Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3145

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13/02642
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1966
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich i.h.b. voordeed gedurende het tijdsbestek dat hij de televisie heeft afgekoppeld en weggedragen, hoewel het Hof ook heeft vastgesteld dat de steken toegebracht na het wegbrengen van de televisie niet fataal waren. Dat het Hof in zijn overwegingen eerder heeft beschreven dat uit de sectiebevindingen volgt dat alle door verdachte aan het slo. toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood, doet aan die uiteindelijke vaststelling niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0437
RvdW 2014/1301

Uitspraak

11 november 2014

Strafkamer

nr. S 13/02642

KD/AKA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 5 april 2013, nummer 24/001658-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na enig kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer], meermalen, met een mes in de nek en de hals en de rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. hij in de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisietoestel, een laptop, een gsm, een mes, een of meer sleutel(s) en een auto, Alfa Romeo, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van de voorbedachte raad het volgende overwogen:

"Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen verklaard kan worden dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer heeft gedood. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld met een waas voor zijn ogen. Deze waas zou zijn ontstaan doordat het slachtoffer verdachte plotseling op zijn mond zoende en zogenaamde 'neukbewegingen' maakte tegen het achterwerk van verdachte. Verdachte die - zoals hij zelf stelt - in zijn jeugd door een buurman seksueel is misbruikt, raakte hierdoor volgens de raadsman dusdanig in de war dat hij in paniek het slachtoffer meermalen met een mes heeft gestoken. Deze handelingen van verdachte zijn - aldus de raadsman - gepleegd in een blinde razernij, in een hoge mate van opwinding en in een kort tijdsbestek, waarbij geen plaats was voor een mogelijkheid tot bezinning. Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. De raadsman is van mening dat de subsidiair ten laste gelegde doodslag wel bewezen kan worden verklaard.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012 (LJN BR2342, NJ 2012/518).

"Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven."

Het hof overweegt als volgt

Op dinsdag 8 november 2011, omstreeks 09.30 uur wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in zijn eigen huis te [plaats]. In en rondom de woning is forensisch/technisch onderzoek verricht. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] door meerdere messteken om het leven is gebracht en dat er meerdere goederen van hem zijn weggenomen.

Op 10 november 2011 heeft dr. B. Kubat arts en patholoog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, uit- en inwendige schouwing gedaan op het lichaam van het slachtoffer en geconcludeerd dat de dood is ingetreden door verbloeding ontstaan ten gevolge van steekletsels. Uit de sectie op het lichaam van het slachtoffer is onder andere gebleken dat het slachtoffer zeven steekletsels had, te weten drie steekletsels in de nek/hals (waarvan één doorsteek), twee steekletsels in de rug, één steekletsel in de rechter heup en één steekletsel in het rechter onderbeen. Uit de sectiebevindingen volgt voorts dat alle door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood.

Op grond van de resultaten van het volledig forensisch onderzoek komt blijkens het proces-verbaal als het meest waarschijnlijke scenario naar voren dat aan het slachtoffer de verwondingen in de nek zijn toegebracht terwijl hij op het bed lag, liggend op zijn rechterzijde met het dekbed over zich heen tot minstens oorhoogte. Dit scenario wordt onderbouwd met het gegeven dat op zowel de dichte kant van het dekbedhoes (bovenkant dekbed) als het kussen waarop het slachtoffer zou hebben gelegen steekbeschadigingen zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van technisch onderzoek blijkt: 'Steekbeschadiging in het kussensloop is hoogst waarschijnlijk veroorzaakt door het doorsteekletsel in de nek van het slachtoffer, waarbij het uiteinde van het mes is geëindigd in het kussen'.

In dit meest waarschijnlijke scenario heeft zich een tweede steekmoment voorgedaan toen het slachtoffer naast het bed op de grond was beland, nadat hij eerst rechtop op de rand van het bed had gezeten. Voorts wordt in dit scenario uit de aanwezige bloedsporen afgeleid dat verdachte tussen beide steekmomenten de televisie heeft losgekoppeld en weggedragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 22 maart 2013 verklaard dat hij het slachtoffer in de nek heeft gestoken terwijl beiden op de drempel tussen de woonkamer en de hal stonden. Ter terechtzitting van de rechtbank op 26 juni 2012 heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer op het bed was beland en omhoog kwam toen hij hem in de nek stak. Dit was ook zijn aanvankelijke verklaring bij de politie. Later verklaart hij dat hij heeft gestoken terwijl het slachtoffer nog in bed lag.

