Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3439

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
11/04457
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6075, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Uitspraak na prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 5, lid 7, Zesde richtlijn, art. 3, lid 1, letter h, en art. 15, lid 4, Wet OB; bouw van een stadskantoor; aftrek van omzetbelasting; eindarrest na HvJ 10 september 2014, Gemeente ’s-Hertogenbosch, C-92/13, ECLI:EU:C:2014:2188.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1651
V-N 2012/42.17 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2013/243
V-N 2013/9.16 met annotatie van Redactie
BNB 2013/86 met annotatie van Bijl
Belastingblad 2013/244 met annotatie van S. Darwinkel-Huijbregts
V-N Vandaag 2014/2420
V-N 2014/64.16 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2015/53 met annotatie van S. Darwinkel-Huijbregts
BNB 2015/22 met annotatie van D.B. Bijl
FutD 2014-2763 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/311 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2014

nr. 11/04457bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 9 september 2011, nr. 09/00614, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1 Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 1 februari 2013, nr. 11/04457, ECLI:NL:HR: 2013:BW9757, BNB 2013/86, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.

Bij arrest van 10 september 2014, Gemeente ’s-Hertogenbosch, C-92/13, ECLI:EU:C:2014:2188, V-N 2014/47.18, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:

Artikel 5, lid 7, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin een gemeente een gebouw in gebruik neemt dat zij op aan haar toebehorende grond heeft laten bouwen en dat zij voor 94 % van de oppervlakte zal gaan gebruiken voor haar activiteiten als overheid en voor 6 % van die oppervlakte voor haar activiteiten als belastingplichtige, waarvan 1 % voor vrijgestelde verrichtingen die geen recht op aftrek van belasting over de toegevoegde waarde geven. Het latere gebruik van het gebouw voor de activiteiten van de gemeente kan echter slechts recht geven op aftrek van voorbelasting die is voldaan ten behoeve van de bestemming als in die bepaling bedoeld, voor dat deel dat overeenstemt met het gebruik voor doeleinden van belastbare handelingen, zulks krachtens artikel 17, lid 5, van de Zesde richtlijn.

De Staatssecretaris van Financiën heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.

2 Nadere beoordeling van het middel

2.1.

In zijn reactie op het hiervoor onder 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie heeft de Staatssecretaris te kennen gegeven dat uit dit arrest naar zijn inzicht voortvloeit dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf van € 270.721. Reeds hierom slaagt het middel.

2.2.

Gelet op het hiervoor in 2.1 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van de gedingen in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de beschikking van de Inspecteur,

verleent aan belanghebbende een teruggaaf van € 288.032,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 454, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 273,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van de gedingen in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5844 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2014.