Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3156

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
13/05729
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1976, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:3417, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek tot aanhouding ottz. Volgens de akte van uitreiking is de dagvaarding van verdachte om ttz. van het Hof van 3 oktober 2013 terecht te staan op 26 september 2013 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in art. 588.3.c Sv. De in art. 413.1, eerste volzin, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen is dus niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte en blijkens het p-v van de tz. verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het ottz. o.g.v. art. 413 Sv i.s.m. art. 265.3 Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het ottz. voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0441
RvdW 2014/1307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 november 2014

Strafkamer

nr. S 13/05729

IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013, nummer 23/003487-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het verzoek van de raadsman van de verdachte tot aanhouding van de behandeling van de zaak ten onrechte althans onvoldoende met redenen omkleed heeft afgewezen.

2.2.

Volgens de akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op de terechtzitting van het Hof van 3 oktober 2013 terecht te staan – is deze op 26 september 2013 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in art. 588, derde lid onder c, Sv. De in art. 413, eerste lid eerste volzin, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen is dus niet in acht genomen.

2.3.

Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting de verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 413 Sv in samenhang met art. 265, derde lid, Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het onderzoek ter terechtzitting echter voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend.

Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert.

2.4.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2014.