Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:347

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
12/04859
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2543
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BY0075, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Moord. Voorbedachte raad. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Gelet op hetgeen is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties is ’s Hofs oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen hetgeen het Hof in bewijsmiddel 5 heeft vastgesteld over het verloop van de avond en het gewicht dat het Hof kennelijk heeft toegekend aan de gelegenheid tot beraad tijdens de uitvoering van het besluit, in welk verband het Hof echter tevens heeft vastgesteld dat niet is uitgesloten dat verdachte tijdens die uitvoering handelde in ‘grote opwinding’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0092
NJ 2014/163
NJB 2014/577
RvdW 2014/438

Uitspraak

18 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/04859

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, van 15 oktober 2012, nummer 21/001533-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde, meer in het bijzonder het "met voorbedachten rade" handelen, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 15 maart 2006 in de gemeente Venray, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer], meermalen, met een mes en/of een schroevendraaier, in de keel althans hals en het lichaam gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.3.

2.2.3.

Voorts heeft het Hof in dit verband het volgende overwogen:

"Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. 

(...)

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen verklaard kan worden dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer heeft gedood en moord derhalve niet bewezen kan worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een blinde razernij, in een hoge mate van opwinding en in een kort tijdsbestek, waarbij geen plaats was voor een mogelijkheid tot bezinning. Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. (...)

Oordeel van het hof

(...)

Voorbedachte raad

Het hof heeft thans nog de vraag te beantwoorden of verdachte zijn vrouw met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Verdachte ontkent dat; de advocaat-generaal acht moord bewezen.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012, LJN: BR2342 (overweging 2.7.2.) (1):

"Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet (...) komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven."


Het hof is van oordeel dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn daad en tot het maken van keuzes gericht op de dood van het slachtoffer.

Verdachte is op enig moment vanuit de woonkamer naar de garage gelopen en hij heeft daar een houten balk gepakt. Hij is terug gelopen, heeft zijn vrouw van achteren op het hoofd geslagen en daarna nog enkele keren geslagen. Daarna is hij van wapen gewisseld en heeft hij zijn vrouw zeventig steken met een schroevendraaier toegebracht. Hierna is hij weer van wapen gewisseld en heeft hij haar keel/hals doorgesneden. Verdachte heeft zich dus voorafgaand aan, of wat betreft de schroevendraaier en het mes tijdens zijn handelen (daarover bestaat geen duidelijkheid), voorzien van de verschillende wapens en heeft bovendien (tot twee keer toe) tijdens zijn handelen het besluit genomen om een ander, zwaarder wapen ter hand te nemen. Deze handelswijze impliceert bovendien een zeker tijdsverloop, dat ook tussen de verschillende uitvoeringshandelingen de gelegenheid bood tot bezinning, tot het overzien van de reikwijdte van zijn handelen en tot het terugkomen op zijn voornemen. Deze gang van zaken wijst niet op het in het heetst van een twist impulsief aanvallen van het slachtoffer. Dat verdachte zich ook daadwerkelijk bewust is geweest van de reikwijdte van zijn handelen, leidt het hof ook af uit het gegeven dat hij een steeds zwaarder, effectiever wapen ter hand heeft genomen.

Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van de door de verdediging genoemde contra-indicaties die in de weg zouden staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad. De raadsman heeft gesteld dat verdachte heeft gehandeld in een blinde razernij en in een hoge mate van opwinding.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij kwaad en woest was en in een waas heeft gehandeld, maar op zichzelf staat kwaadheid en boosheid niet in de weg aan de omstandigheid dat het besluit - in juridische zin - in kalm beraad en rustig overleg is genomen. Buiten verdachtes laatste verklaring die het hof alleen geloofwaardig acht voor zover die door objectieve bewijsmiddelen wordt geschraagd, wordt alleen in het rapport van de deskundige Eikelenboom-Schieveld d.d. 1 september 2011 (p. 42) in verband met het grote aantal steken met de schroevendraaier gemeld dat dit wijst op een grote opwinding, maar, als daar al sprake van was, dan kan uit dat rapport niet meer worden afgeleid dan dat die opwinding er (pas) was toen hij al met zijn handelen was begonnen en nadat hij al een keer van wapen was gewisseld.

Verdachtes stelling dat het allemaal in een waas is gebeurd, acht het hof niet te rijmen met de hierboven geschetste feitelijke gang van zaken, die het hof brengt tot de conclusie dat verdachte de gelegenheid heeft gehad zich te beraden en keuzes te maken. De veelheid van handelingen en de beslissingen die verdachte daarbij heeft moeten nemen, maken handelen in een waas niet aannemelijk. Bovendien wijst het gedrag van verdachte na het doden van het slachtoffer niet op een hoge mate van opwinding of emotie of een waas. Verdachte heeft zijn kinderen slapend achtergelaten, heeft het huis te Venray verlaten en is gaan klussen bij een vriend. Die vriend heeft verklaard dat hij niets bijzonders aan verdachte heeft gemerkt.

Al met al is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld, maar dat verdachte gelet op zijn handelswijze, voor zover die objectief valt vast te stellen, en het tijdsverloop, over zijn daad en de uitkomst daarvan heeft nagedacht. Het hof acht voorbedachte raad dan ook bewezen.

(1) Nader HR 9 oktober 2012, LJN BX8087."

2.3.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963).

2.4.

Het Hof heeft zijn oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen hetgeen het Hof in bewijsmiddel 5 heeft vastgesteld over het verloop van de avond van 15 maart 2006 en het gewicht dat het Hof kennelijk heeft toegekend aan de gelegenheid tot beraad tijdens de uitvoering van het besluit, in welk verband het Hof echter tevens heeft vastgesteld dat niet is uitgesloten dat de verdachte tijdens die uitvoering handelde in "grote opwinding".

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.