Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3099

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
12/03548
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1939, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:3954, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht opzet op het medeplegen van het na de poging tot diefstal toegepaste geweld faalt. N.a.v. CAG overweegt de HR nog het volgende. Niet alleen de delictsomschrijving, maar in het concrete geval ook de tll. bepaalt waarop het opzet van de verdachte moet zijn gericht. Dat is niet anders ingeval medeplegen is tenlastegelegd. I.c. moet daarom uit de bewijsmotivering kunnen volgen dat het opzet van de verdachte was gericht op onder meer het (kennelijk tezamen en in vereniging met anderen) plegen van geweld en/of bedreiging met geweld “welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit het met een wapen afvuren van kogels op die [persoon]”, hetgeen het geval is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0455
NJB 2014/2066
NJ 2014/502 met annotatie van
RvdW 2014/1259
NBSTRAF 2014/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2014

Strafkamer

nr. S 12/03548

MD/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2012, nummer 20/001215-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Sennef, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Mr. R.J. van Eenennaam, advocaat te 's-Gravenhage, heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, in het bijzonder wat betreft het opzet op het medeplegen van het na de poging tot diefstal toegepaste geweld.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 26 mei 2010 te Someren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen uit een hennepkwekerij een hoeveelheid hennepplanten, toebehorende aan [slachtoffer] of aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waartoe verdachte en zijn mededaders

- overleg hebben gevoerd en plannen en/of afspraken hebben gemaakt over de handelswijze bij het stelen van die hennep en

- naar de plaats van het misdrijf zijn gegaan met medeneming van tie rips en bivakmutsen en een breekijzer en handschoenen en een flesje met bijtende en/of prikkende en/of weerloos makende stof

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestonden uit het met een wapen afvuren van kogels op die [slachtoffer]."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"5. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, nr. PL2233 2010077222-41, pagina 1877, 1880, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 2] aan de desbetreffende verbalisanten:

Ik heb op maandag 24 mei 2010 van een kennis uit Duitsland over de telefoon vernomen dat er in Someren een wiethok zou staan. Ik had van hem gehoord dat er maar een persoon aanwezig zou zijn op het hele terrein. Ik heb ervoor gekozen om een sporttas met gereedschap mee te nemen. Ik heb toen een setje inbussleutels, tierips, een knipschaar en bivakmutsen meegenomen. Mijn informant zei dat hij wel een aantal jongens kende die mee wilden helpen. Hij zei dat er op 25 mei 2010 jongens zouden komen die het erover zouden hebben. Hij zei dat ze naar het café [B] zouden komen. Café [B] is mijn kroeg.

Toen [betrokkene 3] (het hof begrijpt [...]) en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) mij in de sloot troffen hebben wij dezelfde route terug naar de auto gelopen. Ik weet nog dat toen ik in de sloot lag dat ik een zwarte geroeste koevoet bij me had. Ook had ik een donkerblauwe nike sporttas bij me waar het gereedschap in lag. Toen we terug naar de auto gingen heb ik de koevoet in de sloot laten liggen.

6. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, nr. PL2233 2010077222-56, pagina's 1890-1892, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 2] aan de desbetreffende verbalisanten:

[betrokkene 4] (het hof begrijpt [...]) is een blonde jongen. [verdachte] was er ook bij. Deze twee zijn naar Antwerpen gereden. Deze hebben daar de oom van [verdachte] (het hof begrijpt [...]) opgehaald en een man genaamd [betrokkene 3] (het hof begrijpt [...]). Met die vier ben ik boven in het café geweest. Daar hebben we besproken hoe de situatie was. We zijn met twee auto's vertrokken. In de Opel zat ik en [betrokkene 3] en [verdachte].

7. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, nr. PL2233 2010077222-60, pagina's 1899-1903, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 2] aan de desbetreffende verbalisanten:
De anderen zaten in het busje. Ik was van mening dat er eerst gekeken zou worden. Als er iemand werd aangetroffen zou die persoon mee moeten helpen of met tie rips worden vastgebonden. De andere vier zouden kijken hoeveel mensen er waren en of er een camera was. Ik had een 6 a 7 tal "boeien" gemaakt door twee tie rips aan elkaar te maken. Deze heb ik onder de anderen verdeeld. Daar zouden ze eventueel de aangetroffen personen mee binden. Ik ben in de bomenrij in de sloot gaan liggen en nummer zes is naast een boom gaan staan. Vervolgens zag ik dat de vier anderen achter elkaar langs de loods afslopen richting de caravan. Ze verdwenen alle vier uit mijn gezichtsveld. Heel kort daarna zag ik in het licht een schreeuwende jongen hard weglopen. Ik zie dan niemand meer maar ik hoor wel schreeuwen. Vervolgens hoor ik twee geluiden. Vervolgens hoor ik een paar seconden later weer drie van dezelfde soort geluiden. Bijna gelijktijdig zie ik ze met zijn vieren langs de loods terug komen lopen. [verdachte] zag ik als eerste en hij zei tegen mij dat we weg moesten. Vervolgens zijn we naar de auto's gelopen. Ik ben weer in de Opel gaan zitten met [betrokkene 3] en [verdachte]. Busje reed achteruit en wij zijn erachteraan gegaan.

8. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, nr. PL2233 2010077222-61, pagina's 1908-1911, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 2] aan de desbetreffende verbalisanten:
We zijn op maandag in de avond op verkenning gegaan. [betrokkene 4] was op de hoogte hoe het eruit zag daar. Ik ben samen met [verdachte] en [betrokkene 4] daar naar toe gereden met de Opel. We hebben daar buiten de auto nog staan kijken naar de achterkant van het terrein.

Op dinsdag 25 mei 2010 zijn [betrokkene 4] en [verdachte] omstreeks 17.00 uur terug gekomen in het café. Toen waren ze in het gezelschap van de oom van [verdachte] en [betrokkene 3]. We hebben toen de zaak doorgesproken. [betrokkene 4] had een schets gemaakt van de situatie. We hebben afgesproken wat voor taken er zijn en welke ingevuld moesten worden. Er zouden op verschillende punten mensen gaan staan om de zaak te bekijken en te beveiligen. Als er mensen zouden worden aangetroffen dan zouden die mee moeten werken. Zo niet dan zouden die worden vastgebonden met tie rips. Ik denk dat ik rond 18.30 uur a 19.00 naar huis gereden ben in [plaats]. [verdachte] heeft mij daar daartoe gereden. Ik heb thuis een donker blauwe Nike tas gepakt. Daarin heb ik gereedschap gedaan. Ook had ik de tie rips bij elkaar gezocht. Ook een breekijzer heb ik ingepakt. In het café had ik de vuilniszakken in voorraad liggen.

Het busje is dinsdag door mijn vader opgehaald. De zesde persoon is mijn vader. Ik vertrouwde het busje niet toe aan vreemden. Ik ben samen met [betrokkene 3] en [verdachte] in de Opel gestapt. [verdachte] heeft gereden zowel heen als terug. De tas met gereedschap lag in de auto. De vuilniszakken lagen in het busje. Ik had ook bivakmutsen meegenomen in de auto. In het busje zijn mijn vader, [betrokkene 4] en de oom van [verdachte] gestapt.

9. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Valkenswaard, nr. PL2233 2010077222-101, pagina's 2085-2086, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte aan de desbetreffende verbalisanten:
Ik heb bepaalde mensen ontmoet en die hebben mij dit aangeboden. Mij was uitgelegd waar het was en dat die mensen handelden in hash. Mijn rol was daar naar toe te rijden. Vervolgens te observeren. Ik zou daar geld voor krijgen. Ik zag in de auto een vuurwapen. Men had zich in 2 groepen gesplitst. Degenen die een vuurwapen bij zich hadden, gingen in de andere auto zitten. Vanuit België naar Someren en vervolgens op de terugweg, zaten steeds dezelfde personen in mijn auto. Ik heb 1 vuurwapen gezien. Het pistool zat achter zijn broeksriem.

10. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Valkenswaard, nr. PL2233 2010077222-102, pagina 2091, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte aan de desbetreffende verbalisanten:

Ik dacht dat het vuurwapen voor de afschrikking gebruikt zou worden.

11. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven, nr. PL2233 2010077222-130, pagina's 2136-2137, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte aan de desbetreffende verbalisanten:
Men heeft mij verteld dat er een crimineel bezig was met een plantage. Ik zou de mensen van en naar de plek moeten brengen. Ik ben bij de voorverkenning geweest. Dit was de dag voor de overval. Ik wist wel dat we iets gingen doen dat strafbaar was. Men vertelde mij dat men die struiken wilde stelen. Men ging de plantage stelen en verkopen.

12. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie regionale informatie organisatie, nr. PL2231 2010077222-220, pagina's 2950-2956, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 5] aan de desbetreffende verbalisanten:
[verdachte] en [betrokkene 4] hebben mij en [betrokkene 6] (het hof begrijpt [...]) opgehaald. We gingen daar naartoe om struiken te stelen. [betrokkene 6], [verdachte] en een Turk gingen met een auto. In de andere auto, dat was een busje, daarin zaten [betrokkene 4], een Turk en ik. De jongere Turk ging met de auto en de oudere ging met ons mee. Deze is met ons mee gereden (opmerking verbalisanten: De verdachte wijst naar de afbeelding van de verdachte [betrokkene 7]). De oudere Turk bestuurde de bus. We kwamen daar ter plekke. We keken of er niemand was. Ik kreeg een telefoontje uit Duitsland van [verdachte] met de vraag om mee te doen om wat spul te stelen. Ik vertelde dat tegen [betrokkene 6] en hij wilde ook wel meedoen. De jonge Turk legde ons uit hoe wij moesten lopen. In het café werd beknopt over de zaak gesproken.

13. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie regionale informatie organisatie, nr. PL2231 2010077222-221, pagina's 2970-2971, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 5] aan de desbetreffende verbalisanten:
De locatie was vrij groot. Een persoon kon dat niet aan. Daarom moesten verschillende mensen posten. Het klopt dat er boven in de bar op een schoolbord is uitgetekend hoe de situatie ter plaatse was. De locatie werd daar omschreven door de jonge Turk.

14. Een proces-verbaal van verhoor van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie gezamenlijke recherche Helmond, nr. PL2233 2010077222-167, pagina's 2739-2740, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 4] aan de desbetreffende verbalisanten:

Op 24 mei 2010 ben ik rond 15.00 uur met [verdachte] naar België gereden. Wij zijn met de Opel van [betrokkene 8] weggegaan. We zijn in het veld geweest. De volgende dag hoorde ik wat ze van plan waren. [betrokkene 8] of [betrokkene 8] liet een foto zien van de woning. Toen we die avond in het café waren zaten ze allemaal boven, [betrokkene 8], [verdachte], [betrokkene 9] en [betrokkene 6]. Toen ik naar boven ging zag ik dat ze iets op een bord hadden getekend. Ik heb de tekening gezien. Er stond een huis getekend en [betrokkene 8] legde iets uit. Ik begreep dat ze iets aan het plannen waren. Eerst gingen [betrokkene 8], [verdachte] en [betrokkene 6] in de Opel weg. Later reden [betrokkene 8], [betrokkene 9] en ik in het busje weg en [betrokkene 8] bestuurde de bus.

(...)

20. Een proces-verbaal sporenonderzoek van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche forensisch technische ondersteuning, nr. PL2219 2010077222-43, in de wettelijke vorm opgemaakt en welke deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt 22TG100001 onderzoek [A], voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Naar aanleiding van een schietincident op 26 mei 2010, op het adres [a-straat] te Someren, werden drie verdachten aangehouden. Deze verdachten reden op het moment van aanhouding in een personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-AA]. Betreffende voertuig betrof een zilverkleurige personenauto van het merk Opel, voorzien van kentekenplaten [AA-00-AA]. Achter de linker voorstoel zagen wij een sporttas van het merk Nike. In deze tas zagen wij meerdere stukken gereedschap en handschoenen. In deze sporttas zagen wij onder andere een bundel witte draadbinders, negen stuks schroevendraaiers, een blauw/groen snoeischaar, een waterpomptang, een set inbussleutels, een wieldopsleutel, een zilverkleurige zaklamp, twee groene zaagbladen, negen witte latex handschoenen, een blauwe doorzichtige latex handschoen, een blauwe verpakking van handschoenen, een paar grijze werkhandschoenen en een fles met gele vloeistof. Op de hoedenplank, zagen wij een grijze gebreide muts liggen. In deze muts zagen wij een zwart-wit geblokte sjaal, twee blauwe stukken mouw of broekspijp met gat geschikt als bivakmuts, drie stukken dikke bruine panty met gat geschikt als bivakmuts."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van het opzet van de verdachte voorts het volgende overwogen:

"A2. De raadsvrouw heeft namens verdachte bepleit dat verdachte voor wat betreft de geweldscomponent dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde omdat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het afvuren van de kogels op [slachtoffer]. Tevens dient verdachte - aldus de raadsvrouw - vrijgesproken te worden ten aanzien van het meenemen van tie rips, bivakmutsen, breekijzer, handschoenen en bedwelmende stof zoals onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

(...)

