Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3542

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14/04529
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHLEE:2012:3417, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Ongegronde herzieningsaanvraag. In de aanvraag wordt beroep gedaan op een beschikking van Rb Midden-Nederland van 4 juni 2013 waarbij het door betr. ex art. 49 Wet Bopz gedane verzoek tot ontslag uit het ziekenhuis gegrond is verklaard, v.zv. inhoudende tz. van de Rb van 31 mei 2013 afgelegde verklaringen van de geneesheer-directeur, de psychiater en de psycholoog. In de aanvraag wordt aangevoerd dat indien het Hof met deze verklaringen bekend zou zijn geweest, “dit niet zou hebben geleid tot ontslag van rechtsvervolging en de oplegging van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis”. In de aanvraag wordt miskend dat de tz. van de Rb. afgelegde deskundigenverklaringen niet inhouden dat - anders dan de in het bestreden arrest genoemde deskundigen hebben gerapporteerd - de aanvrager t.t.v. het begaan van het bewezenverklaarde feit niet lijdende was aan schizofrenie. Gelet hierop en in aanmerking hetgeen de deskundigen - zowel die in de beschikking van de Rb als die in het arrest van het Hof zijn genoemd - voorts hebben verklaard omtrent de persoon van de aanvrager, kan het aangevoerde niet opleveren een ernstig vermoeden dat het Hof anders zou hebben beslist dan het heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0517
RvdW 2015/84

Uitspraak

9 december 2014

Strafkamer

nr. S 14/04529 H

IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 augustus 2012, nummer 24/002510-11, ingediend door mr. B.J. de Pree, advocaat te Amersfoort, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 november 2011 – de aanvrager ter zake van "poging tot zware mishandeling" begaan op 16 april 2011, niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing van de aanvrager in een psychiatrisch ziekenhuis gelast voor de duur van een jaar.

2. De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Beoordeling van de aanvraag

3.1.

Het arrest van het Hof houdt, voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang, het volgende in:

- onder het opschrift 'strafbaarheid van de verdachte':

"Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte heeft het hof gelet op de in opdracht van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Zwolle-Lelystad opgemaakte rapportage van drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog, d.d. 5 augustus 2011 en de rapportage van dr. J.J. van Egmond, psychiater, d.d. 6 september 2011.

Daaruit komt naar voren dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als schizofrenie van het ongedifferentieerde type. Voorts is er sprake van pathologisch gokken, alcohol- on cannabismisbruik, Dit psychische toestandsbeeld was reeds aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De schizofrene stoornis, die onder meer wordt gekenmerkt door paranoïde wanen, maakt dat de realiteitstoetsing ernstig is verstoord, waardoor verdachte gemakkelijk kan komen tot grensoverschrijdende impulsieve handelingen.

Beide onderzoekers zijn van mening dat verdachte daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Zij adviseren verdachte vanwege zijn schizofrene stoornis als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde, indien bewezen, en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne. Het bewezen verklaarde kan verdachte derhalve niet worden toegerekend. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging."

- en onder het opschrift ′oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis' onder meer:

"De hiervoor genoemde gedragsdeskundigen hebben zich in hun rapportages eveneens uitgelaten over het gevaar voor herhaling en, daarmee samenhangend, de in deze zaak meest geëigende strafrechtelijke afdoening. Zij stellen zich op het standpunt dat de kans op recidiveren sterk verhoogd is, zolang de schizofrene stoornis niet effectief is behandeld.

Het hof heeft in dit verband onder meer gelet op de navolgende overwegingen, zakelijk weergegeven:

Bij een schizofrene procespsychose ontwikkelen zich na een psychotische periode (opmerking van het hof: daarvan is in 1997 en 2006 kennelijk sprake geweest) negatieve symptomen, zoals apathie, kritiek- en oordeelsstoornissen, cognitieve dysfunctie, psychotische misinterpretaties van sociale situaties, zeer heftige haatgevoelens, gepaard gaande met moeilijk te verklaren agressieve uitbarstingen en egocentrisch autistiform gedrag. Deze uit het ziektebeeld voortkomende factoren verhogen de kans op recidive. Vooral personen uit de primaire steungroep lopen daarbij risico. Indien betrokkene bij zijn moeder zou gaan wonen, zoals hij op enig moment van plan was, zou het risico worden verlegd van zijn echtgenote naar zijn moeder.

(...)