In alle verklaringen noemt verdachte de ongewenste seksuele toenadering van het slachtoffer als oorzaak voor zijn waas en woede die hem ertoe brachten een mes uit de keuken te pakken en te steken. Ook verklaart verdachte telkens dat hij het slachtoffer alleen in de nek heeft gestoken.

Het hof stelt vast dat verdachte niet consequent is in zijn verklaringen en dat geen enkele variant van de door hem afgelegde verklaring is te rijmen met de uitkomsten van het technisch/forensisch onderzoek. Verdachte heeft ook geen verklaring voor de aangetroffen kneuzingen bij het slachtoffer en ontkent in tweede instantie nog te hebben gestoken toen het slachtoffer op de grond lag.

Het hof wil verdachte volgen in zijn verklaring dat hij kwaad is geworden toen het slachtoffer seksuele avances maakte waarvan hij niet was gediend. Daarbij gaat het hof er wel van uit dat verdachte op dat moment bij het slachtoffer in bed heeft gelegen. Dit gezien het feit dat de logeerbank niet was opgemaakt en gelet op de getuigenverklaring van [getuige]. De getuige woonde destijds bij verdachte in huis en werd die nacht (vlak na het incident) door verdachte wakker gemaakt. [getuige] heeft bij de politie, d.d. 9 november 2011 verklaard over de nacht van zondag 6 november 2011 op maandag 7 november 2011: 'Hij (verdachte) maakte me wakker, hij was helemaal door het dolle. Hij was echt helemaal wild en zwaaide met zijn armen en riep: 'Ik heb hem helemaal kapot gestoken'. Hij zei tegen mij dat hij naast die man (slachtoffer) had gelegen. Ik vroeg aan [verdachte] (verdachte) hoe hij dat gedaan had. [verdachte] zei, dat de man op zijn zij lag te slapen en dat hij hem vervolgens 2 of 3 keer in de nek had gestoken'.

Het hof stelt vast dat verdachte aldus gerekend vanaf het bed en niet vanaf de drempel een grotere afstand heeft moeten overbruggen van het slachtoffer naar het messenblok in de keuken en weer terug, dan waarvan hij het hof ter terechtzitting heeft proberen te overtuigen.

Bij de vraag of de kwaadheid van verdachte zo'n dimensie heeft aangenomen dat verdachte niet meer in staat is geweest om zijn handelen onder controle te houden neemt het hof in beschouwing dat uit de processtukken is af te leiden dat verdachte actief contact zocht met homoseksuele mannen en daar ook seksuele contacten mee had.

Dat financieel gewin voor hem daarbij voorop stond, doet niet af aan het feit dat verdachte op dit gebied dus wel wat gewend moet zijn geweest. Voorts overweegt het hof dat het er op grond van het technisch/forensisch onderzoek voor moet worden gehouden dat zich twee steekmomenten hebben voorgedaan en dat verdachte in de tussentijd de televisie van het slachtoffer heeft afgekoppeld en weggedragen. Dat betekent dat verdachte na het wegnemen van de televisie nog een aantal steken heeft toegebracht. Deze steken waren weliswaar niet fataal, maar zijn wel toegebracht op een moment dat het slachtoffer nog in leven was en wellicht nog te redden. De conclusie van het hof is dat moet worden aangenomen dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn handelen en de gevolgen daarvan en dat er geen contra-indicatie bestaat voor het aannemen van voorbedachte raad."

2.3.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156).

2.4.

Het Hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed gedurende het tijdsbestek dat hij de televisie heeft afgekoppeld en weggedragen, hoewel het Hof ook heeft vastgesteld dat de steken toegebracht na het wegbrengen van de televisie niet fataal waren. Dat het Hof in zijn overwegingen eerder heeft beschreven dat uit de sectiebevindingen volgt dat alle door de verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood, doet aan die uiteindelijke vaststelling niet af.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2014.