Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3478

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
13/05317
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2214, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opgave bewijsmiddelen, art. 359.3 Sv. Geen duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis t.a.v. overtreding van art. 2 Leerplichtwet 1969. De verklaring van verdachte houdt niet in dat zij erkent dat zij de verplichting had om te zorgen dat haar dochter op een school stond ingeschreven, terwijl zij zich kennelijk beroept op een vrijstelling van deze verplichting op de grond dat binnen redelijke afstand van de woning geen ongemengde school is gelegen waarop haar dochter geplaatst zou kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0502
NJB 2014/2283
RvdW 2015/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 december 2014

Strafkamer

nr. S 13/05317

AJ/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 19 april 2013, nummer 21/001545-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 31 maart 2011 en in de periode van 1 april 2011 tot en met 27 april 2011 in de gemeente Ede, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats], niet - hoewel zij daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht - heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat die jongere als leerling van een school was ingeschreven."

2.2.2.

De aantekening van het mondeling arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. Derhalve volstaat het hof, met toepassing van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven:

U, voorzitter, vraagt of het klopt dat mijn dochter in de ten laste gelegde periode niet ingeschreven stond bij een school. Ik antwoord dat dit klopt.

2. Het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van [betrokkene 2], leerplichtambtenaar."

2.2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2013 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Ik ben het niet eens met het vonnis van de politierechter. In de Romacultuur is het een probleem om meisjes van twaalf jaren en ouder bij jongens in een schoolklas te plaatsen. Ik ben geen slechte moeder voor mijn kinderen. U, voorzitter, vraagt of het klopt dat mijn dochter in de ten laste gelegde periode niet ingeschreven stond bij een school. Ik antwoord dat dit klopt. Dat is heel normaal in onze cultuur.

Ik heb niet gezegd dat ik een vrouw ken die een school heeft waar enkel meisjes naartoe gaan. Ik heb gezegd dat ik weet dat er in Amsterdam en Nieuwegein dergelijke scholen zijn. Ik vraag mij af hoe het kan dat die steden wel een oplossing zoeken voor het probleem en de gemeente Ede niet. Mijn zus woont in Nieuwegein, maar ik heb niet veel contact met haar. U vraagt mij of het mogelijk is dat mijn dochter doordeweeks bij mijn zus verblijft en in Nieuwegein naar school gaat. Ik antwoord dat de gemeente Ede dit probleem maar moet oplossen. Ik hoor u zeggen dat het aan mij is om een oplossing voor mijn probleem te vinden en dat de gemeente dat niet zonder meer hoeft te doen. Ik ben van mening dat dit wel een taak is voor de gemeente, omdat dit zo in de wet staat.

De raadsvrouw van verdachte deelt mede - zakelijk weergegeven -:

Ik toon u brieven waaruit blijkt dat mijn cliënt wel het een en ander heeft ondernomen om een school te vinden. (...)

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Het klopt dat mijn dochter nu nog niet naar school gaat. Ze krijgt wel computerles en Engels. Ik wacht af tot de gemeente een oplossing bedenkt. Mijn kinderen moeten naar school gaan in hun woonplaats. Ik woon niet in Nieuwegein, moet ik daar soms gaan wonen? Ik ben niet de enige met dit probleem. (...)

De raadsvrouw van verdachte voert het woord ter verdediging en deelt mede - zakelijk weergegeven -:

Ik heb een rapport daterend uit 2012, genaamd Roma en schoolverzuim, mee van het Trimbosinstituut. Er is heel uitvoerig onderzoek gedaan naar dit probleem. De conclusie luidt dat het beste begeleiding vanuit de gemeente kan worden opgezet, om ouders te laten overtuigen dat hun kinderen naar school moeten. Ik leg dit rapport niet over. In de onderhavige zaak is een heleboel geprobeerd. Mijn cliënt is een alleenstaande moeder. Hoe zit het nu met de vrijstelling? In Nieuwegein was een project voor Roma meiden. Zij kregen onder andere computerles en moeders konden naar maatschappelijk werk. Ik heb begrepen dat dit project niet meer bestaat. Ook niet in Amsterdam. Op grond van artikel 5 van de Leerplichtwet is een vrijstelling gevraagd. De onmogelijke situatie doet zich voor, dat er in 2011 of 2012 vrijstelling is gevraagd, waarop de gemeente het verzoek heeft afgewezen. De gemeente gaf aan dat deze beslissing voor beroep vatbaar was.

Ik heb daarop bezwaar aangetekend. Dit bezwaar is afgewezen, want ik had in beroep moeten gaan bij de bestuursrechter Arnhem. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat het beroep gegrond was, maar dat mijn cliënt niet-ontvankelijk verklaard diende te worden.

Ik zat ook met mijn handen in het haar. De gemeente Ede is op dit gebied onhandig bezig. Het feit zoals dat ten laste is gelegd kan worden bewezen, dat realiseer ik me. Binnen de Romacultuur zijn verschillende stromingen. Niet elke Roma beleeft op dezelfde manier het geloof. Mijn cliënt is religieus van aard. Als Madonna naar een gemengde school gaat, dan zou zij binnen haar stroming niet meer dezelfde behandeling krijgen als meisjes die zich wel aan de voorschriften houden. Zij komt dan in contact met jongens en dat levert problemen op. Dit weegt voor mijn cliënt verschrikkelijk zwaar. Ze verknoeit het leven van haar dochter als ze haar naar een reguliere school laat gaan. Ik herhaal het beroep op overmacht dat ik ten overstaan van de kantonrechter heb gedaan. Onder de geschetste omstandigheden heeft cliënt het recht om zelf in te grijpen tegen een onveilig, onrustig schoolklimaat en te zorgen voor rust en veiligheid voor haar dochter. Ze heeft een zorgplicht. Op grond van deze plicht komt haar een beroep in de zin van noodtoestand toe. Ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen."

2.3.

Art. 2, eerste lid, Leerplichtwet 1969 luidt:

"Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (...)"

Art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 luidt:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

(...)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

(...)"

2.4.

In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring. (Vgl. HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542)

2.5.

Nu de verklaring van de verdachte, zoals hiervoor onder 2.2.3 weergegeven, niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde betreft - zij houdt immers niet in dat de verdachte erkent dat zij de verplichting had om te zorgen dat haar dochter op een school stond ingeschreven, terwijl zij zich kennelijk beroept op een vrijstelling van deze verplichting op de grond dat binnen redelijke afstand van de woning geen school is gelegen waarop haar dochter geplaatst zou kunnen worden - is het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv, niet zonder meer begrijpelijk.

2.6.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2014.