Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3113

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
12/05521
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1947, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek, mensenhandel. Vd mist een voldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie dat het in h.b. herhaalde getuigenverzoek onbegrijpelijk gemotiveerd is afgewezen, in aanmerking genomen dat niet wordt opgekomen tegen ’s Hofs oordeel dat de bewezenverklaring “niet uitsluitend of overwegend op de verklaring van deze aangever berust”, noch wordt opgekomen tegen ’s Hofs oordeel dat de verklaring van de getuige “op belangrijke punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal”. Het Hof heeft met zijn overwegingen immers tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van de verzochte getuige, ook al heeft de verdediging hem niet ttz. van het Hof als getuige gehoord, bruikbaar is voor het bewijs nu de betrokkenheid van vd in voldoende mate steun vindt in andere bwm en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door vd zijn betwist (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145). De klacht over een mogelijke inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM als gevolg van tijdsverloop na de uitspraak waartegen cassatieberoep is ingesteld voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 263
Wetboek van Strafvordering 326
Wetboek van Strafvordering 330
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0422
NJB 2014/2073
RvdW 2014/1251
NJ 2015/139 met annotatie van P.H.P.H.M.C. van Kempen
NBSTRAF 2014/263 met annotatie van mr. J.S. Spijkerman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2014

Strafkamer

nr. 12/05521

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 november 2012, nummer 21/004613-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K.A. Krikke, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft mr. J. Th. A. Bos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het verzoek tot het horen van de door de verdediging opgegeven getuige [getuige 1] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij

- kort gezegd - zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, onder anderen ten aanzien van de in het middel genoemde [getuige 1].

2.3.1.

De raadsman heeft bij appelschriftuur verzocht [getuige 1] als getuige op te roepen teneinde hem ter terechtzitting van het Hof te doen horen. Nadat het Hof bij tussenarrest dit verzoek had afgewezen, heeft de raadsman van de verdachte het Hof opnieuw verzocht om [getuige 1] als getuige op te roepen. Het Hof heeft dit herhaalde verzoek ter terechtzitting van 12 november 2012 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

"Het Hof heeft de verzochte getuigen, met uitzondering van getuige [getuige 1], getoetst aan het noodzaakcriterium.

(...)

Het hof heeft de verzochte getuige [getuige 1] getoetst aan het verdedigingsbelang, hoewel over het toepasselijke criterium getwijfeld kan worden. Het verzoek tot het horen van deze getuige is eerder bij tussenbeslissing afgewezen. Na het verhoor van [getuige 2] op 18 juli 2012 was bij de verdediging bekend dat de verzochte getuige een andere getuige in Arnhem heeft afgezet ten behoeve van een verhoor bij de raadsheer-commissaris. Alsdan moet het de verdediging duidelijk zijn geweest dat een mogelijke verblijfplaats te achterhalen was. Om dan zo kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een verzoek tot het horen van deze getuige in te dienen is in strijd met de goede procesorde. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Het hof zal wel rekening houden met het feit dat de verdediging ten aanzien van getuige [getuige 1] het ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren."

2.3.2.

Het bestreden arrest houdt over het gebruik door het Hof voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] het volgende in:

"Net als de rechtbank heeft ook het hof de verklaringen van de aangevers en de getuigen met de benodigde behoedzaamheid bekeken. Gezien de grote hoeveelheid verklaringen en het feit dat deze verklaringen naar het oordeel van het hof in grote lijnen hetzelfde beeld tonen, worden de verklaringen op deze hoofdlijnen betrouwbaar geacht en zijn ze aldus bruikbaar voor bewijs.

(...)

De verdediging heeft aangevoerd dat in ieder geval de verklaringen van de aangevers/getuigen die de verdediging heeft willen horen, maar niet heeft kunnen horen omdat hun verblijfplaats niet bekend was (het hof begrijpt: getuige [getuige 1]) niet gebruikt mogen worden voor het bewijs.

Het Hof oordeelt anders. De bewezenverklaring rust in deze zaak niet uitsluitend of overwegend op de verklaring van deze aangever, welke verklaring overigens op belangrijke punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Dit betekent dat het hof zijn verklaring zal bezigen voor het bewijs, met de hiervoor over de andere aangevers/getuigen overwogen behoedzaamheid. Dat wil zeggen dat het hof zijn verklaring dat hij voor verdachte in de prostitutie heeft gewerkt en dat hij een deel van zijn inkomsten heeft afgestaan aan verdachte, voor het bewijs zal bezigen."

2.4.1.

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de motivering van de beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"2.75. (...) In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. (...)"

2.4.2.

In aanmerking genomen dat in de schriftuur niet wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat de bewezenverklaring "niet uitsluitend of overwegend op de verklaring van deze aangever berust", noch wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat de verklaring van [getuige 1] "op belangrijke punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal", mist de verdachte een voldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie dat het getuigeverzoek onbegrijpelijk gemotiveerd is afgewezen. Met zijn overwegingen heeft het Hof immers als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van [getuige 1], ook al heeft de verdediging hem niet ter terechtzitting van het Hof als getuige gehoord, bruikbaar is voor het bewijs nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).

2.5.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

3.1.

Voor zover het middel beoogt te klagen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden, mist het feitelijke grondslag zodat het in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

3.2.

Voor het overige voldoet het in de schriftuur gestelde niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu daarin niet wordt geklaagd over een jegens de verdachte reeds gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM als gevolg van tijdsverloop na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld doch slechts over de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk.

4 Beoordeling van het namens de benadeelde partijen voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt de beroepen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.