Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:32

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
12/00494
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:2863, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2196, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht verduistering, art. 321 Sr. “Wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1989:ZC8253. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte 1,5 jaar na het “lenen” van de geldbedragen het geld nog niet had teruggegeven ondanks zijn toezegging het geld binnen 1,5 uur respectievelijk dezelfde dag terug te brengen. Gelet hierop alsmede gelet op de omstandigheden waaronder verdachte het geld heeft geleend, heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte als heer en meester heeft beschikt over de geldbedragen. ’s Hofs oordeel dat verdachte zich aldus de bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/168
NJB 2014/212
NJ 2014/187 met annotatie van N. Keijzer
SR-Updates.nl 2014-0010
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 januari 2014

Strafkamer

nr. 12/00494

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 januari 2012, nummer 20/004717-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen omtrent het onder parketnummer 01/845561-09 onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over het in de zaak met parketnummer 01/845561-09 onder 1 bewezenverklaarde, meer in het bijzonder dat de verdachte de geldbedragen "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend".

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is in de zaak met parketnummer 01/845561-09 onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, en te Best, (telkens) opzettelijk een geldbedrag, toebehorend aan [betrokkene 1] en aan een ander dan aan verdachte, welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lener van die geldbedragen onder de toezegging van terugbetaling, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – op de volgende bewijsmiddelen:

"6. Het ambtsedig proces-verbaal van Politieregio Brabant-Noord, District Aa en Dommel, team Oost, nr. 2009097060-2, d.d. 26 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie (p. 31-35 van het proces-verbaal met registratienr. 2009137328-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 21 augustus 2009 omstreeks 13.00 uur bevond ik mij in mijn woning te Berlicum. Ik hoorde de bel van de voordeur. Ik opende de voordeur en zag een mij onbekende man staan. Hij vroeg of ik wist of de stoffeerder van de hoek thuis was. Hij vertelde mij dat hij een bankje ter reparatie had. Ik vertelde hem dat ik vermoedde dat de stoffeerder op vakantie was. Ik hoorde dat de man toen tegen mij zei dat hij dan pech had omdat hij nog maar een beetje benzine in zijn auto had en dat hij daarmee niet meer thuis kon komen. Hij vroeg mij of ik hem geld kon lenen zodat hij kon tanken en dan naar huis in Oss kon rijden. Hij zei mij dat hij dan over anderhalf uur het geld zou terug bezorgen. Hij zei dat hij het geld thuis zou gaan halen en het mij dan terug zou komen brengen.

De man kwam mij heel vertrouwd over. Hij vertelde dat hij [verdachte] heette. Hij wees naar een auto die bij ons in de straat stond geparkeerd. Hij vertelde dat in zijn auto zijn legitimatie lag en dat hij die wel even ging halen. Ik zei dat dat niet hoefde.

Ik heb hem € 20,00 geleend. De man nam het geld aan en ik hoorde dat hij mij bedankte en nogmaals zei dat hij het geld binnen anderhalf uur terug zou brengen. De man die het geld van mij geleend heeft is niet binnen anderhalf uur teruggekomen en hij heeft mij tot op heden het geld nog niet teruggegeven.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

7. Het ambtsedig proces-verbaal van Politieregio Zuid-Oost, afdeling Best Oirschot Son, nr. 2009126963-1, d.d. 27 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], medewerker van politie (p. 40-44 van het proces-verbaal met registratienr. 2009137328-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]:

Op 17 juli 2009 omstreeks 15.30 uur was mijn moeder bij ons thuis te Best aan het oppassen. In onze voortuin staat een bord met de tekst '[A]'. Er werd aangebeld en mijn moeder deed open. De man zei dat hij bij een bedrijf werkte en noemde een naam en hij zei dat wij voor dat bedrijf een tent hadden geleverd in verband met een 12-jarig jubileum. Hij vroeg of hij € 10,00 kon lenen omdat zijn benzinetank leeg was en hij zijn portemonnee was vergeten. Mijn moeder belde mijn man op en mijn man heeft hem ook nog gesproken en zei tegen mijn moeder geef het maar. Mijn moeder heeft zelf het geld voorgeschoten. Toen mijn moeder met het geld naar de man in de deuropening liep zei de man mag het ook € 20,00 zijn want anders haal ik het niet. Mijn moeder heeft de man € 20,00 gegeven. De man zei tegen mijn moeder dat hij dezelfde avond het geld terug zou komen brengen. Hij noemde ook zijn naam [verdachte]. Echter kwam hij niet opdagen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

8. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 17 december 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geld gevraagd omdat ik zonder benzine stond. Ik had het geld nodig om te tanken. Ik vroeg [betrokkene 2] € 10,00. Ik heb het geld nog niet terugbetaald. [betrokkene 2] gaf € 20,00. Ik heb het geld geleend."

2.3.

De onderhavige tenlastelegging is toegesneden op art. 321 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde - in de vervoeging "wederrechtelijk zich toeëigent" - in dat artikel voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256).

2.4.

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte anderhalf jaar na het "lenen" van de geldbedragen het geld nog niet had teruggegeven, ondanks zijn toezegging het geld binnen anderhalf uur respectievelijk dezelfde dag terug te brengen. Gelet hierop alsmede gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte het geld heeft geleend, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte als heer en meester heeft beschikt over de geldbedragen. Het oordeel van het Hof dat de verdachte zich aldus de bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2014.