandrium. Op de Hoofdweg trokken wij op tot aan de volgende verkeerslichten. Ik zag verderop op het wegdek een jongen liggen.

17. een voor kopie conform gewaarmerkt geschrift van de Regiopolitie Zuid-Holland Zuid, d.d. 16 januari 2012, met het nummer PL1810 2012002023-4, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Wij verbalisanten surveilleerden op 5 januari 2012 op de rijksweg A20 te Rotterdam.

De bestuurder van een Alfa Romeo, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] (het hof begrijpt: de verdachte) kwam nabij de afrit naar de A16 naar de derde rijstrook. Vervolgens kwam hij achter een vrachtwagen te rijden op deze rijstrook. Op enige moment zette de bestuurder zijn voertuig bijna haaks om de invoegstrook op. Daarna zette hij zijn voertuig weer recht op de genoemde afrit. Door deze manoeuvre schudde het voertuig zeer heftig. De Alfa voegde zich tussen twee aldaar rijdende personenauto's in. Daardoor moest het achterste voertuig kennelijk krachtig remmen om een aanrijding te voorkomen. Op de A16 overschreed de bestuurder de doorgetrokken streep. Hij voerde zijn snelheid op. Onze boordsnelheidsmeter gaf 160 km/u aan. Dit is een geijkte snelheid van 149 kilometer per uur. De bestuurder reed over een afstand van ten minste vijftienhonderd meter met deze snelheid. De bestuurder ging ook weer dicht achter andere voertuigen rijden.

18. een geschrift, te weten een besluit om een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) op te leggen, met nummer 2012001782, ondertekend namens de algemeen directeur van het CBR, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 (het hof: de verdachte) heeft afwijkend rijgedrag vertoond. Hiervan heeft de Regiopolitie Zuid Holland-Zuid op 16 januari 2012 een schriftelijke mededeling gedaan, zoals bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit de mededeling blijkt dat u op 5 januari 2012 als bestuurder van een motorrijtuig uw voertuig haaks de afrit opdraaide. Op de uitvoegstrook moest u vervolgens uw voertuig weer corrigeren, hierbij schudde uw voertuig heftig. Door deze manoeuvre moest een ander voertuig krachtig remmen om een aanrijding te voorkomen. Voorts overschreed u een doorgetrokken streep. De verbalisanten constateerden dat u op enig moment met een gecorrigeerde snelheid van 149 km/u reed.

Hierop hebben wij het volgende besluit genomen:

Besluit

Vanwege de schriftelijke mededeling vermoeden wij dat u niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid van houders van een rijbewijs. Daarom hebben wij besloten om u een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen.

19. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de Politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 25 juli 2012, met het nummer PL17P0 2012397928-70, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar eerdere gedragingen van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Op 5 januari 2012 werd door collega's in een surveillancevoertuig waargenomen dat er kort op een voorganger werd gereden, verkeersgevaarlijk van rijstrook werd gewisseld, overschrijden doorgetrokken streep, overschrijding van de maximum snelheid met 49 km/h (maximum snelheid ter plaatse 100 km/h), wederom kort volgen.

Naar staandehouding is er een transactievoorstel gedaan. Naar aanleiding van dit rijgedrag is er een vordering ex artikel 130 WVW 1994 opgemaakt en is inmiddels aan de verdachte de EMG maatregel opgelegd."

2.3.

Het Hof is blijkens het bestreden arrest onder het kopje "Beoordeling" van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan:

"1. De verdachte is na een avondje sporten in de auto (Alfa Romeo) gestapt om naar huis te rijden via de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel.

2. Op de Hoofdweg voornoemd geldt als maximum toegestane snelheid 50 km/uur. Het weer was ten tijde van het feit droog, het wegdek was schoon en droog, er was daglicht en de aanwezige wegverlichting brandde niet.

