Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3303

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
13/05048
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:3642, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2083
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslissing tot betaling van wettelijke rente over de toegekende bedragen aan schadevergoeding van de bp-en. V.zv. de klacht de vorderingen betreft van de bp-en A, B en C, is het middel terecht voorgesteld, nu uit de voegingsformulieren op naam van deze bp-en niet blijkt dat zij vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd. Het middel klaagt voorts terecht dat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat over de aan de bp-en Y en Z toegekende bedragen wettelijke rente is verschuldigd vanaf resp. 1 maart 2011 en 10 mei 2010. Wettelijke rente over de door verdachte te vergoeden schade die de bp als gevolg van het te zijnen laste bewezenverklaarde feit heeft geleden kan niet eerder ingaan dan de dag waarop het schadeberokkende strafbaar feit is gepleegd. Uit de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van Y en Z volgt dat het bewezenverklaarde feit, v.zv. het jegens Y is gepleegd, op 16 maart 2011 is begaan en, v.zv. het jegens Z is gepleegd, op en na 20 mei 2010 is begaan. V.zv. het middel tot cassatie leidt, doet de Hoge Raad zelf de zaak om doelmatigheidsreden af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0461
RvdW 2014/1324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 november 2014

Strafkamer

nr. S 13/05048

NLI/AKA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 17 mei 2013, nummer 24/002759-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat blijkens de op de voet van art. 454 Sv opgemaakte akte niet is gericht tegen de vrijspraken van zelfstandige onder 2 tenlastegelegde feiten - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat de wettelijke rente vergoed moet worden over het toegewezen bedrag van de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], en voor zover het Hof heeft bepaald dat het toegewezen bedrag van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 15 december 2008, 1 maart 2011 en 10 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, tot bepaling dat het aan de benadeelde partijen [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van respectievelijk 2 januari 2009, 16 maart 2011 en 20 mei 2010, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het twaalfde middel

2.1.

Het middel klaagt over de beslissing van het Hof dat de aan de benadeelde partijen [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 4], [betrokkene 8], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] toegekende bedragen aan schadevergoeding, zullen worden vermeerderd met wettelijke rente.

2.2.

Het Hof heeft de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, veroordeeld ter zake van 'afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen, meermalen gepleegd' en 'medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd' (bewezenverklaring onder 2). Het Hof heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 4], [betrokkene 8], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] toegewezen tot de in het arrest vermelde bedragen en bepaald dat de toegekende bedragen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de data zoals in het arrest vermeld.

2.3.

Het middel bevat ten eerste de klacht dat het Hof de aan deze benadeelde partijen toegekende bedragen aan schadevergoeding niet had mogen vermeerderen met wettelijke rente, nu zij zulks niet hebben gevorderd. Voor zover de klacht de vorderingen betreft van de benadeelde partijen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3], is het middel terecht voorgesteld. Uit de voegingsformulieren op naam van deze benadeelde partijen die zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden, blijkt niet dat zij vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd. Voor het overige mist de klacht feitelijke grondslag.

2.4.

Het middel klaagt voorts terecht dat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat over de aan de benadeelde partijen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] toegekende bedragen wettelijke rente is verschuldigd vanaf respectievelijk 1 maart 2011 en 10 mei 2010. Wettelijke rente over de door de verdachte te vergoeden schade die de benadeelde partij als gevolg van het te zijnen laste bewezenverklaarde feit heeft geleden, kan niet eerder ingaan dan de dag waarop het schadeberokkende strafbaar feit is gepleegd.

Uit de door het Hof als bewijsmiddelen 21 en 26 gebezigde verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] volgt dat het onder 2 bewezenverklaarde feit, voor zover het jegens [betrokkene 4] is gepleegd, op 16 maart 2011 is begaan en, voor zover het jegens [betrokkene 5] is gepleegd, op en na 20 mei 2010 is begaan.

2.5.

Voor zover het middel tot cassatie leidt, zal de Hoge Raad zelf de zaak om doelmatigheidsreden afdoen.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen -, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover het Hof heeft beslist dat de aan de benadeelde partijen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] toegewezen bedragen vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf de in de uitspraak vermelde datum tot aan de dag van de algehele voldoening, en heeft beslist dat de aan de benadeelde partijen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] toegekende bedragen aan schadevergoeding worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf respectievelijk 1 maart 2011 en 10 mei 2010, tot de dag der algehele voldoening;

vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;

bepaalt dat het aan de benadeelde partij [betrokkene 4] toegekende bedrag aan schadevergoeding wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 maart 2011, tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt het aan de benadeelde partij [betrokkene 5] toegekende bedrag aan schadevergoeding wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 mei 2010, tot de dag der algehele voldoening;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2014.