Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3594

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
13/04903
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1814, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:2257, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Privaatrechtelijk kostenverhaal door de Staat voor het verwijderen van olie op wegdek na ongeval. Onaanvaardbare doorkruising van art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985? HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788, NJ 1994/639. Onaanvaardbare doorkruising Wegenwet? HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5664, NJ 1976/280; HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Brandweerwet 1985
Brandweerwet 1985 1
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Wet veiligheidsregio’s
Wet veiligheidsregio’s 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/18 met annotatie van L.J.M. Timmermans
JOM 2015/235
JA 2015/41 met annotatie van mr. H.B. Voskamp
JM 2015/57 met annotatie van H.J. Bos
JIN 2015/68 met annotatie van L.J.M. Timmermans
JWB 2014/431
NJB 2015/7
RvdW 2015/65
O&A 2015/19
RAV 2015/31
S&S 2015/75
AB 2015/264 met annotatie van G.A. van der Veen, prof. dr. A.H.J. Hofman
NJ 2015/366 met annotatie van S.D. Lindenbergh
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 december 2014

Eerste Kamer

13/04903

LH/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., handelende onder de naam Interpolis,
gevestigd te Apeldoorn,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. P.A. Fruytier,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),
zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Achmea en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 1088737/11-21950 van de kantonrechter te ’s Gravenhage van 7 maart 2012;

b. het arrest in de zaak 200.108.284/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Achmea beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. K.J.O Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Op 15 juli 2008 heeft op de Rijksweg Al5 te Rotterdam een kettingbotsing tussen een aantal motorvoertuigen plaatsgevonden. Een van de bestuurders was [betrokkene], die zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen en die daarom ter zake van het ongeval aansprakelijk is. [betrokkene] was verzekerd bij Achmea.

(ii) Als gevolg van het ongeval is olie op het wegdek terechtgekomen. Wilchem B.V. heeft in opdracht van de Staat de olie opgeruimd en heeft daarvoor een bedrag van € 7.140,61 aan de Staat in rekening gebracht.

3.2.1

De Staat vordert in dit geding van Achmea als WAM-verzekeraar van [betrokkene] betaling van de opruimkosten ten bedrage van € 7.595,17 (bestaande uit de factuur van Wilchem B.V., arbeidsloon rijkspersoneel, de kosten van de inzet van hulpmiddelen en administratiekosten). Grondslag van de vordering is art. 185 lid 1 WVW en art. 6:162 BW.

3.2.2

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Hij was van oordeel dat de aanwezigheid van olie op het wegdek een gevaar oplevert voor de mens in de zin van art. 1 lid 4, aanhef en onder b, van de ten tijde van het ongeval geldende Brandweerwet 1985, en dat daarom, gelet op HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788, NJ 1994/639 (Bluskosten Vlissingen) geen kostenverhaal door de overheid mogelijk is.

3.2.3

Het hof heeft de vordering alsnog toegewezen. Naar het oordeel van het hof ziet art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 uitsluitend op acute gevaarsituaties (anders dan bij brand) die veelal de snelle inschakeling van technische hulpmiddelen vereisen, en is bij het verwijderen van olie van de weg niet van een dergelijke situatie sprake, nu reeds met het afzetten van de weg, waarvoor geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn, het acute gevaar van olie op de weg is verdwenen. In verband hiermee heeft het hof geoordeeld dat het kostenverhaal door de Staat geen onaanvaardbare doorkruising oplevert van de Brandweerwet 1985. (rov. 3.3)

Evenmin heeft het een dergelijke doorkruising van de Wegenwet aanwezig geacht (rov. 3.5 en 3.6).

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het verwijderen van olie van de weg niet onder de in art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 omschreven taak valt.

3.3.2

Art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 verklaart mede tot de taak van de brandweer ‘het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand’. Het hof heeft terecht geoordeeld dat, gelet op de parlementaire geschiedenis van de Brandweerwet 1985, deze bepaling uitsluitend ziet op acute gevaarsituaties die veelal de snelle inschakeling van technische hulpmiddelen door de brandweer vereisen. Blijkens die parlementaire geschiedenis is bij deze bepaling immers uitsluitend gedacht aan deze gevallen, waarin de onmiddellijke inzet(baarheid) van de brandweer is geboden (vgl. Kamerstukken II 1980-1981, 16 695, nr. 3, p. 10-12, en Kamerstukken II 1983-1984, 16 695, nr. 12, p. 22).

3.3.3

Het oordeel van het hof dat het verwijderen van olie van de weg na een ongeval niet onder deze inzet valt, nu reeds met het afzetten van de weg, waarvoor geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn, het acute gevaar van die olie is verdwenen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

3.3.4

Op het vorenstaande stuiten alle klachten van het onderdeel af.

In het midden kan dus blijven of in het geval dat het verwijderen van olie op de weg na een ongeval wel is aan te merken als een werkzaamheid als bedoeld in art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet, dat zonder meer ertoe zou leiden dat de Staat de door hem gemaakte kosten niet kan verhalen, zoals aan het onderdeel ten grondslag ligt. In dit verband verdient opmerking dat het hier niet gaat om kosten die door de brandweer zijn gemaakt uit hoofde van de uitoefening van haar in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 omschreven taak, maar om kosten die de Staat heeft gemaakt uit hoofde van zijn taak als beheerder van de rijksweg. Het hiervoor in 3.2.2 genoemde arrest Bluskosten Vlissingen heeft slechts betrekking op eerstgenoemde kosten.

3.4.1

Onderdeel 2 klaagt over de onjuistheid van het oordeel van het hof dat het onderhavige kostenverhaal evenmin een onaanvaardbare doorkruising van de Wegenwet oplevert.

3.4.2

Zoals reeds is beslist in HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5664, NJ 1976/280 (Rijksweg 12), zijn bestuurders van voertuigen ook tot zorgvuldig rijgedrag verplicht tegenover het openbaar lichaam dat belast is met het beheer en het onderhoud van de weg, en zijn zij daarom jegens dit lichaam, als dit door hun onzorgvuldig rijgedrag wordt genoopt tot het treffen van maatregelen ter uitoefening van zijn beheers- of onderhoudstaak, aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende kosten.

Verhaal van kosten op deze grondslag, hetzij op grond van art. 185 WVW, hetzij op grond van art. 6:162 BW, levert geen doorkruising op van de Wegenwet. Deze wet kent immers geen regeling van het verhaal van deze kosten, noch andere regelingen die aanleiding zouden kunnen geven tot dat oordeel (vgl. HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393 (Windmill)).

Er zijn ook geen gronden, in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wegenwet of daarbuiten, om aan te nemen dat dit verhaal (met die wet) publiekrechtelijk is uitgesloten en dat in verband daarmee sprake is van een doorkruising. Dit was anders in het geval van het arrest Bluskosten Vlissingen met betrekking tot de kosten die werden gemaakt ter uitvoering van de in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 omschreven taak van de brandweer, in welk geval die gronden wel aanwezig waren (zie rov. 3.6 van dat arrest).

Uit de in 3.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de wet van 16 juni 2005, Stb. 2005, 357, volgt bovendien dat de wetgever juist van de wenselijkheid van het onderhavige privaatrechtelijke verhaal is uitgegaan.

3.4.3

De klacht van het onderdeel faalt dus.

3.5

Ook de overige klachten die onderdeel 2 bevat, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 december 2014.