Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3618

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
12/04359
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1688, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BX6396, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:150 en ECLI:NL:HR:2014:702. 1. Bewijsklacht. Uit de ‘afsluitende overweging’ waarin het Hof in dit verband o.m. verwijst naar diefstallen door verdachte, vloeit rechtstreeks voort dat voormelde geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Het Hof - dat kennelijk ervan uitging dat een nadere motivering nodig was - heeft in dit verband weliswaar overwogen dat het voorhanden hebben van de geldbedragen “heeft bijgedragen tot het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan”, maar heeft tegelijkertijd niet meer vastgesteld dan dat verdachte een geldbedrag onder zich had en een geldbedrag in een kluis in zijn woning bewaarde, terwijl uit die vaststellingen niet z.m. voortvloeit dat verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet wordt aangetast. 2. Slagende klacht over de verbeurdverklaring van een personenauto. Bij de aan de HR gezonden stukken bevindt zich een beslissing tot teruggave van een in beslag genomen personenauto. Hieruit volgt dat het beslag op deze personenauto reeds was beëindigd t.t.v. de beslissing van het Hof tot verbeurdverklaring daarvan. De verbeurdverklaring is daarom niet begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 33
Wetboek van Strafrecht 33a
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0524
NBSTRAF 2015/66
RvdW 2015/103
NJ 2015/160

Uitspraak

16 december 2014

Strafkamer

nr. 12/04359

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 augustus 2012, nummer 23/005336-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K.K. Hansen-Löve, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over feit 3 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op één tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 juni 2010 in Nederland, voorwerpen te weten:

- geldbedragen tot in totaal 22.774,- euro, en

- een horloge van het merk Rolex (type 116200 Date Just en voorzien van het serienummer [001]) en

- een auto van het merk Volkswagen (type Golf GTI voorzien van het kenteken [AA-00-BB])

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Er is onderzoek gedaan naar de inkomsten en uitgaven van de verdachte over de jaren in de periode van 1 januari 2008 tot en met 17 juni 2010. Uit een overzicht van de bankgegevens van de verdachte (een schriftelijk stuk, inhoudende een overzicht afschrijvingen in de periode 01-01-2008 tot 17-06-201, proces-verbaal van aanvulling B 03 p. 41 e.v.) is gebleken dat hij in die periode € 23.894,- aan inkomsten heeft genoten, terwijl € 22.417 is afgeschreven. Uit dat overzicht blijkt eveneens dat in de periode 1 januari 2008 tot en met 31 mei 2010 kasopnames zijn gedaan tot in totaal een bedrag van € 6750,-.

Over een periode van 29 maanden is dat ongeveer € 480,- euro per maand, hoewel opvalt dat in de periode januari tot en met november 2008 in het geheel geen kasopnames zijn gedaan en gedurende de rest van de periode met regelmaat ook enkele maanden niet. Het Nibud gaat uit van € 19.430,- aan kosten van levensonderhoud voor een gezin met de samenstelling van de verdachte (proces-verbaal van aanvulling B 03, p.8, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] d.d. 15 oktober 2010) voor laatstgenoemde periode.

Overweging: Het hof leidt uit een en ander af dat de inkomsten van de verdachte geen ruimte lieten voor uitgaven met een luxe karakter of het bezit van grote hoeveelheden contant geld, ook niet wanneer daarnaast nog enige zwarte inkomsten uit flyeren werden genoten, zoals de verdachte heeft gesteld, nu het inkomen van de verdachte geacht mag worden (vrijwel) volledig aangewend te (moeten) zijn voor eerste levensbehoeften. In het bijzonder geldt dat dan voor de volgende posten en vermogensbestanddelen.

De Rolex

Bij de aanhouding van de verdachte is in zijn bezit een Rolex horloge aangetroffen.

Het Rolex horloge bleek te zijn verkocht in april 2009 en de waarde was € 4145,- (proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], d.d. 23 juni 2010, B 03 p. 34 e.v.)

Overweging: De verdachte heeft verklaard dat hij dit horloge van een vriend had geleend, omdat hij de tijd moest weten, toen hij op 7 juni 2010 hasjiesj ging stelen en vervoeren. Hij heeft niet willen verklaren welke vriend dit dan zou betreffen. De verklaring is daarmee onverifieerbaar en ongeloofwaardig. Het hof hecht daarom daaraan geen waarde.

