Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3352

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
14/00268
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1815, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:3764, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht; Landelijk procesreglement gerechtshoven. Hoewel de zaak voor arrest in het incident staat, wijst het hof eindarrest. Schending beginsel van hoor en wederhoor. Strijd met art. 2.24 LPH door geen gelegenheid te geven om pleidooi of akte te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvPP 2015, afl. 1, p. 33
NJB 2014/2165
JWB 2014/404
RvdW 2014/1313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 november 2014

Eerste Kamer

14/00268

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de man], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[de vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 420357/KG ZA 13-226 van de voorzieningenrechter te Rotterdam van 21 juni 2013;

b. het arrest in de zaak 200.130.650/01 van het gerechtshof Den Haag van 15 oktober 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 oktober 2013 en tot verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1 De vrouw vordert in dit geding onder meer dat de man zal worden bevolen de gemeenschappelijke woning van partijen te ontruimen en medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen.

3.1.2 De man is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Hij heeft van grieven gediend en bij incidentele vordering tevens schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van de voorzieningenrechter gevorderd.

3.1.3 Nadat de vrouw voor antwoord had geconcludeerd, heeft het hof bij het bestreden arrest het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.2.1 Onderdeel 2 klaagt dat het hof in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Blijkens het roljournaal is uitsluitend gefourneerd voor arrest in het incident en stond de zaak uitsluitend voor arrest in het incident. Volgens art. 2.24 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPH) bestond bovendien in de hoofdzaak na een memorie van antwoord het recht op uitlating over de vraag of een akte of pleidooi werd gewenst, welke gelegenheid de man niet is gegeven.

3.2.2 De klacht is gegrond. Blijkens het roljournaal, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4, stond de zaak, nadat de vrouw ter rolle van 20 augustus 2013 een antwoordconclusie in het incident had genomen, op 3 september 2013 voor fourneren in het incident en vervolgens, nadat de vrouw op die datum daarvoor had gefourneerd, op 15 oktober 2013 voor arrest in het incident. Het hof heeft op die laatste datum geen arrest gewezen in het incident, maar eindarrest in de hoofdzaak. Aldus heeft het hof in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor beslist, nu de man erop mocht rekenen dat hij zich in de hoofdzaak nog kon uitlaten. Indien het hof de antwoordconclusie van de vrouw heeft aangemerkt als memorie van antwoord in de hoofdzaak, heeft het bovendien, zoals het onderdeel terecht klaagt, in strijd met art. 2.24 LPH gehandeld door de man niet overeenkomstig dat artikel de gelegenheid te geven zich uit te laten over de vraag of hij pleidooi wenste dan wel nog een akte wilde nemen.

3.2.3 Het arrest van het hof kan niet in stand kan blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 oktober 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 21 november 2014.