Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3327

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
12/05825
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1957, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:4986, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Procesrecht. Art. 8:63, leden 2 en 3, en art. 10:3, lid 3, Awb. Hof kon afzien van zelf oproepen getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2015/209
V-N Vandaag 2014/2354
BNB 2015/5
V-N 2014/61.9 met annotatie van Redactie
FutD 2014-2703 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 november 2014

nr. 12/05825

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Maatschap [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 november 2012, nr. 10/00362, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/2233) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, mr. A.M.E. Nuyens en mr. A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 22 oktober 2014 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.1.

Middel 1 richt zich tegen ‘s Hofs beslissing om een door belanghebbende tevergeefs opgeroepen getuige niet op te roepen. Blijkens de toelichting op het middel wilde belanghebbende deze getuige - een oud-ambtenaar van de Belastingdienst, die volgens belanghebbende de bestreden naheffingsaanslag heeft vastgesteld - doen horen ten bewijze van haar stelling dat bij de uitspraak op bezwaar is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 10:3, lid 3, Awb. Belanghebbende wenste de getuige te doen horen over de betrokkenheid van bepaalde belastingambtenaren bij de totstandkoming van de bestreden naheffingsaanslag en de daaropvolgende bezwaarprocedure.

2.1.2.

Artikel 10:3, lid 3, Awb houdt in, voor zover voor het onderhavige geval van belang, dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die de in bezwaar bestreden naheffingsaanslag krachtens mandaat heeft vastgesteld.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag is vastgesteld door de hiervoor in 2.1.1 bedoelde oud-ambtenaar. Aangezien de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de uitspraak op het tegen die naheffingsaanslag gerichte bezwaar is gedaan door een andere belastingambtenaar, kon het Hof reeds hierom zonder schending van enige rechtsregel afzien van het oproepen en horen van de oud-ambtenaar als getuige. Middel 1 faalt.

2.2.

De middelen 2 tot en met 5 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.3.1.

Middel 6 betoogt dat het Hof ten onrechte de boete niet verder heeft verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, althans zijn oordeel daaromtrent onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.3.2.

Voor de berechting van een zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof, behoudens bijzondere omstandigheden als vermeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AT4468, BNB 2005/337, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld.

In het onderhavige geval is blijkens het procesdossier hoger beroep ingesteld op 21 mei 2010 en heeft het Hof uitspraak gedaan op 7 november 2012. Gelet op het vorenstaande geeft ‘s Hofs oordeel dat het tijdsverloop na de uitspraak van de Rechtbank geen aanleiding geeft tot verdere matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn derhalve ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel behoefde dat oordeel nadere motivering, die evenwel ontbreekt. Het middel slaagt.

2.4.

Gelet op het hiervoor in 2.3.2 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. ‘s Hofs uitspraak en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor in 2.3.2 bedoeld. Het aldaar overwogene brengt dan mee dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met minder dan zes maanden. De Hoge Raad zal de boete daarom verder verminderen met vijf percent.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover daarbij de uitspraak van de Rechtbank is bevestigd,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking,

verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de boetebeschikking ongegrond,

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking,

vermindert de boete tot € 15.139,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 466, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2922 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.