Over het kader, waarbinnen behandeling van verdachte zou moeten plaatsvinden heeft het hof overwogen gelet op de navolgende overwegingen, zakelijk weergegeven:

Effectieve psychiatrische behandeling van (ernstige) schizofrenie vereist opname in een psychiatrisch ziekenhuis, waarbij antipsychotische medicatie onmisbaar zal blijken te zijn. Betrokkene is nog nooit elders dan in de gevangenis psychiatrisch behandeld. Zijn aandoening zou aanzienlijk kunnen verbeteren, zowel voor wat betreft het eigen functioneren als het gevaar voor anderen, bij het goed instellen op (depot)medicatie, verpleegkundige begeleiding en het voorbereiden van goede nazorg na ontslag. Omdat betrokkene nooit eerder in de geestelijke gezondheidszorg is behandeld, lijkt dit de meest voor de hand liggende setting. Onderzoeker adviseert betrokkene de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Een behandeling van een jaar lijkt voldoende om het recidivegevaar af te wenden.

(...)

Nu er ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en verdachte als gevaarlijk voor anderen kan worden beschouwd, acht het hof behandeling van verdachte, conform het daartoe strekkende advies van de hiervoor aangehaalde gedragsdeskundigen noodzakelijk. Het hof zal daarom aan verdachte, conform het vonnis in eerste aanleg, de vordering van de advocaat-generaal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis opleggen voor de duur van een jaar."

3.2.

Bij de aanvraag is gevoegd een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2013 waarbij het door de betrokkene op de voet van art. 49 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) gedane verzoek tot ontslag uit het ziekenhuis gegrond is verklaard. Deze beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang, het volgende in:

- onder het opschrift 'standpunt van de geneesheer-directeur, de psychiater en de psycholoog' onder meer:

"4.1. De geneesheer-directeur heeft ter zitting toegelicht dat zijn brief van 12 maart 2012 aan betrokkene zijn standpunt over het ontslag weergeeft. Bij betrokkene is op twee afdelingen van Roosenburg geconstateerd dat er geen aanwijzingen zijn voor schizofrenie. In het dossier van betrokkene is door verschillende forensische psychiaters gerapporteerd dat er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsstoornissen bij betrokkene met anti-sociale en narcistische trekken. Opvallend is dat bij betrokkene geen gedragsproblemen zijn opgetreden tijdens zijn verblijf in Roosenburg. Deze omstandigheid in combinatie met het dikke dossier van betrokkene maakt een nader onderzoek noodzakelijk om een diagnose te kunnen stellen. Betrokkene wil daar echter niet aan meewerken. De geneesheer-directeur heeft toegelicht dat vanwege de weigering van betrokkene om mee te werken aan het onderzoek een patstelling is ontstaan. Als betrokkene in de instelling blijft, zal hij niet meer doen dan zijn tijd uitzitten en van enige behandeling is geen sprake. Een voorwaardelijk ontslag zou het meest op zijn plaats zijn, waardoor de instelling ambulant contact zou kunnen houden met betrokkene. De geneesheer-directeur wijst er op dat er een fors strafdossier met vele incidenten en geweldsmisdrijven bestaat en dat betrokkene begeleiding nodig zal hebben bij het opnieuw vorm geven aan zijn leven. Daarnaast zou het zo kunnen zijn dat betrokkene een verhoogde gevoeligheid op het krijgen van een psychose heeft, echter nu betrokkene ieder onderzoek weigert, kan ook daar geen uitsluitsel over worden gegeven.

4.2.

De psychiater heeft verklaard dat wordt vermoed dat betrokkene een persoonlijkheidsstoornis heeft. Dit vermoeden komt ook sterk naar voren in drie rapportages pro Justitia. Er hebben zich echter geen incidenten voorgedaan op de afdeling die dit vermoeden kunnen bevestigen. Ook de vrouw en zus van betrokkene geven aan dat het verlof van betrokkene goed verloopt. Uit de risicotaxatie die gedaan is op basis van observatie en het dossier volgt dat het risico op recidive binnen de instelling laag is en buiten de instelling matig. De psychiater benadrukt dat er uiterst zorgvuldig met het ontslag omgegaan moet worden, aangezien betrokkene veroordeeld is voor huiselijk geweld. Daarom is volgens hem een voorwaardelijk ontslag wenselijk, zodat bezien kan worden of betrokkene in de periode tot het aflopen van de maatregel de positieve ontwikkeling voort zal kunnen zetten. Indien er dan geen ernstige incidenten voor zullen komen, zal de begeleiding aan het eind van die termijn ook aflopen.

4.3.

De psycholoog heeft verklaard dat op basis van de voorgeschiedenis wordt vermoed dat er iets met betrokkene aan de hand is, maar dat daar bij de instelling niet veel van is teruggezien. Betrokkene is al langere tijd opgenomen, maar van de gestelde diagnose en ook van de andere genoemde stoornissen is feitelijk geen overeenkomstig gedrag gezien."