Ten aanzien van de poging tot diefstal in vereniging

A4. Uit de verschillende verklaringen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten voordat men naar de [a-straat] te Someren is gegaan op 26 mei 2010 bij elkaar zijn gekomen en overleg hebben gevoerd over hoe men te werk zou gaan. Er werden taken verdeeld en er is gesproken over wat moest gebeuren als er mensen zouden worden aangetroffen op het terrein. Men is vervolgens met twee auto's naar de [a-straat] te Someren toe gereden en na aankomst heeft men zich groepsgewijs over het terrein verdeeld.
Blijkens de verklaring van [betrokkene 2] had hij een aantal 'boeien' gemaakt van de tie rips en deze onder de anderen verdeeld. Verdachte is bovendien met [betrokkene 2] mee gereden toen hij thuis de sporttas met het gereedschap en de tie rips ging pakken. De betreffende tas is vervolgens ook in de auto aangetroffen door de politie.
De betrokkenheid van verdachte zowel bij het vooraf gevoerde overleg (eerste gedachtestreepje) als bij het meenemen van de tierips, handschoenen, bivakmutsen en flesje met bedwelmende vloeistof (tweede gedachtestreepje), ten behoeve van de poging tot diefstal van de hennep, acht het hof, gelet op het vorenstaande voldoende wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer wordt in zoverre verworpen.
Ten aanzien van het bij de poging tot diefstal gepleegde vuurwapengeweld.

A5. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en in het bijzonder op grond van de hierboven (...) weergegeven onderdelen van de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, is het hof van oordeel dat verdachte voorafgaand aan het vertrek naar de [a-straat] te Someren op 26 mei 2010 heeft gezien dat één van de medeverdachten een wapen bij had.
Gelet hierop en in onderlinge samenhang bezien met de feiten en omstandigheden dat rekening werd gehouden met het feit dat er iemand aanwezig kon zijn zodat tierips, bivakmutsen, handschoenen en een flesje bedwelmende vloeistof werden meegenomen in een sporttas die later ook door de politie is aangetroffen, bij de voorbespreking eventueel verzet aan de orde is gekomen en [betrokkene 2] heeft verklaard dat als er iemand zou worden aangetroffen deze persoon met tie rips zou worden vastgebonden, concludeert het hof dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de gepleegde poging tot diefstal in vereniging met geweld, welk geweld bestond uit het afvuren van kogels op [slachtoffer].

Verdachte heeft het wapen gezien en wist daarmee naar het oordeel van het hof ook dat dit wapen gebruikt zou kunnen worden. Op zijn minst heeft hij bewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat het wapen bij de diefstal van de hennep zou worden gebruikt."

2.3.

Blijkens de gebezigde bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot diefstal van de hennep wist van het mogelijk gebruik van geweld, onder meer doordat hij wist dat personen die werden aangetroffen, zouden worden vastgebonden en doordat de verdachte had gezien dat één van zijn mededaders een vuurwapen bij zich had waarvan hij dacht dat dit ter afschrikking zou worden gebruikt. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen bij de poging tot diefstal van de hennep zou worden gebruikt. De bewezenverklaring is derhalve toereikend gemotiveerd.

2.4.

Het middel faalt.

2.5.

In verband met hetgeen de conclusie van de Advocaat-Generaal dienaangaande inhoudt verdient opmerking dat niet alleen de delictsomschrijving, maar in het concrete geval ook de tenlastelegging bepaalt waarop het opzet van de verdachte moet zijn gericht. Dat is niet anders ingeval medeplegen is tenlastegelegd. In het onderhavige geval moet daarom uit de bewijsmotivering kunnen volgen dat het opzet van de verdachte was gericht op onder meer het (kennelijk tezamen en in vereniging met anderen) plegen van geweld en/of bedreiging met geweld "welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit het met een wapen afvuren van kogels op die [slachtoffer]", hetgeen het geval is.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden.

4 Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en vier maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.