De Volkswagen Golf

Tevens is gebleken dat de verdachte een Volkswagen Golf heeft aangeschaft en deze aanschaf in contanten heeft voldaan. Ook de bedragen die met de invoer van deze auto samenhingen zijn door de verdachte in contanten voldaan.

Uit het proces-verbaal van bevindingen (opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], nummer PL 27 RR/10-044175, B 03 p.7 ev.) volgt immers dat op 8 juni 2010 de woning van de verdachte [verdachte] is doorzocht. Daarbij is een kentekenbewijs deel 1a en deel 1b van een Personenauto Volkswagen Golf GTI met kenteken [AA-00-BB] in beslag genomen. Tevens is daarbij aangetroffen een brief gericht aan [betrokkene 1] en een offerte voor het opnieuw bekleden van een Golf GTI met leer. Op 17 juni 2010 is bij [A] BV te Haarlem een zwarte Volkswagen GTI aangetroffen. Het chassisnummer op dit voertuig kwam overeen met het chassisnummer dat vermeld staat op het kentekenbewijs van de Golf aangetroffen bij [verdachte]. De Golf is in beslag genomen.

De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de bewuste auto namens de verdachte heeft laten importeren en dat de verdachte opdrachtgever en eigenaar van het voertuig was, terwijl de verdachte hem daarvoor (inclusief importkosten en BPM) rond de € 30.000,- heeft betaald in coupures van € 20,- en € 50,-, terwijl hij de formulieren van de auto aan de verdachte heeft gegeven (proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1], opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] d.d. 18 juni 2010, B 03 p. 115 e.v.).

De getuige [betrokkene 2] is bedrijfsleider bij [A] BV en heeft verklaard dat hij de foto van de verdachte herkent als degene die zei eigenaar van de Volkswagen Golf te zijn en die langs is geweest om de details te bespreken rondom de leren autobekleding, die door zijn bedrijf in de auto zou worden aangebracht, terwijl een aanbetaling van € 1000,- is gedaan (proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2], opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] d.d. 17 juni 2010, B03 p. 108/109).

De geldbedragen

De volgende uitgaven zijn door de verdachte gedaan, dan wel had hij de volgende geldbedragen contant voorhanden:

- kosten feest [B] € 5.674,-

- beslag bij aanhouding € 600,-

- in kluis woning € 1750,-

- Audi € 10.000,-

- betaling autoverzekering € 1250,-

- aanbetaling leren bekleding Volkswagen Golf € 1000,-

Totaal € 19.024,-

Feest [B]:

De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard (proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 3], opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] d.d. 23 juli 2010, aanvullend zaaksdossier B03 p. 16 en 17): Ik ben mede-eigenaar van [B] eten en drinken. Over de feestavond van vrijdag 8 januari 2010 van [betrokkene 4] kan ik het volgende vertellen. Zoals uit de rekening bleek is er die avond voor € 5174,45 in rekening gebracht. Er was ook een deejay geregeld die rond de € 500 rekent. De rekening is contant voldaan.

De verdachte heeft verklaard (proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 4] d.d. 1 oktober 2010, aanvullend zaaksdossier B03 p. 39): Het feest bij [B] kostte rond de €5000. Ik heb het geld gebracht. Het feest is contant betaald.