3. Achter de verdachte reed een kennis van de sportschool (getuige [getuige 1]). Door beide bestuurders werd in een wedstrijdachtige achtervolging vanaf de rotonde op de kruising van de Laan van Avant-Garde met de Hoofdweg heel hard gereden, waarbij de maximum snelheid regelmatig met minimaal 30 km per uur werd overschreden. Hierbij heeft de verdachte - zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - zijn aandacht tevens gericht gehad op die andere auto. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zich door [getuige 1] liet opjagen en dat hij zijn snelheid verder heeft vermeerderd op het moment dat de Hoofdweg volgens hem een rijbaan met twee rijstroken werd.

4. De verdachte is bij de daarop volgende kruising van de Hoofdweg met de Schollevaartsedreef met hoge snelheid door het voor zijn rijrichting oranje uitstralende verkeerslicht gereden. Getuige [getuige 1], die vlak achter de verdachte reed, heeft daar zijn snelheid geminderd om te remmen voor het verkeerslicht, dat inmiddels rood uitstraalde.

5. In verband met een op de rechterrijstrook voor hem rijdende auto is de verdachte van de rechter naar de linker rijstrook gegaan. Vervolgens is hij de kruising van de Hoofdweg en de Molenbaan op de linker rijstrook met onverminderde snelheid genaderd, ondanks het in zijn richting van oranje naar rood kleurende verkeerslicht.

6. De verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plekke en wist dat er op de kruising kwetsbare verkeersdeelnemers op de fiets/bromfiets/voetgangers oversteekplaats konden oversteken.

7. De verdachte is desalniettemin zonder te remmen de kruising opgereden en heeft met een snelheid van minstens 102 km/u het inmiddels voor hem rood uitstralende verkeerslicht gepasseerd terwijl een ander, zich op de naast gelegen rijstrook bevindend voertuig (met als bestuurder getuige [getuige 2]) stilstond voor het rood uitstralende verkeerslicht, welk voertuig de verdachte ook had gezien.

8. De verdachte heeft vrijwel direct daarna een overstekende fietser, die groen licht had, praktisch frontaal geschept, waarna deze als gevolg van dit ongeval ter plaatse is overleden."

2.4.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Ten aanzien van de roekeloosheid

Met betrekking tot de mate van schuld in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) overweegt het hof het volgende.

Als schuld bestaat uit 'roekeloosheid' gelden ingevolge de wet van 28 juli 2006 hogere maximumstraffen. Zoals blijkt uit onder meer de considerans van deze wet, is met deze strafmaatverhogingen beoogd het optreden tegen ernstige vormen van roekeloos rijgedrag te bevorderen. In dat verband zijn aan de rechter meer mogelijkheden gegeven om bij fataal gevolg of lichamelijk letsel in de strafmaat rekening te houden met het bij familieleden, vrienden en kennissen van het slachtoffer teweeggebrachte leed en met de in de samenleving ontstane onrust. Ook is met de wetswijziging tot uitdrukking gebracht dat onverantwoordelijk rijgedrag in de huidige tijd zwaar wordt aangerekend. Gelet op de intensiteit van het verkeer en het vertrouwen waarmee men aan dat verkeer moet kunnen deelnemen, rust er een grote verantwoordelijkheid op verkeerdeelnemers om de veiligheid van het verkeer niet in gevaar te brengen. Met de invoering van een afzonderlijk strafmaximum voor roekeloosheid is beoogd een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. Roekeloosheid vereist daarmee niet slechts een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. In het algemeen zal bij roekeloosheid sprake moeten zijn van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren (kamerstukken II, 2001/2002, 28 484, nr. 3, p.10-12).

Volgens vaste rechtspraak komt het bij de beoordeling van de mate van schuld aan een verkeersongeval aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersfout de schuld in de zin van dit artikel kan worden afgeleid.

Uit de door het hof vooropgestelde feiten en omstandigheden en uit hetgeen hiervoor onder verband van 'voorwaardelijk opzet' is uiteengezet volgt dat verdachtes rijgedrag als zeer onvoorzichtig moet worden gekwalificeerd waarbij hij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's heeft genomen.

