Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:350

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
12/01610
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2318, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende klacht m.b.t. uos over betrouwbaarheid getuigenverklaringen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/150 met annotatie van mr. P.W. van der Kruijs
SR-Updates.nl 2014-0086
RvdW 2014/434
NJ 2014/280

Uitspraak

18 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/01610

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 februari 2012, nummer 22/004923-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L. Groen, advocaat te Waddinxveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 1 februari 2007 tot en met 14 juni 2007 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1], hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. hij op 15 juni 2007 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"4. De getuigenverklaring van [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 september 2010. Deze verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Ik heb de woning aan de [a-straat 1] in april 2007 betrokken. Ongeveer twee weken later is de bouw van het hof op zolder begonnen. [verdachte] heeft het gebouwd. De plantjes gingen er in mei 2007 in. De kwekerij aan de [a-straat 1] werd verzorgd door [verdachte].

5. De getuigenverklaring van [getuige 2] ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 september 2010. Deze verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Ik heb [verdachte] in het voorjaar van 2007 ontmoet. Ik heb hem wel eens gezien in de [a-straat 1]. Hij kwam dan koffie drinken en mannendingen doen.

6. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 juni 2007, van de politie Hollands Midden, nummer PL1633/07-121658. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 102 t/m 105):

als de op 17 juni 2007 afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Ik ben woonachtig aan de [a-straat 1] te Alphen aan den Rijn. [verdachte] is degene die zorg draagt voor het voeren en onderhouden van de planten op het adres waar de hennepkwekerij is. [verdachte] is tot nu toe elke dag in de [a-straat 1] geweest om voor de planten te zorgen."

2.3.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Ten onrechte heeft de rechtbank eerdergenoemde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voor het bewijs gebezigd; die verklaringen zijn immers onbetrouwbaar:

- De verklaringen van [getuige 1]

Bij de politie heeft [getuige 1] (pag. 86 van PL 1634/07-006155) aangegeven dat [betrokkene 1] een timmerman had ingehuurd om alles te maken voor de plantage op de zolder van de woning aan de [a-straat 1] te Alphen a/d Rijn. Letterlijk heeft [getuige 1] vervolgens het volgende verklaard:

"Ik ken de naam niet van de timmerman. Dit was een lange man 25-26 jr. oud met lang donkerblond haar. Het was een Nederlander, hij reed in een blauwe Opel Astra, zonder opvallende kenmerken".

Zoals Uzelf hier en nu kunt waarnemen is cliënt niet lang (hij is 1 meter 75), doch heeft cliënt bovenal geen lang donkerblond haar, maar kort donker haar, passend bij zijn Marokkaanse afkomst!

Oftewel: het signalement, gegeven door [getuige 1], past volstrekt niet bij cliënt.

Op pag. 88 van datzelfde proces-verbaal heeft [getuige 1] verklaard:

"De werkzaamheden van de kwekerij lagen in handen van [betrokkene 1]".

en

"[betrokkene 1] hield de kwekerij bij. Af en toe deed ik dat ook. Wij deden het onderhoud en de werkzaamheden een beetje samen, alleen [betrokkene 1] meer".

Diezelfde [getuige 1] heeft echter op pag. 104 dienaangaande anders verklaard, namelijk:

"[verdachte] is degene die zorgdraagt voor het voeren en het onderhouden van de planten. Dit doet hij dan op elk adres waar een hennepkwekerij is".

Oftewel: hier wijkt [getuige 1] weer af van hetgeen hij op dit punt eerder heeft verklaard.

Verder: [getuige 1] heeft (op pag. 87 en 88) verklaard dat de elektrische installatie is aangelegd door "deels de timmerman voor de aanleg en [betrokkene 1] voor de elektrische zaken". Desalniettemin heeft diezelfde [getuige 1] (pag. 89) verklaard: "de stroom liep achter de kast om en was aangelegd door een man. Hij werkt bij de NUON. Het was een blanke man, ongeveer 22 jr oud, vrij lang postuur, lichtblond haar".

Niet alleen spreekt [getuige 1] zich op dit punt tegen, dit signalement lijkt veeleer te passen bij het signalement dat hiervoor al is genoemd en dat (het zij herhaald) in het geheel niet op cliënt van toepassing is.