Overweging: De verdachte heeft naar voren gebracht dat de kosten van de Volkswagen Golf zijn betaald uit bijdragen aan zijn zoon [betrokkene 4] ter gelegenheid van diens 18e verjaardag. Dit was in totaal € 42.000,-. Ook de kosten van het feest zouden daaruit zijn voldaan. De verklaringen van de zoon van verdachte, [betrokkene 4], en [betrokkene 3], eigenaar van het restaurant waar het feest is gehouden, zouden een en ander moeten bevestigen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Hoewel van het beweerdelijke feest geen enkele foto door de verdachte is overgelegd, gaat het hof er van uit dat wel sprake is geweest van een feest, alwaar door gasten bijdragen zijn gedaan voor die verjaardag. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat ter gelegenheid van dit feest door de gasten bijdragen zijn gedaan, die in totaal € 42.000,- bedroegen, welk bedrag vervolgens is aangewend voor de aanschaf van de Volkswagen Golf en de met die aanschaf samenhangende kosten en acht de door de verdachte op dit punt gegeven verklaring zo onwaarschijnlijk dat ze bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld. Allereerst geldt in dat verband dat dit een dermate hoog bedrag is, ook indien wordt uitgegaan van - zoals de getuige [betrokkene 4] heeft verklaard (bij politie op 11 augustus 2008) - de aanwezigheid van klasgenootjes en oude bekenden: in totaal zo'n 180 tot 200 mensen, dat dit nadere onderbouwing van de verdachte vergt. De verdachte heeft weliswaar een aantal verklaringen overgelegd van personen die stellen een bijdrage voor de verjaardag te hebben gegeven, echter daarin is niet aangegeven welk bedrag door hen geschonken zou zijn. Verder is deze toedracht ongeloofwaardig, omdat er een groot aantal verschillen zijn waar te nemen in de verklaringen die de verdachte op dit punt heeft afgelegd en de verklaringen dienaangaande die zijn afgelegd door zijn zoon [betrokkene 4] en [betrokkene 3], eigenaar van de locatie waar het feest zou zijn gehouden en iemand die de verdachte al 15 jaar als regelmatige klant kent (politieverhoor 23 juli 2010, aanvulling B03 p. 16).

Zo heeft de verdachte verklaard dat hij ten behoeve van de bijdragen een bak had gemaakt met plexiglas en een gleuf erin (8e verhoor politie, 1 oktober 2010, aanvulling B03 p.37), terwijl [betrokkene 3] heeft verklaard dat het een houten kist betrof met glazen zijkanten en bovenkant (politieverhoor 23 juli 2010, aanvulling B03 p. 16.) In die respectieve verklaringen spreekt de verdachte over het feit dat in de bak alleen kaartjes en enveloppen zaten en geen los geld, terwijl [betrokkene 3] heeft verklaard dat er meestal los geld in ging en dat soms van stapeltjes briefgeld werd afgeteld en dan in de kist werd gedaan.

Verder heeft [betrokkene 4] verklaard (verhoor politie 11 augustus 2010, aanvulling B03 p. 27) dat na het feest zijn moeder (het hof begrijpt bij wie [betrokkene 4] niet woonde) de kist had meegenomen, dat hij het geld de dag erna heeft geteld en dat het € 42.000,- was, dat hij dat bedrag heeft bewaard in zijn bureau en dat het bedrag voor het feest niet van die € 42.000 is afgegaan. De verdachte heeft in eerdergenoemde verklaring echter verklaard dat hij met de bak geld naar huis is gelopen en dat van die €42.000,- de rekening van het feest is betaald. Volgens de verklaring van [betrokkene 3] (zie hiervoor) bedroeg die rekening € 5.174,45 alsmede ongeveer €500,- voor een deejay.

Op grond van al deze verschillen concludeert het hof dat verklaringen van de verdachte, zijn zoon en [betrokkene 3] geen weergave zijn van de werkelijkheid, zodat aan die verklaringen geen geloof kan worden gehecht.

Daarnaast geldt dat de verdachte, en niet zijn zoon [betrokkene 4], geacht moet worden eigenaar te zijn van de Volkswagen Golf. Hiertoe geldt het volgende, zoals dat hierboven al is vermeld.

De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de bewuste auto namens de verdachte heeft laten importeren en dat de verdachte opdrachtgever en eigenaar van het voertuig was, terwijl de verdachte hem daarvoor (inclusief importkosten en BPM) rond de €30.000,- heeft betaald in coupures van €20,- en €50,-, terwijl hij de formulieren van de auto aan de verdachte heeft gegeven (politieverklaring 18 juni 2010, B 03 p. 115 e.v.).

De getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij de foto van de verdachte herkent als degene die zei eigenaar van de Volkswagen Golf te zijn en die langs is geweest om de details te bespreken rondom de leren autobekleding, die door zijn bedrijf in de auto zou worden aangebracht, terwijl een aanbetaling van €1000,- is gedaan (politieverklaring 17 juni 2010, B03p. 108/109).