Voor het antwoord op de vraag of de verdachte op zeer lichtzinnige wijze ervan is uitgegaan dat deze risico's zich niet zouden realiseren, is het volgende van belang. De verdachte heeft, niettegenstaande zijn jeugdige leeftijd, zichzelf aangemerkt als een zeer ervaren rijder, zozeer ervaren dat hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard op het gehoor te kunnen inschatten hoe hard hij rijdt. Eerder heeft hij bij de politie verklaard zijn rijbewijs - ten tijde van het feit - twee jaar te hebben en ongeveer 20.000 km per jaar te rijden.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het tenlastegelegde feit, voor verkeersonveilig rijgedrag op 5 januari 2012 is beboet. In de processen-verbaal van politie ter zake is gerelateerd dat de verdachte op voormelde datum als bestuurder van een auto zich schuldig maakte aan 'bumperkleven' en haaks een afrit opdraaide.

Op de uitvoegstrook moest de verdachte zijn voertuig vervolgens corrigeren waarbij de auto heftig schudde. Door deze manoeuvre moest een ander voertuig krachtig remmen om een aanrijding te voorkomen. Voorts overschreed de verdachte een doorgetrokken streep en reed hij op enig moment met een gecorrigeerde snelheid van 149 km/u waar 100 km/u was toegestaan. De verdachte daarnaar door de politie gevraagd, verklaarde dat hij sportief had gereden, te hard en een gewaagde inhaalmanoeuvre had uitgevoerd. Aan de verdachte is in verband met zijn agressieve en in strijd met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens zijnde rijgedrag en omdat de verdachte 'heeft blijk gegeven van gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer' een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.

Het hof komt tot het volgende oordeel.

De verdachte was ermee bekend dat zijn weggedrag als verkeersgevaarlijk en risicovol werd aangemerkt doordat hij daarop een aantal maanden eerder was aangesproken. Desondanks heeft de verdachte op 4 juli 2012 op de Hoofdweg in Capelle aan den IJssel, een weg met een aantal door verkeerslichten beveiligde kruispunten, over langere afstand met zeer hoge snelheid gereden, heeft hij met die snelheid eerst een oranje verkeerslicht genegeerd en is hij vervolgens met onverminderde snelheid door het rode verkeerslicht op de kruising met de Molenlaan gereden, terwijl zijn zicht op het kruisende verkeer werd belemmerd door een auto die rechts van hem stilstond voor het rode verkeerslicht. Daarbij is zijn snelheid vastgesteld op meer dan de dubbele toegestane snelheid. Daarmee nam de verdachte naar het oordeel van het hof onverantwoorde risico's gelet op de mogelijke aanwezigheid van kruisend verkeer. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het verkeerslicht voor de verdachte op rood sprong, hetgeen erop wijst dat kruisend verkeer zou gaan oversteken. De verdachte is op zeer lichtzinnige wijze ervan uitgegaan dat de, vanwege de mogelijk ernstige gevolgen, onaanvaardbare risico's die hij met zijn rijgedrag nam, zich niet zouden realiseren.

Gezien het vorenstaande en gelet op de hiervoor onder 1 tot en met 8 genoemde punten acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 'roekeloos' in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet heeft gereden."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

3.2.

Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

3.3.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25).

3.4.

Het Hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als hiervoor bedoeld.

3.5.

Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van de verdachte, welk samenstel eruit bestaat dat de verdachte, kort gezegd, als bestuurder van een motorrijtuig, nadat hij met een andere bestuurder, te midden van medeweggebruikers, in een wedstrijdachtige achtervolging verwikkeld was geraakt, over langere afstand met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur heeft gereden en hij, bekend met de situatie ter plaatse vervolgens met onverminderde snelheid door rood licht een kruispunt is opgereden. Aldus heeft het Hof toereikend de in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval in de hiervoor onder 3.3 bedoelde zin voordoet.

4 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2014.