Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3151

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13/02376
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1971, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Art. 360 Sv. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, inhoudende dat ex art. 360.1 en 4 Sv de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt a.b.i. art. 344a.3 Sv, op straffe van nietigheid nader behoort te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344a.3 Sv is voldaan, terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht. Het Hof heeft i.s.m. art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik van een p-v van politie - houdende een weergave van aan de politie verstrekte informatie door een onbekend gebleven persoon - nader te motiveren. Dit leidt ingevolge art. 360.4 Sv tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0438
RvdW 2014/1300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 november 2014

Strafkamer

nr. S 13/02376

ABG/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 mei 2013, nummer 22/005188-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, zonder dat gebruik naar de eis der wet te motiveren.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

hij in de periode tussen 02 juni 2009 en 21 juli 2009 te Oud-Beijerland opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 261 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode tussen 02 juni 2009 en 21 juli 2009 te Oud-Beijerland tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (van in totaal 8.079kWh) (ter waarde van 765,09 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1830/09-077919 van de politie Zuid-Holland-Zuid, op 7 oktober 2009 opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], onder meer inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten - zakelijk weergegeven -:

Op 21 juli 2009 werd op het adres [a-straat] nummer [1] te [plaats], in de garagebox, een inwerkingzijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 261 hennepplanten.

(...)

4. Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009264276-2 van de politie Rotterdam-Rijnmond, op 30 juli 2009 opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 5] onder meer inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant - zakelijk weergegeven -:

Op 14 juli 2009 werd ik aangesproken door een man die vertelde dat de bewoners van het pand nummer [1] aan de [a-straat] te [plaats] zich sinds enige tijd vreemd gedroegen. De man had het volgende gezien.

Er was regelmatig een man met een donker Mercedes Bestelauto die contact had met de mannelijke bewoner van het pand en hij had gezien dat deze met hem de garage inging. De door deze man bestuurde Mercedes bestelauto was voorzien van het kenteken [AA-00-AA]. Hij had gezien dat deze bestuurder heel veel om zich heen keek. Heimelijk, alsof hij er zeker van wilde zijn dat niemand hem op het betreffende adres zag binnengaan.

5. Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1830/09-077919 van de politie Zuid-Holland-Zuid, op 22 juli 2009 opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3], onder meer inhoudende als de op 21 juli 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven -:

Ik woon sinds 2009 in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Een week of zes geleden hebben wij de garage/schuur verhuurd. Er wordt aan het eind van de maand contant 250 euro aan huur betaald door een man die ik ken als [verdachte]. De stroom voor de hennepkwekerij is voor mijn elektriciteitsmeter in de meterkast afgetapt. [verdachte] heeft alles aangelegd. De sleutels van de garage heb ik aan [verdachte] gegeven.

6. Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1830/09-077919 van de politie Zuid-Holland-Zuid, op 22 juli 2009 opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], onder meer inhoudende als de op 22 juli 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven -:

De man die ik gisteren in mijn verklaring [verdachte] noemde is [verdachte] uit het kamp [plaats]. Ik ken hem via het werk van mijn man. Ik ken hem ongeveer twee jaar. [verdachte] was met iemand anders toen hij de stroomvoorziening in onze meterkast heeft aangepast. Die andere man noemde zich ook [verdachte]. Die [verdachte] hielp mee met het gedoe in de meterkast. [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte]) kwam gemiddeld één a twee keer per week langs.

De ene keer was hij alleen en de andere keer kwam hij met die andere [verdachte]. Een van hen ging dan de garage in en kwam er na een tijdje weer uit.

U toont mij een foto en vraagt wie de man is die daarop is afgebeeld. Ik herken deze man als [verdachte].

7. Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1830/09-077919 van de politie Zuid-Holland-Zuid, op 21 juli 2009 opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3], onder meer inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] - zakelijk weergegeven -:

Ik woon op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Zes weken geleden hebben wij de garage verhuurd en daar zouden we per maand 250 euro voor krijgen. We hebben één keer 250 euro contant ontvangen. De garage hebben we verhuurd aan mijn collega [verdachte]. Van [verdachte] hebben we die 250 euro ontvangen.

8. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 april 2013, inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] - zakelijk weergegeven -:

Het klopt dat de Mercedes Benz met het kenteken [AA-00-AA] van mij is. Het klopt dat ik met deze auto geregeld bij het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] ben geweest."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - kort samengevat - betoogd dat de verklaringen van getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn bij de politie kort na het ontdekken van de hennepkwekerij gehoord en hun verklaringen komen naar het oordeel van het hof authentiek en betrouwbaar over, temeer daar hun verklaringen worden ondersteund door een verklaring van een anonieme getuige, die heeft verklaard over het kenteken van de verdachte en het naar binnen gaan van de verdachte in de garage. Dat het proces-verbaal van bevindingen ter zake pas op een later moment is opgemaakt, doet hier niet aan af."

2.3.

Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan, terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526).

2.4.

Het Hof heeft tot het bewijs gebezigd een proces-verbaal van politie (bewijsmiddel 4) houdende de weergave van aan de politie verstrekte informatie door een onbekend gebleven persoon. Dit proces-verbaal moet worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv. Het Hof heeft in strijd met art. 360, eerste lid, Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel nader te motiveren. Dit leidt ingevolge art. 360, vierde lid, Sv tot nietigheid.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2014.