Gehoord als getuige ter zitting van 9 september 2010 heeft [getuige 1] verklaard dat hij met cliënt goed kon opschieten. In reactie op de vraag hoe dat zich dan verhoudt met de beweringen van [getuige 1] dat hij door cliënt werd bedreigd, slaagt [getuige 1] er niet in met een adequaat antwoord te komen.

[getuige 1] is toen ook voorgehouden dat hij tegenstrijdig had verklaard met betrekking tot de aanleg van elektriciteit: [getuige 1] had ter zitting namelijk verklaard dat de man die de stroom had omgelegd was geregeld door [betrokkene 2], terwijl hij bij de politie had verklaard dat de elektriciteit deels door "de timmerman" en deels door "[betrokkene 1]" was aangelegd. Dan komt [getuige 1] met nadere uitleg, inhoudende dat het regelen van de stroom op de [a-straat 1] best ingewikkeld was, om welke reden "die man uit Leiden" (dus niet cliënt) er door [betrokkene 2] is bijgehaald. Hoe dan ook, de onvermijdelijke constatering is dat [getuige 1] op dit punt een tegenstrijdige verklaring heeft afgelegd.

Het bovenstaande had de rechtbank moeten brengen tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar voor het bewijs."

2.3.2.

Dienaangaande heeft het Hof in een "nadere bewijsoverweging" als volgt overwogen en beslist:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, een en ander zoals omschreven in zijn ter terechtzitting overgelegde en in kopie aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Ter adstructie van zijn standpunt heeft hij aangevoerd - kort gezegd - dat, nu de verklaringen afgelegd door [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn, deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Daarenboven is hetgeen door [getuige 2] bij de politie is verklaard niet haar eigen waarneming geweest.

Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 15 juni 2007 heeft de politie op de zolder van het pand aan de [a-straat 1] te Alphen aan den Rijn een hennepkwekerij met 420 hennepplanten aangetroffen.

De bewoner van dit pand, medeverdachte [getuige 1], heeft als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg onder ede verklaard dat de verdachte de hennepkwekerij op zolder heeft gebouwd, daarenboven droeg de verdachte zorg voor kwekerij.

[getuige 2] heeft als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg onder ede verklaard dat zij de verdachte in het voorjaar van 2007 heeft ontmoet en dat hij na zijn werk wel eens langs kwam op de [a-straat 1]. Hij kwam dan koffie drinken.

Verdachte heeft steeds ontkend iets met de hennepkwekerijen te maken te hebben gehad, en gezegd dat hij [getuige 2] niet persoonlijk kent, maar wel van gezicht. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij het adres [a-straat 1] alleen uit de verhalen van de coffeeshop kent. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij wel eens koffie heeft gedronken in het pand aan de [a-straat 1] en dat hij een timmerbedrijf heeft. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij bij [getuige 1] in zijn tuin een schutting en een hok voor een beest heeft geplaatst.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg niet ongeloofwaardig, nu deze onder ede in aanwezigheid van de (toenmalige) raadsvrouw van de verdachte en de verdachte zelf zijn afgelegd.

Naar 's Hofs oordeel zijn, gezien de tegenstrijdigheid en tegen de achtergrond van de verklaringen afgelegd door [getuige 1] en [getuige 2], de verklaringen afgelegd door de verdachte ongeloofwaardig. Gelet op het vorenoverwogene, in onderling samenhang bezien, is het aannemelijk dat de verdachte betrokken is geweest bij het opbouwen van de hennepkwekerij aan de [a-straat 1]. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.

3.2.

Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] omtrent de bouw en de inrichting van de hennepkwekerij onbetrouwbaar zijn. In weerwil daarvan heeft het Hof de door [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg daaromtrent als getuige afgelegde verklaring niet ongeloofwaardig geacht en voor het bewijs bruikbaar geacht (bewijsmiddel 4). Daarbij heeft het Hof in het bijzonder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de andersluidende lezing van de verdachte niet in overeenstemming kan worden gebracht met de verklaring van de getuige [getuige 2] en de omstandigheid dat zowel de verklaring van [getuige 1] als die van [getuige 2] onder ede is afgelegd in aanwezigheid van de raadsvrouwe van de verdachte en de verdachte zelf. Een en ander stond het Hof vrij, gelet op de vrijheid welke de rechter die over de feiten oordeelt, heeft ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal. Anders dan het middel wil, voldoen 's Hofs overwegingen hiermee aan het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en noopte die bepaling het Hof niet tot een nadere motivering.

3.3.

De klacht faalt.

3.4.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.