Beslag bij aanhouding €600

Uit het proces-verbaal van bevindingen (opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], nummer PL 27 RK/10-044175, B 03 p.4 ev.) volgt dat bij de aanhouding van de verdachte €600 in beslag is genomen.

In kluis woning € 1750

Uit het proces-verbaal van bevindingen (opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], nummer PL 27 RR/10-044175, B 03 p.5 ev.) volgt dat bij de doorzoeking van de kluis van de woning van de verdachte ([a-straat 1] te Amsterdam) in een kluis een geldbedrag van € 1750 is aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juli 2012 verklaard dat hij van de 1750 euro in zijn kluis wist.

De Audi ad € 10.000

De verdachte heeft een Audi aangeschaft en deze eveneens in contanten voldaan.

Tevens zijn de bedragen die met de invoer van deze auto samenhingen door de verdachte in contanten voldaan. Hiermee was in totaal ongeveer € 10.000,- gemoeid.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juli 2012 verklaard dat de Audi nog ergens staat opgeslagen, maar dat hij niet wil zeggen waar.

De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een Audi met kenteken [CC-00-DD] heeft ingevoerd voor [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). De auto kostte € 8000 of €9000. Promobility heeft de auto getransporteerd naar Nederland, de RDW keuring geregeld en de BPM betaald. Het invoeren van de Audi gebeurde in maart of begin april 2010. De kosten die Promobility hiervoor rekende waren ongeveer €1500. In totaal kostte de Audi rond de €10.000. [verdachte] heeft dit bedrag contant in briefjes van €50 betaald (proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1], opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] d.d. 29 juni 2010, B 03 p. 130 e.v.).

Overweging: De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de rechtbank, dat geloof moet worden gehecht aan de verklaring van de verdachte in eerste aanleg dat deze auto is verkregen door inruil van een andere auto, terwijl de verdachte voorts inkomsten had, aangevuld met losse zwarte inkomsten uit flyeren.

Het hof overweegt op dit punt als volgt.

De verdachte had pas sinds november 2009 een inkomen uit arbeid bij [C] BV van ongeveer € 1450,- netto. Daarvoor heeft hij een uitkering genoten. Dit volgt uit het voormeld overzicht in aanvullend zaaksdossier B 03 p. 41 e.v. en de verklaring van de verdachte bij de politie van 1 oktober 2010 (proces-verbaal verhoor verdachte in aanvullend zaaksdossier B03 p. 31 ev.). Rond april 2010 heeft hij deze Audi aangeschaft. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep daarnaar gevraagd, geen enkel inzicht gegeven in waar de auto zich bevindt, noch zijn door hem stukken overgelegd, die zijn stelling dat er sprake is van inruil, ondersteunen. De auto is betaald in contanten: briefjes van € 50,-.

Verder wordt verwezen naar hetgeen hiervoor over het inkomen van de verdachte is overwogen. De verklaring van de verdachte omtrent de inruil van de Audi acht het hof daarom zo onwaarschijnlijk dat deze bij de vorming van het bewijsoordeel ter zijde wordt gesteld.

betaling autoverzekering € 1250,-

Uit het proces-verbaal van bevindingen (opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], nummer PL 27 RR/10-044175, B 03 p. 12) volgt dat bij de doorzoeking in de woning bij de verdachte [verdachte] een betalingsbewijs ten name van [verdachte] voor de som van €1250,60 aan [D] verzekeringen en hypotheken is aangetroffen. Op deze factuur (het hof begrijpt: kwitantie) staat vermeld dat [D] dit bedrag heeft ontvangen van [verdachte] "iz autoverz rialto" met de datum 27 mei 2010. Een kopie van bedoelde kwitantie bevindt zich in voormeld zaaksdossier bij de stukken op p. 0061.

aanbetaling leren bekleding Volkswagen Golf € 1000,-

Uit het proces-verbaal van bevindingen (opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], nummer PL 27 RR/10-044175, B 03 p.5) volgt dat bij de doorzoeking in de woning bij de verdachte [verdachte] een offerte voor het bekleden van het interieur van een Golf 6 GTI is aangetroffen, waarop vermeld was dat € 1000,- is aanbetaald. Een kopie van deze offerte bevindt zich op p. 60 van het dossier.

