Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3562

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
14/00797
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:828, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8:73 Awb. Pas bij het Hof beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn. Compensatie overschrijding bij Rechtbank door voortvarende behandeling bij het Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2014/65.8 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2014/2548
Belastingblad 2015/50 met annotatie van J.P. Kruimel
NJB 2015/17
BNB 2015/43
AB 2015/227 met annotatie van A.M.L. Jansen
FutD 2014-2906
NTFR 2015/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 december 2014

nr. 14/00797

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 januari 2014, nr. BK-12/00508, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Den Haag (nr. AWB 10/3947) betreffende de hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Bij beschikking heeft de Ontvanger aan belanghebbende aanmaningkosten van € 6 in rekening gebracht.

2.1.2.

Belanghebbende heeft op 3 maart 2010 een bezwaarschrift ingediend. De afwijzende uitspraak van de Ontvanger op dat bezwaar is gedagtekend 11 mei 2010.

2.2.1.

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 juni 2012 ongegrond verklaard.

2.2.2.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 3 januari 2014 bevestigd.

2.2.3.

Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade geleden door de lange duur van de behandeling van het geschil.

2.2.4.

Naar aanleiding daarvan heeft het Hof geoordeeld dat vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tot de dag dat het Hof uitspraak doet niet meer dan vier jaren zijn verstreken. Het Hof is ervan uitgegaan dat de redelijke termijn niet is overschreden en heeft daarom het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

2.2.5.

De klachten richten zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2.4 vermelde oordeel van het Hof.

2.3.1.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor berechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadien uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

2.3.2.

Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de Hoge Raad voorop dat belanghebbende daarop eerst in hoger beroep aanspraak heeft gemaakt. Die omstandigheid staat er echter niet aan in de weg dat een dergelijke schadevergoeding wordt toegekend, ook voor zover zij betrekking heeft op de lange duur van de behandeling van het bezwaar en/of het beroep (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, BNB 2011/233, en Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1146, overweging 2.6.1).

2.3.3.

’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Rechtbank niet binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak heeft gedaan. De termijn van twee jaar is in die fase met ruim drie maanden overschreden. Zou belanghebbende reeds in de beroepsfase hebben verzocht om vergoeding van de daardoor geleden immateriële schade, dan had dit de Rechtbank aanleiding moeten geven om daarover te beslissen en, behoudens bijzondere omstandigheden, een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. Indien in een zodanig geval in hoger beroep wordt geklaagd over die beslissing of over het ontbreken daarvan, is voor de beoordeling van die klachten niet van belang hoe voortvarend het hoger beroep is behandeld (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4667, AB 2009/236, overweging 2.9.3).

2.3.4.

Belanghebbende heeft niet in de beroepsfase, maar voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een zodanig geval heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan er in een zodanig geval dan ook toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd.

2.3.5.

Het oordeel van het Hof dat de onderhavige procedure tot en met de fase van het hoger beroep binnen een redelijke termijn is berecht, geeft geen blijk van miskenning van de hiervoor in 2.3.4 geformuleerde regels. De tegen dit oordeel gerichte rechtsklacht faalt daarom.

2.4.

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.