- en onder het opschrift 'beoordeling van het verzochte':

"5.1. De rechtbank dient in de procedure ex artikel

49 juncto artikel 51 van de Wet Bopz de vraag te beantwoorden of de gedwongen opname van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis moet voortduren. Op grond van vaste jurisprudentie dient de rechtbank in volle omvang te onderzoeken of beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing van de geneesheer-directeur op het ontslagverzoek van betrokkene, te weten op 12 maart 2013, de genoemde gronden voor de vrijheidsbeneming, die een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, aanwezig zijn. De rechtbank dient tevens naar de actuele stand van zaken, ex nunc, een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het voorduren van de vrijheidsbeneming.

5.2.

De rechtbank dient te onderzoeken of betrokkene op 12 maart 2013 en in de situatie zoals deze thans is, opgenomen dient te blijven, omdat hij lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, deze stoornis gevaar doet veroorzaken en dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

5.3.

Voorop staat de vraag of sprake is van een psychiatrische stoornis in de zin van de Wet Bopz. De geneesheer-directeur en de psychiater hebben ter zitting verklaard dat zij de eerder gestelde diagnose schizofrenie niet onderschrijven. Op basis van uitgebreid dossieronderzoek vermoeden zij wel dat betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met anti-sociale en narcistische trekken. Echter, gebleken is dat er gedurende het verblijf van betrokkene in de instelling geen gedragskenmerken zijn waargenomen die dit vermoeden bevestigen. Gelet op de lange duur die betrokkene al in de instelling verblijft, te weten zeven maanden, is het opvallend dat er evenmin incidenten hebben plaatsgevonden op de afdeling. Desgevraagd hebben de geneesheer-directeur en de psychiater alleen een vermoeden van een stoornis van de geestvermogens kunnen vaststellen. De geneesheer-directeur heeft in zijn afwijzing van het verzoek tot ontslag, d.d. 12 maart 2013, ook beschreven dat betrokkene mogelijk een verhoogd risico heeft op een psychose en dat nog onvoldoende duidelijk is wat er moet gebeuren om dit te voorkomen.

Voor een gedwongen opname in een BOPZ-instelling (behalve bij een inbewaringstelling) is, ingevolge de Wet Bopz, vereist dat sprake is van een vastgestelde, stoornis van de geestvermogens. Gebleken is dat de diagnose schizofrenie door de instelling niet wordt onderschreven en het enkele vermoeden van een andere stoornis van de geestvermogens is niet toereikend om het gedwongen verblijf van betrokkene in de instelling te kunnen voortzetten. Op basis hiervan moet worden geconcludeerd dat geen stoornis van de geestvermogens op grond van de Wet Bopz is vast komen te staan en de rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de overige criteria voor het voortzetten van de dwangopname."

3.3.

In de aanvraag wordt beroep gedaan op deze beschikking voor zover deze inhoudt dat ter zitting van de Rechtbank van 31 mei 2013 is verklaard

- door de geneesheer-directeur dat bij de aanvrager op twee afdelingen is geconstateerd dat er geen aanwijzingen zijn voor schizofrenie;

- door de psychiater dat wordt vermoed dat de aanvrager een persoonlijkheidsstoornis heeft maar dat zich op de afdeling geen incidenten hebben voorgedaan die dit vermoeden kunnen bevestigen;

- door de psycholoog dat op basis van de voorgeschiedenis wordt vermoed dat met de aanvrager iets aan de hand is, maar dat daarvan bij de instelling niet veel is teruggezien, en voorts dat de aanvrager al langere tijd is opgenomen, maar dat van de gestelde diagnose en ook van de andere genoemde stoornissen feitelijk geen overeenkomstig gedrag is gezien.

In de aanvraag wordt aangevoerd dat indien het Hof met deze verklaringen bekend zou zijn geweest, "dit niet zou hebben geleid tot ontslag van rechtsvervolging en de oplegging van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis".

3.4.

In de aanvraag wordt miskend dat de ter zitting van de Rechtbank afgelegde deskundigenverklaringen niet inhouden dat - anders dan de in het bestreden arrest genoemde deskundigen hebben gerapporteerd - de aanvrager ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit niet lijdende was aan schizofrenie. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen de deskundigen – zowel die in de beschikking van de Rechtbank als die in het arrest van het Hof zijn genoemd – voorts hebben verklaard omtrent de persoon van de aanvrager, kan het aangevoerde niet een ernstig vermoeden wekken dat het Hof anders zou hebben beslist dan het heeft gedaan.

3.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2014.

Mrs. Balkema en Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.