Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3125

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
13/04162
Formele relaties
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBDHA:2013:9124
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:681, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenvonnis, HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6657, NJ 2012/317. Schadeloosstelling voor huurder van onteigende bedrijfsruimte, art. 40-42 Ow. Bedrijfsschade van vennootschap onder firma die in het gehuurde een bedrijf uitoefent. HR 22 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB5578, NJ 1972/294; HR 6 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB7224, NJ 1974/140; HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1731, NJ 2014/100.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/2063
JWB 2014/398
RvdW 2014/1245
BR 2015/17 met annotatie van E.W.J. de Groot
NJ 2015/56 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 november 2014

Eerste Kamer

13/04162

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de GEMEENTE DEN HAAG,
zetelende te Den Haag,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Gemeente en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/380134/HA ZA 10-3971 van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2011, 28 maart 2012 en 26 juni 2013;

De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van de rechtbank heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover gericht tegen het tussenvonnis en tot verwerping van het beroep voor zover gericht tegen het eindvonnis.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep voor zover gericht tegen het tussenvonnis

In de cassatiedagvaarding is namens de Gemeente aangezegd dat zij tegen het vonnis van 28 maart 2012 (hierna: het tussenvonnis) en het eindvonnis beroep in cassatie instelt. De Gemeente heeft weliswaar tegen beide vonnissen klachten aangevoerd, maar heeft geen klachten gericht tegen de beslissing in het tussenvonnis dat de Gemeente aan [verweerder] een voorschot van € 7.000,-- dient te betalen. Daarom staat, gelet op de art. 54l lid 1 en 54t lid 1 in verbinding met art. 52 lid 2 Ow, van het tussenvonnis geen cassatieberoep open en kan de Gemeente in zoverre niet in haar beroep worden ontvangen.
Dit staat evenwel niet in de weg aan de beoordeling van het middel voor zover daarin wordt geklaagd over in het tussenvonnis vervatte oordelen van de rechtbank die in het eindvonnis zijn overgenomen en ten grondslag zijn gelegd aan de daarin gegeven uitspraak over de schadeloosstelling. (Vgl. HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6657, NJ 2012/317)

4 Beoordeling van het middel

4.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij vonnis van 29 december 2010 heeft de rechtbank ten name en ten behoeve van de Gemeente vervroegd de onteigening uitgesproken van het perceel kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie [A], nummer [001] (hierna: de onroerende zaak).

(ii) [verweerder] was huurder van de onroerende zaak. Daarin werd een restaurant geëxploiteerd door een vennootschap onder firma. De vennoten waren [verweerder] en [betrokkene 1].

(iii) Op vordering van [verweerder] heeft de rechtbank hem toegestaan als huurder tussen te komen in het onteigeningsgeding.

4.2

De rechtbank heeft de door de Gemeente aan [verweerder] te betalen schadevergoeding vastgesteld op € 131.000,-- en daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

[verweerder] heeft de door hem gehuurde bedrijfsruimte ter beschikking gesteld aan het door de vennootschap onder firma gedreven restaurant. Als gevolg van de onteigening kan hij daarmee niet voortgaan. Gelet op de vennootschappelijke verhouding waarin [verweerder] zich op de peildatum bevond, brengt de billijkheid mee dat op [verweerder] de verplichting rust de schade die de vennootschap dientengevolge lijdt aan de vennootschap te vergoeden. De schadeloosstelling voor onteigening bestaat voor [verweerder] dus uit de volledige bedrijfsschade van de door [verweerder] (mede) gedreven vennootschap onder firma. (rov. 2.17 van het tussenvonnis, rov. 2.8-2.11 van het eindvonnis)

4.3

Klacht 1 bestrijdt niet het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de vennootschappelijke verhouding waarin [verweerder] zich op de peildatum bevond, de billijkheid meebrengt dat op hem de verplichting rust de schade die de vennootschap als gevolg van de onteigening lijdt, aan de vennootschap te voldoen. Uitgaande van die vennootschappelijke verhouding, voert de klacht onder 10-11 aan dat de rechtbank heeft miskend dat tot de door [verweerder] als huurder geleden schade als gevolg van de onteigening niet de schade behoort die de vennootschap onder firma lijdt vanwege het niet meer ter beschikking staan van de door [verweerder] gehuurde bedrijfsruimte.

4.4.1

Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.

4.4.2

Volgens art. 40 Ow vormt de schadeloosstelling bij onteigening een volledige vergoeding voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Art. 40 is van overeenkomstige toepassing op rechten die door de onteigening geheel of gedeeltelijk vervallen.
Een huurrecht van bedrijfsruimte vervalt door inschrijving van het onteigeningsvonnis (art. 59 lid 3 Ow).

4.4.3

Art. 42 lid 1 Ow bepaalt onder meer dat bij de onteigening van verhuurde bedrijfsruimte als omschreven in art. 7:309 lid 5 BW, door de onteigenende partij aan de huurder een schadeloosstelling wordt betaald, en dat bij de begroting daarvan rekening wordt gehouden met de kans dat de huurverhouding bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomst zou hebben voortgeduurd. Art. 42 lid 1 Ow strekt blijkens de parlementaire geschiedenis ertoe dat de schadeloosstelling van de huurder van bedrijfsruimte een volledige vergoeding van diens bedrijfsschade omvat (zie de vindplaatsen genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.5).

4.4.4

Gezien het voorgaande komt aan de huurder van onteigende bedrijfsruimte volledige vergoeding toe voor de schade die hij in de zin van de art. 40, 41 en 42 lid 1 Ow rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van het huurrecht.

Ten behoeve van de begroting van de aan [verweerder] toekomende schadeloosstelling heeft de rechtbank terecht aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad waarin is beslist dat indien een eigenaar op de onteigende zaak een bedrijf heeft uitgeoefend in het verband van een vennootschap onder firma of maatschap, of in een niet juridisch vormgegeven familieverband, en op hem een verplichting rust om de hem toe te kennen vergoeding ter zake van inkomensschade in dat verband in te brengen, de volledige bedrijfsschade van dat verband moet worden aangemerkt als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening in de zin van art. 40 Ow (HR 22 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB5578, NJ 1972/294; HR 6 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB7224, NJ 1974/140;
HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1731, NJ 2014/100). In het licht van hetgeen hiervoor in 4.4.2-4.4.4 is overwogen, heeft te gelden dat ook indien een huurder in het verband van een vennootschap onder firma of maatschap, of in een niet juridisch vormgegeven familieverband, een bedrijf uitoefent in of op een onroerende zaak die wordt onteigend, en op de huurder een verplichting rust om de hem toe te kennen vergoeding ter zake van inkomensschade in dat verband in te brengen, de volledige bedrijfsschade van dat verband moet worden aangemerkt als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening in de zin van art. 40 Ow.

4.5.1

Op het vorenstaande stuit de hiervoor in 4.3 weergegeven klacht af.

4.6

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de Gemeente niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het tussenvonnis;

verwerpt het beroep tegen het eindvonnis;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 380,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-presiden F.B. Bakels als voorzitter, en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 7 november 2014.