Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3104

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
13/04651
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1937, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 94 Sv-beslag. Het oordeel van de Rb dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, “de inbeslaggenomen personenauto” zal verbeurdverklaren is, gelet op de ingevolge art. 33a Sr geldende vereisten voor verbeurdverklaring en in aanmerking genomen hetgeen in raadkamer is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk, aangezien de auto niet i.v.m. een verdenking ter zake valsheid in geschrift of witwassen in beslag is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0449
RvdW 2014/1270

Uitspraak

4 november 2014

Strafkamer

nr. 13/04651 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 10 september 2013, nummer RK 13/486, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel komt op tegen de (motivering van de) ongegrondverklaring van het namens klaagster ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave van een onder haar in beslaggenomen personenauto.

2.2.

Het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer houdt het volgende in:

"De raadsvrouw deelt mede:

Er is een onderzoek naar Achmea en het verhoor is afgelopen vrijdag afgenomen.

Op 9 februari is er een aanrijding geweest in Rotterdam met dit voertuig. Op dat moment wordt de auto in beslag genomen om te onderzoeken wat de toedracht was. Het onderzoek heeft gelijk de volgende dag plaatsgevonden en ook alle voertuigen die erbij betrokken zijn, zijn onderzocht.

De andere auto heeft geen voorrang gegeven. Op dat moment is het doel de waarheidsvinding geweest, maar welk strafvorderlijk belang is er nu nog?

Op 16 juli heb ik een fax gestuurd naar het Openbaar Ministerie met de vraag of er nog een strafvorderlijk belang was. Ik zie het belang niet. Ik ben van mening dat de auto moet worden teruggegeven. De auto is een halve ton waard.

Daarop vooruitlopend. Mijn cliënte is gehoord naar aanleiding van de aangifte van Achmea en zij is afgelopen vrijdag gehoord over de fraude. Zij zou niet de bestuurder zijn geweest, maar iemand anders volgens de getuigen. Wat daar ook van zij, dan nog zie ik in dit geval het strafvorderlijk belang niet.

Voor verbeurdverklaring komt de auto niet in aanmerking. Het feit is niet begaan met de auto en het is hoogst onwaarschijnlijkheid dat verbeurdverklaring zal volgen.

De officier van justitie deelt mede:

Er vindt een marginale toetsing plaats. De verdediging zegt dat er geen strafvorderlijk belang meer is. Het Openbaar Ministerie is van mening dat er nog wel een belang is. De auto komt in aanmerking voor verbeurdverklaring ex artikel 33a onder b Sr, voorwerp met betrekking tot welke het feit is begaan.

Er zat een man achter het stuur. Klaagster is naar de plaats van het ongeval gekomen en heeft aangifte gedaan bij Achmea voor schade. Zij is achter het stuur gaan zitten. Dat is valsheid in geschrift. Niet zij zat achter het stuur, maar iemand anders. De auto is niet meer nodig voor de waarheidsvinding en is wel vatbaar voor verbeurdverklaring. Er is schade aan de auto.

De raadsvrouw deelt mede:

Als mijn cliënte verder wordt vervolgd voor valsheid in geschriften, dan is dat feit niet met de auto begaan. Het onderwerp is de auto, maar je begaat het niet met een auto. Geen vatbaarheid voor verbeurdverklaring."

2.3.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen:

"Feiten

Klaagster wordt verdacht van valsheid in geschrifte.
In dit kader is onder klaagster een personenauto merk BMW, type Z4, kenteken [AA-00-BB] in beslag genomen.

Inhoud van de klacht

Het klaagschrift, zoals in raadkamer nader toegelicht, strekt tot opheffing van het onder de klaagster gelegde beslag op de personenauto, met last tot teruggave daarvan aan de klaagster. Namens de klaagster is daartoe aangevoerd dat de auto in beslag is genomen naar aanleiding van een ongeval. Het technisch onderzoek naar de oorzaak van het ongeval heeft inmiddels plaatsgevonden. Daarmee is het doel van de inbeslagname - de waarheidsvinding - thans niet meer aan de orde. Voor verbeurdverklaring komt de personenauto niet in aanmerking nu het feit waarvan klaagster wordt verdacht, te weten valsheid in geschrifte, niet is begaan met de auto.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Er vindt een marginale toetsing plaats. Het Openbaar Ministerie is van mening dat er nog wel strafvorderlijk belang is en dat de personenauto voor verbeurdverklaring in aanmerking komt. Ten tijde van het ongeval zou er een man achter het stuur zitten.

Klaagster heeft zich echter voorgedaan als de bestuurder van de auto, dit in verband met de afwikkeling van de schade door de verzekeringsmaatschappij. De personenauto is niet meer nodig voor de waarheidsvinding, maar is wel vatbaar voor verbeurdverklaring.

Beoordeling van de klacht

Vooropgesteld wordt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.

In geval van een beklag van de beslagene tegen op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aan zien van dat voorwerp moet worden beschouwd (vgl. HR 3 januari 2012, LJN: BU2053). Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de betrokken klager - of wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat de klager wordt verdachte van - zakelijk verwoord - witwassen.

Ten aanzien van die verdenking overweegt de rechtbank het volgende.

De verdenking is gebaseerd op (onder meer) de volgende, uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal blijkende feiten en omstandigheden:

- Op 9 februari 2013 heeft er een ongeval plaatsgevonden tussen twee personenauto's waarvan klaagster zegt hierbij betrokken te zijn geweest;

- Vier getuigen ter plaatse verklaren dat niet klaagster de bestuurder was van de personenauto tijdens de aanrijding, maar een mannelijk persoon. De man zou bij de aanrijding betrokken zijn geweest. Na de aanrijding zou hij zijn uitgestapt en zou klaagster plaats hebben genomen achter het stuur.

Voornoemde feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen eerder genoemde verdenkingen jegens de klaagster. Het op de voet van artikel 94 Sv gelegde beslag is op goede gronden gelegd.

Voorts bestaat er naar het oordeel van de rechtbank tegen de achtergrond van voornoemde omstandigheden een vermoeden dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. Door verschillende getuigen is waargenomen dat klaagster ten tijde van het ongeval niet de bestuurder van de auto was. Desondanks heeft klaagster aan haar verzekeringsmaatschappij opgegeven dat dit wel het geval was.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag zal bevelen.

Het belang van strafvordering verzet zich derhalve op dit moment tegen teruggave van het geldbedrag.

Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard."

2.4.

Gelet op de ingevolge art. 33a Sr geldende vereisten voor verbeurdverklaring en in aanmerking genomen hetgeen in de raadkamer is aangevoerd, is het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, "het in beslag genomen geldbedrag" (de
Hoge Raad leest: de inbeslaggenomen personenauto) zal verbeurdverklaren, niet zonder meer begrijpelijk aangezien de auto niet in verband met een verdenking ter zake van valsheid in geschrift of witwassen in beslag is genomen.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.