Afsluitende overweging: Verdachte heeft op die onderdelen geen aannemelijke verklaring gegeven voor het gegeven dat hij de beschikbaarheid had over die vermogensbestanddelen. Zijn inkomen bood daarvoor geen enkele ruimte. Daarnaast is in deze zaak bewezen dat de verdachte zich heeft bezig gehouden met diefstal en het vervoer van hasjiesj. Blijkens zijn strafblad is de verdachte ook in 2008 en 2009 voor diefstallen en poging diefstal veroordeeld. Het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat voormelde vermogensbestanddelen - middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren uit misdrijf en dat de verdachte dit wist. Tevens wordt overwogen dat voor zover het betreft het voorhanden hebben van de geldbedragen, dit heeft bijgedragen tot het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan.

Verschrijving: Met betrekking tot de ten laste gelegde brommobiel is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat deze door zijn ex-partner is gefinancierd niet zo onwaarschijnlijk is, dat deze terzijde moet worden gesteld. Hiernaar is ook onvoldoende verder onderzoek gedaan. Van dit onderdeel van de tenlastelegging is de verdachte vrijgesproken.

Abusievelijk is dit onderdeel ten gevolge van een kennelijke verschrijving in het verkort arrest wel in het overzicht en de bewezenverklaring betrokken, dit in tegenspraak met deze overweging."

2.3.1.

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5)

Die motiveringseis geldt derhalve niet wanneer het gaat om voorwerpen die niet onmiddellijk, maar "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bijvoorbeeld doordat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen) en evenmin wanneer het gaat om voorwerpen die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit een door een ander dan de verdachte begaan misdrijf (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR: 2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

2.3.2.

Indien de feitenrechter zijn beslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst.

Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (zie bijvoorbeeld HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, rov. 2.4.1 en 2.4.2).

Een dergelijk oordeel - waarin dus besloten ligt dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp - zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft, dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.

2.4.1.

Het middel klaagt allereerst over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde ten aanzien van de aangetroffen contante geldbedragen "witwassen" oplevert.

2.4.2.

In het onderhavige geval gaat het onder meer om een onder de verdachte bij zijn aanhouding aangetroffen geldbedrag van € 600,- en een in de kluis van de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 1.750,-. Het bewezenverklaarde "heeft overgedragen" heeft kennelijk geen betrekking op deze bedragen, het bewezenverklaarde "heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad" wel. Het Hof heeft ook ten aanzien van het verwerven en/of voorhanden hebben van deze geldbedragen geoordeeld dat zulks witwassen oplevert.

2.4.3.

Uit de "afsluitende overweging", waarin het Hof in dit verband onder meer verwijst naar diefstallen door de verdachte, vloeit rechtstreeks voort dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet hierop schiet de motivering van het oordeel dat de bewezenverklaring ook in zoverre als witwassen kan worden gekwalificeerd, tekort. Het Hof - dat kennelijk ervan uitging dat een nadere motivering zoals hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, nodig was - heeft in dit verband weliswaar overwogen dat het voorhanden hebben van de geldbedragen "heeft bijgedragen tot het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan", maar heeft tegelijkertijd niet meer vastgesteld dan dat de verdachte een geldbedrag onder zich had en een geldbedrag in een kluis in zijn woning bewaarde, terwijl uit die vaststellingen niet zonder meer voortvloeit dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

2.4.4.

Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

2.4.5.

In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

2.5.1.

Het middel klaagt voorts over de verbeurdverklaring van een personenauto.

2.5.2.

Het bestreden arrest houdt ten aanzien van die verbeurdverklaring het volgende in:

"Het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe.

Zij zullen daarom worden verbeurdverklaard. (...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een Volkswagen, type Golf GTI met kenteken [AA-00-BB]."

2.5.3.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een beslissing van 3 maart 2011 tot teruggave van de inbeslaggenomen personenauto. Hieruit rijst het ernstige vermoeden dat het beslag op de personenauto reeds was beëindigd ten tijde van de beslissing van het Hof tot verbeurdverklaring van deze personenauto. De verbeurdverklaring is daarom niet zonder meer begrijpelijk.

2.5.4.

De klacht is terecht voorgesteld.

2.6.

Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2014.